Site-archief

Alekper Aliyev

ali akber 7Alekper Aliyev is op 28 januari 1978 geboren in Bakoe. Op zijn 13e kwam hij in opstand tegen zijn ouders en liep hij van huis weg. Hij ging met de trein naar Tbilisi, waar hij twee maanden is gebleven en in zijn levensonderhoud voorzag door sigaretten te verkopen. Hij stond in de hele Sovjet-Unie op een lijst met gezochte personen. Ze konden hem echter niet vinden in het naburige Georgië, wat vermoedelijk te maken had met het ineenstorten van de USSR in die jaren. Er kan echter ook aangenomen worden dat justitie niet erg veel moeite deed om de wilde tiener te vinden. Twee maanden later ging hij uit zichzelf weer terug naar Bakoe.
In 1992, toen Alekper veertien was, ging hij naar Turkije om daar zijn middelbare schoolopleiding te volgen aan de theologische staatsschool van Istanbul. Nadat hij geslaagd was, besloot hij in Istanbul te blijven voor zijn vervolgopleiding. Hij ging naar de universiteit in Marmara om daar journalistiek te studeren. In 2000 studeerde hij af en ging in 2001 terug naar Bakoe.
In 1994 sneuvelde Alekpers oudere broer, een officier in het Azerbeidzjaanse leger, bij gevechten om Karabach.
In 1999 ging Alekper als vertaler werken bij de populaire Turkse uitgeverij Kaknüs. Hij vertaalde ongeveer dertig Azerbeidzjaanse en Russische boeken naar het Turks.
In 2004 werd hij politiek actief en begon stukken te schrijven in kranten van de oppositie. In 2006 en 2008 maakte hij twee reizen naar Armenië met als bedoeling bij te dragen aan het streven naar vrede. Hij kwam daar aan het woord in belangrijke media en gaf colleges aan Armeense studenten. Toen hij terug was in Bakoe werd hij lastig gevallen door het Bevrijdingsfront voor Karabach. Activisten van die organisatie vielen het kantoor van de krant Alma, waar Alekper columnist was, meerdere malen aan.
In 2004 publiceerde Alekper zijn eerste boek. In deze gedichtenbundel, getiteld Ik ben een bastaard, bekritiseerde hij de overheid en de mentaliteit van de bevolking op felle wijze. Het boek veroorzaakte een schandaal in Azerbeidzjan. Veel boekwinkels weigerden het te verkopen en de pers veroordeelde het boek. Ze beschuldigden hem van landsverraad, heulen met de Armeniërs en het door het slijk halen van de nationale tradities. Desondanks ging hij door met schrijven en hij bracht vervolgens nog drie romans uit: Goethe’s dromen (2005), Godenschemering 93 (2007) en Artush en Zaur (2009).Alekpers roman Artush en Zaur, een liefdesverhaal tussen twee mannen uit de rivaliserende landen Azerbeidzjaan en Armenië, is door politie uit de handel gehaald. Boekwinkels die het boek verkochten werden voor een dag gesloten en de winkeleigenaren werden op politiebureaus ondervraagd. Alekper Aliyev was in Bakoe hoofdredacteur van het prestigieuze culturele tijdschrift Kultura Az. Vanaf 2013 is hij echter gevlucht voor de dictatuur in zijn land. Hij woont sindsdien in Zwitserland.


ali akber 6Alekper Aliyev wurde am 28. Januar 1978 in Baku geboren. Früh begann er, gegen seine Eltern zu rebellieren, und riss mit 13 Jahren von zuhause aus. Mit dem Zug gelangte er in das Nachbarland Georgien und schlug sich in Tblissi zwei Monate mit dem Verkauf von Zigaretten durch. Obwohl in der gesamten Sowjetunion nach ihm polizeilich gesucht wurde, blieb Alekper im allgemeinen Wirrwarr der sich auflösenden UdSSR unauffindbar. Erst acht Wochen später kehrte er unaufgefordert nach Baku zurück.
In Anschluss an diese Episode wurde Alekper mit 14 Jahren in die Türkei geschickt, um seine Sekundärschulbildung an einem religiösen Internat in Istanbul fortzusetzen. 1999 begann Alekper, als Übersetzer für den bekannten türkischen Verlag „Kaknüs“ zu arbeiten. Bis heute hat er etwa 30 Bücher sowohl aserbaidschanischer als auch russischer Autoren ins Türkische übersetzt.
Auch für sein Studium blieb Alekper in der Türkei und studierte von 2000 bis 2004 Journalistik an der Marmara Universität. Während seiner Ausbildung in der Türkei tobte zwischenzeitlich der Krieg zwischen Armenien und Aserbaidschan, der auf beiden Seiten zahllose Opfer fordert: 1994 fiel Alekpers älterer Bruder im Kampf um Berg-Karabach.
Nach dem Ende seines Studiums kehrte Alekper schließlich nach Baku zurück und begann, sich politisch zu betätigen. So schrieb er für diverse Oppositionszeitschriften und reiste zwischen 2006 und 2008 zweimal nach Armenien. Hier engagierte er sich im Rahmen von Friedensinitiativen und suchte den Kontakt zu armenischen Medien und Studenten.
Nach Baku zurückgekehrt, wurde er für sein Engagement von der sogenannten „Befreiungsorganisation Karabach“ öffentlich kritisiert und verfolgt. Auch die Redaktion der Zeitschrift „Alma“, wo er als Kolumnist arbeitete, wurde von den Aktivisten dieser Organisation immer wieder angegriffen.
2004 veröffentlichte Alekper sein erstes eigenes Buch, eine Sammlung von Gedichten mit dem Titel „Ich bin ein Bastard“, in dem er die staatlichen Autoritäten und die Mentalität seines Volkes heftig kritisiert. Das Buch verursachte einen Skandal in Aserbaidschan und viele Buchläden lehnten es ab, das Buch zu verkaufen. Alekper wurde als Vaterlandsverräter und Armenierfreund verunglimpft. Trotz der harschen Schelte blieb Alekper seinen Themen treu und schrieb in der Folge drei Prosaromane: „Goethe’s Traum (2005)“, „93 Götterdämmerung (2007)“, „Artusch und Zaur (2009)“.
Auch Alekper’s jüngster Roman, „Artusch und Zaur“, eine Liebesgeschichte zwischen zwei Repräsentanten feindlicher Nationen – einem Armenier und einem Aserbaidschaner –, hat in Aserbaidschan für einen massiven Aufruhr gesorgt und ein Verkaufsverbot nach sich gezogen. Buchläden, in denen der Roman trotzdem auslag, wurden von den Behörden für einen Tag geschlossen und die Besitzer von der Polizei strafrechtlich verfolgt. Alekper Aliyev war inBaku der Editor und Chef des angesehenen kulturwissenschaftlichen Portals „KulturaAz“. In 2013 is er aber gefluchtet für das Regime in Azerbeidzjan er lebt seitdem in der Schweiz.
Advertenties

TOEN FOOTBALL VOETBAL WERD

Kees van der Waerden is filosoof en neerlandicus. In 1995 debuteerde hij met het boek Filosofen over het ik. Momenten uit de geschiedenis van de westerse filosofie. Op het gebied van de Nederlandse taal- en letterkunde publiceerde hij artikelen in o.a. Spektator, Forum der Letteren, Levende Talen en NRC-Handelsblad. Ook verscheen de toneeltekst Socrates van zijn hand. Als co-auteur werkte Van der Waerden mee aan enkele lesmethodes voor het mbo. In 2006 schreef hij het Groot Voetbalwoordenboek van de Nederlandse Taal.
Fragment uit Hoofdstuk 3 over de regels van het voetbalspel
Time (1889 – 1900)
Evenals ‘half-time’ was ‘time’ in de jaren negentig van de 19e eeuw een veelvoorkomende uitdrukking. In de voetbalverslagen van de sportbladen maakte ‘time’ deel uit van het vaste corps Engelse leenwoorden: “Als het bijna time is ontstaat er nog eenmaal een scrimmage voor de Wageningsche goal, Ferf schiet, teruggeslagen, wederom een scrimmage, Eijken schiet weer, teruggeslagen, getrap, geloop, aanmoediging der half-backs en juist voor time is de laatste goal gemaakt.” (De Athleet 03-02-1894) De scheidsrechter kon voor ‘time’ fluiten als de speeltijd voorbij was. Daarnaast werd er bij het naderend einde van de wedstrijd door spelers en publiek vaak “time, time!” geroepen, waarmee geprobeerd werd de scheidsrechter te verleiden af te fluiten: “ ‘Time’ wordt geroepen, maar daar het reglement luidt, dat wanneer een vrije schop op tijd wordt toegestaan, de duur der match verlengd wordt, wordt de penalty-kick nog door Stokvis genomen.” (De Athleet 2-12-1893) In de beginjaren van de competitie werd de fluit nog niet gebruikt om het duel te beëindigen, maar riep de scheidsrechter dat het ‘time’ was: “Toen dan ook ‘time’ werd geroepen, stond de score nog altijd 1-1. Een ‘three cheers’ voor beide partijen weerklonk en spelers en toeschouwers verdwenen langzamerhand van het terrein.” (Ned. Sport 12-10-1889) Ook behoorde de fluit niet altijd tot de standaarduitrusting van een scheidsrechter. Zo is er een voorbeeld bekend van een referee die in 1889 tijdens een voetbalwedstrijd met een jachthoorn over het veld liep: “…Jasper Warnar, die scheidsrechterde en met een misthoorn van zijn jacht rond liep…” (Groothoff 1947, 139) Begin jaren negentig werd als vertaling van ‘time’ ook sporadisch gesproken van ‘tijd’, dat vanwege zijn onwennigheid vaak tussen aanhalingstekens werd geplaatst: “Dan is het ‘tijd’.” (Mulier 1894, 188) / “…als vier minuten voor ‘tijd’ Sparta een hoekschop ten deel valt.” (De Athleet 7-03-1894) / “…toen ‘tijd’ werd gefloten.” (De Athleet 17-02-1897) / “…kort daarop is het ‘tijd’.“ (De Athleet 24-03-1897). Pas vanaf 1900 was de term ‘tijd’ in de voetballerij voldoende ingeburgerd om de aanhalingstekens weg te laten: “…wordt tijd gefloten.” (Het Sportblad 27-09-1901)

27 - pagina 75
‘A trip’ (tekening uit het boek ‘Football’ van 1897

Out (1889 – 1900)
Zoals al eerder gememoreerd waren de meeste voetbalverslagen tot 1900 doorspekt met Engelse voetbaltermen. Een van die terugkerende woorden was ‘out’, dat begin jaren negentig in vertaling terug is te vinden als ‘uit’: “Het wordt knoeien en de bal is herhaaldelijk uit.” (De Athleet 07-03-1894) Als de bal over de zijlijn ging werd dit vaak geassocieerd met slecht voetbal: “De eerste oogenblikken kreeg men geen mooi spel te zien, herhaaldelijk was de bal ‘out’, doch spoedig gaf men geregelder spel te aanschouwen en bleef de bal een tijdlang op Zutfen’s terrein.” (De Athleet 2-12-1893) ‘Out’ is in dit laatste citaat tussen aanhalingstekens geplaatst als referentie naar de uitroep ‘out!’, die klonk als de bal de zijlijn was gepasseerd.
Spelers waren gewoon ‘out’ te roepen als ze daarmee een ingooi konden forceren: “Zij schijnen goed geoefend te zijn in het uittrappen en cornertrappen, want onophoudelijk hoort men: ‘out’ of ‘corner’.” (De Athleet 6-01-1897) Ging de bal over de achterlijn dan werd er door de aanvallende partij ‘corner’ geroepen. Deze spreektaaluitingen beperkten zich niet alleen tot competitiewedstrijden, maar waren ook te horen op de veldjes en pleintjes van de Nederlandse dorpen en steden: “Zwolle’s straatjeugd leeft ook reeds mee in het edele voetbalspel; men ziet hen in kleine clubjes op pleinen en straten achter een gewonen knikker of bal loopen, terwijl een vreeselijk geschreeuw van out en hands weerklinkt.” (De Athleet 16-12-1893)
Als een bal zichtbaar over de zijlijn was gegaan, riep de grensrechter naar de scheidrechter dat de bal ‘out’ was, waarbij hij de partijdige spelers en toeschouwers soms moest overschreeuwen. Dat dit wel eens tot misverstanden kon leiden blijkt uit het volgende schouwspel: “De grensrechter roept duidelijk hardop out. De bal wordt daardoor onmiddellijk als dood beschouwd en de heer Van Woude neemt den bal op. De referee geeft voor dit feit ongerechtigd een free-kick voor hands, omdat volgens zijne meening de bal nog in het spel was. Hierover ontstaat discussie. De heer Van Woude houdt de bal dralend bij zich, niet wetende aan wien hij zich te houden heeft en voldoet niet onmiddellijk aan den eisch van den referee, die, sterk falend, zonder uitlegging den bal uitgetrapt wenscht te zien. Enkel en alleen om dit feit, zonder eenige beleediging uitgelaten te hebben, wordt Van Woude van het veld verwijderd, (ongeveer een kwartier voor half-time) iets wat bij het publiek en bij enkele loyale Hagenaars in slechte aarde viel en meerdere omstanders den referee voor kwajongen deed uitmaken.” (De Athleet 24-03-1897) Scheidsrechters waren in die dagen wat flexibeler dan nu en de regels boden daartoe ook ruimte, want na “…veel tumult in de pauze…” mocht de heer Van Woude na ‘half-time’ weer meedoen van de scheidsrechter.

AMARCORDSNEEUW

Amarcordsneeuw is de derde roman van Joep Scholten. Eerder verschenen van hem Jongens voor onbepaalde tijd (2000), een Achterhoekse sfeerroman, en Het meisje met de blauwe bloemen (2008), een thrillerachtige roman over een Bosnische vluchteling. Ook zijn derde boek lardeert hij rijkelijk met kritische aantekeningen over de heden-daagse maatschappij.

Girl from the North Country

Soms lees je een bericht waarbij de verbazing paarsgewijs de revue passeert. Dubbele verbazing dus en wel omdat je niet wil geloven dat een wielrenner, weliswaar van het type vedette, zich tijdens een training op de openbare weg meende te kunnen permitteren te bepalen wie er wel of niet in zijn kielzog mocht meefietsen. Die andere verbazing is om wielrenners die zich dit lieten aanleunen. Oké, van Peter Post gaan wilde verhalen. Zijn verdeel- en heerszucht is legendarisch. Bovendien praten we over de jaren vijftig, uitlopend tot eind jaren zestig. Een tijd waarin gezag nog amper ter discussie stond. Het maakt de verbazing er nauwelijks minder om. Ik vroeg me af hoe dat ging, als een of andere wielrenner het in zijn hoofd zou krijgen mij te vertellen of ik wel of niet in zijn wiel mocht springen. Rij me er maar af, zou de standaardreactie zijn. Niet in Amsterdam en omgeving rond die tijd, begrijp ik uit dat bericht. Daar wachtte men deemoedig tot de vedette zijn goedkeuring geeft of tijdens het voorbijrijden het verdict ‘niet aanpikken’ uitspreekt. Onwillekeurig denk ik dan terug aan mijn eerste dagen op een racefiets. De Achterhoek was leeg toen. Andere wielrenners kwam je nauwelijks tegen of achterop. Ik trainde meestal alleen en kon me verkneukelen bij het geluid van een brommer in wiens spoor je jezelf onmiddellijk stortte zodra hij voorbijreed. Nee, wielrennen deed je alleen. Kwam je per ongeluk toch iemand tegen; was het een bekende. Je wist op welk merk fiets hij reed, zelfs de maat ervan, toen nog vooral in inches uitgedrukt. In de weekenden streed je tegen elkaar in wedstrijden.
Rond Amsterdam was het anders, begrijp ik uit een reactie van een oud-journalist en ooit wielrenner. Daar kon je zomaar voorbij gestoken worden door een vedette en was je overgeleverd aan de goedertierenheid van Tsaar Peter. Je zeeg bijna in devotie ter aarde als de grootheid op twee wielen zijn zegen uitsprak over jouw aanwezigheid achter zijn kont. Vijftig jaar na dato kun je daar nog verguld over schrijven. Voilà, mijn tweede verbazing. Van Achterhoekers heerst de karikatuur dat ze onderdanig door het leven gaan en als boer op klompen, met de pet in de hand, wachten tot hen een gunst wordt verleend. In Amsterdam, begrijp ik sinds kort, zaten ze op een racefiets. Natuurlijk maakte al snel het gevoel van je meester dat een gewone fietser of trimmer geen gezicht was in het wiel van de wedstrijdrijder die jezelf was. Reden om onmiddellijk te versnellen zodra zich zo’n exemplaar aan jouw achterwiel wilde nestelen. Met het ouder worden en de toenemende aantallen toerfietsers, kwam je soms van die sterke buffels tegen. Op meestal een veel te grote versnelling wisten ze zich ongemakkelijk lang in het wiel te handhaven. Je moest je letterlijk uit de naad jakkeren om ze kwijt te raken. Steeds vaker had je daar trucs voor nodig, omdat snelheid alleen niet meer toereikend was. Ik herinner me zo’n exercitie.
We reden met zijn drieën. Ik bevond me in gezelschap van vader en zoon, beide topcrossers waarvan de zoon net had besloten zijn talent in zaken te steken in plaats van wielrennen. Ergens op de stille wegen rond Steenderen en Bronkhorst kregen we hem in het vizier en passeerden hem. Hoewel we al enigszins versnelden, haakte hij zijn wagonnetje aan. Zonder een woord werd het tempo opgevoerd. Hoewel we al snel dik veertig op de teller hadden staan, gaf hij geen krimp. Puur op snelheid zou het moeilijk worden, begrepen we. Uiteindelijk waren wij al een hele tijd geen veertig meer. Er zat niets anders op dan hem te verdragen in ons wiel. Tot we afstevenden op een bocht die we kennen als een uitermate technische bocht. Zo’n links-rechts combinatie die je op volle snelheid alleen overleeft wanneer je precies op de schuine binnenrand weet te sturen en die op het juiste moment weer verlaat door de weg over te steken naar precies zo’n randje asfalt naar rechts. Op de Nürburgring bestaat zo’n situatie voor raceauto’s. De Karoussel van de Nordschleife is berucht omdat menig racer in de dop daar in de vangrails klapt. Onze Karoussel had aan beide zijden een brede sloot. De oude vos crosser had hetzelfde idee als ik en gaf bij het passeren binnensmonds een signaal aan zijn zoon: ‘Pal in ’t wiel’. Daar in die bocht ging het gebeuren. De snelheidsmeter bleef ook in de bocht dichtbij de vijftig. Na de bocht lag de sterke buffel plotseling op ruim twintig meter. Een gat, te groot om dicht te rijden. Kop over kop koersend zorgden wij dat hij zich zienderogen stuk reed. Toen hij uit het zicht verdwenen was, spraken we lovend over hem. Hij had toch maar een kilometer op tien overleefd met snelheden die nooit onder de veertig per uur raakten. Met achter brommers rijden hebben we allemaal ervaring, maar zo bont als die ene figuur het maakte, hoorde ik nooit van anderen. Dat niet iedereen even gelukkig is met zo’n wielrenner achter je, kan ik me voorstellen. Zeker als het regent, zie je dat de sproeiregen van de wielen een raar spelletje speelt. Geleidelijk wordt de gangmaker net zo nat terwijl er aan zijn spatborden niets mankeert. Maar de vijandigheid die ik eenmaal trof, was buitencategorie.
Ik was negentien en reed in het vroege voorjaar op de parallelweg van Doetinchem van Doesburg. Net buiten de bebouwde kom haalde een brommer me in. Er zat een man op die sprekend leek op de karikatuur die André van Duin later van hem zou maken: type Willempie. Net zo’n leren jas en net zo’n dophelm. Alleen de brommer was veel sneller; merk Zündapp en lichtelijk gekieteld. We vlogen over het asfalt; kortom, een ideale gangmaker. In perfecte harmonie naderden we het eerste tussenstation Langerak. Voor de ijzergieterij daar keek hij plotseling achterom en maakte zonder aarzelen een noodstop. Via een halsbrekende toer en een hoop mazzel wist ik hem te ontwijken en begon de ellende. Terwijl ik gebaren makend uiting gaf aan mijn misnoegen, deed hij net of hij niets zag of hoorde. Maar toen ik langszij kwam, haalde hij even onverwacht schoppend naar me uit. Zijn linkerlaars – jawel, hij was helemaal in het leer – landde op de scheden van mijn voorvork. Weldra zouden in de grote steden van de wereld studenten de straat op gaan om het gezag uit te dagen. In mij school geen Rudi Dutschke of Daniel Cohn-Bendit wist ik, de anonimiteit van een schreeuwende massa staat me tegen, maar ik liet me verdorie niet door een idioot in het leer van de fiets trappen. Pal voor het metaalbedrijf sloegen we aan het knokken. Hij trapte en ik sloeg. Tenslotte ramde ik mijn handpomp op zijn helm aan stukken. Dat maakte indruk. De strijd eindigde onbeslist. Geen jurylid in velden noch wegen, wel toeschouwers. Het kantoorpersoneel van de Langerakse Hut, een toen vuilspuitende ijzergieterij, had een topdag. Op de eerste verdieping hadden ze zich verzameld voor de ramen. Toen ik omhoog keek, zag ik ze staan. Beslist nette mensen. Mannen met stropdassen en dames met mantelpakjes herinner ik mij nog levendig. Die andere rare brommer was minder gewelddadig, maar ook gevaarlijk. Begon ook zomaar te remmen toen hij in de gaten had dat ik achter hem fietste. Hij schudde voortdurend ‘Nee’. Hoezo, nee? Ik probeerde hem uit te leggen dat de openbare weg voor iedereen is. Steeds remde hij zodra ik in zijn wiel zat. Je gaat anticiperen. Tot het verveelde. Ik besloot voor hem te gaan rijden, net zo langzaam als sprinters op de baan tijdens de opmaat voor een finale. Toen hij bijna omdonderde, leek me dat op een mooie beloning. Nooit daarvoor en ook niet daarna heb ik de weg van Zeddam naar Etten in zo’n traag tempo afgelegd.
JOEPMaar er zijn ook mooie ervaringen. Zo mooi dat ze vergeten bijna misdadig te noemen is. Daarom schreef ik het op. Rare gewoonte misschien, maar met mooie herinneringen kan je niet zorgvuldig genoeg zijn. Ik kan niet leven met de gedachte dat ze voortijdig zouden verdampen in een Alzheimerbrein of stom worden door de woordloosheid van een TIA of gewelddadig trauma. Nooit wil ik daarin afhankelijk zijn van foute gangmakers. Mooie herinneringen moet je uit eerste hand horen, vanzelfsprekend klinkt er muziek bij. Van dat lied zijn een heleboel uitvoeringen, ontdekte ik in de loop der tijd. Kijk op YouTube en het feest lijkt onbeperkt. Het origineel van de zanger-componist is verlokkelijk, minstens zo verrassend vond ik een uitvoering van Joni Mitchell en Johnny Cash. Toch kies ik altijd weer voor die ene kortdurende schoonheid, ooit ergens gezongen in een park en sindsdien een baken van hoe mooi popmuziek kan klinken. Tevens een prachtig voorbeeld van hoe een onverwachte cocktail van stemmen registers van gevoel kunnen opentrekken, die je voordien niet kende. Nee, die mevrouw op haar brommer had geen idee wat ze allemaal losmaakte. Willoos liet ik me meezuigen in het mooiste abri denkbaar.
Ergens in de bossen van Les Landes in Frankrijk. Dagelijks verdwijn ik peddelend in het landschap. De weg loopt kaarsrecht naar het zuiden en is dertig km lang. Rechts de duinen met daar achter de Golf van Biskaje en links alleen maar bossen overgaand in net zo eindeloze wijngaarden. Het is de Bordeauxstreek en dronken worden is hier een deugd. Corsicaanse dennen, denk ik hardop terwijl ik om me heen kijk. Ooit waren ze geplant om een ziltig moeras droog te leggen. Ik ruik de hars die ze van de bomen tappen. Ze maken er terpentijn van. De zon staat bijna loodrecht en rondom me klinkt een licht knisperend geluid. Openbrekende dennenappels. Bijna ritmisch begeleiden ze mijn pedaaltred. In mijn hoofd zingt het.
Mijn racefiets is bij voorkeur een plaats waar ik onderduik in gedachten, het blijkt een onuitputtelijke bron voor oplossingen van wereldproblemen. Ik heb er politici en andere zwetsfiguren leren doorzien en daarmee mijn eigen tekortkomingen. Als ik in het zadel in gesprek raak met de engelen, wordt duidelijk hoe de mens werkelijk in elkaar zit, en … bij engelen klinkt muziek. Mijn hoofd zit er vol van. Op het ene moment is het achtergrondkoor bij zo maar gedachten, dan weer dicteert het dwingend de cadans van mijn omwentelingen. Zo ver ik kijken kan, is de weg leeg. Iedereen is verstandig. Op dit uur van de dag zoekt iedereen de schaduw op en houdt zich koest. De zon heeft zich vastgebeten in mijn nek. Mooier kan fietsen niet zijn. Hoe lang ik al fiets wens ik op zulke momenten te vergeten. Tot er vanuit het niets een brommer aan mij voorbij rijdt. De reflex, hij is er nog steeds, nooit kom je af van die reflex. Ook de meest zieke leeuw zal zijn poot uitslaan. Zolang het maar beweegt, al is het een vlo.
Wielrenners, ook als hun tijd al lang geweest is, versnellen instinctief zodra ze worden gepasseerd. Is het angst om de slag te missen? Ik weet het niet. In ieder geval slijt het nooit. Zonder nadenken nestel ik me in het wiel. Dan pas kijk ik achter wie ik me in het zweet rijd. Het eerste wat me opvalt is haar rug. Op slag weet ik: dit is de mooiste rug die ik me kan herinneren. Gelukkig is er veel van te zien. Ik laat mijn blik er langs glijden. Van boven naar beneden en dan weer omhoog, om te eindigen in een wapperende dos van vuurrode haren. Ze draagt een wijde trui van grofmazig weefsel. Op haar schouders houdt een simpel koord alles op zijn plaats. Niet fanatiek, de rijbeweging en de wind laten haar dansen van links naar rechts. De diepe V wordt losjes wapperend in de wind aan beide zijden schaars afgebakend. Het lijkt nergens te eindigen, maar simpelweg over te gaan tot waar haar billen moeten zijn. Niemand weet van het hoe, realiseer ik me, of bekommert zich om de noodzaak van het waarom. Eén ding wordt hier zonneklaar: daar ergens bevindt zich de poort van een hemel, terwijl ik een glimp opvang van een klein bikinibroekje met daarin haar perfecte rondingen. Haar huid is blank, bijna doorschijnend. Een soort schoonheid waarvoor fantasie ontoereikend is. De overdadige zomer heeft er een geheimzinnige blos op getoverd. Door de rijwind danst de losse trui heen en weer en laat links en dan weer rechts veel te raden over. In mijn hoofd klinkt plots andere muziek. Even droom ik dat mijn blik om een hoek kan kijken. Ondertussen klinkt het geluid van winderige kusten, ver weg, hoog in het noorden, want alleen daar is haar zo rood en huid zo blank.
Well, if you’re travelin’ in the north country fair,
Where the winds hit heavy on the borderline.
In aangenaam tempo zoeven we door het landschap. Ik vraag me af wie in godsnaam de term pijnbomen ooit heeft bedacht. Een heel bos vol en nergens ook maar een gevoel dat in de buurt komt. Ondertussen wapperden haar krullen en ik stel me voor dat met zo’n uitzicht het beloofde land niet ver weg meer kan zijn. Dan draait ze zich om en roept: ‘Ça va, monsieur?’ Ik antwoord: ‘Oui madame. Merci.’ We passeren een bord, Biarritz 200 km. Lijkt me een mooie plek voor het beloofde land. Om de zoveel kilometers vraagt ze: ‘Ça va, monsieur?’ En ik antwoord: ‘Oui madame, très bien. Merci.’ Het zingt nu luid in mijn hoofd. Ik ken die muziek, de woorden komen als vanzelf:
Well, if you go when the snowflakes storm,
When the rivers freeze and summer ends,
Please, see if she’s wearing a coat so warm,
To keep her from the howlin’ winds.
‘Ça va, monsieur?’ Ik realiseer me dat ik altijd van meisjes met rode haren heb gehouden. Ze kwamen en gingen in mijn leven en later hoorde ik dat het slecht met hen afliep. We rijden op ideale mijmersnelheid. Zonovergoten en met een hemels uitzicht op haar achterzijde rollen de zinnen:
Please see for me if her hair hangs long,
If it rolls and flows all down her breast.
Please see for me if her hair hangs long,
That’s the way I remember her best.
En dan na opnieuw een ‘Ça va, monsieur?’ gevolgd door al bijna een automatisch ‘Oui madame’ weet ik het. Niet één seconde twijfel. Abrupt beëindig ik mijn droom. Dit lied verdraagt geen happy end, dit verhaal zal het moeten doen met de weemoed om wat ooit was. Terwijl ik me dit realiseer, roep ik: ‘Au revoir madame, merci beaucoup. Vous étiez une société très agréable.’ Ik heb mijn steven gewend, ben op weg richting noorden. Daar, waar zij ooit vandaan kwam. In de verte zwaait ze nog een keer en ik stel ik me voor hoe die trui zal wijken, naar links of rechts en in al zijn albasten schoonheid haar geheimen prijs zal geven. Woorden, wat blijft dat zijn de woorden. Als een fietsende gek tussen eindeloze dennen schreeuw ik ze uit:
I’m a-wonderin’ if she remembers me at all.
Many times I’ve often prayed.
In the darkness of my night,
In the brightness of my day.
Bob Dylan schreef het, zong het, maar aan de uitvoering van Joe Cocker en Leon Russell van Mad Dogs & Englishmen kan niemand tippen. Misschien ook omdat het heerlijk kort is, bijna net zo kort als onze ontmoeting. Net zo wonderschoon ook. Als alle wielrenners zo’n rug hebben, weet ik zeker, rijd ik nooit meer op kop. Ongegeneerd laat ik mijn zomerkolder galmen over eenzaam asfalt ergens tussen Montalivet en Arcachon.
So if you’re travelin’ in the north country fair,
Where the winds hit heavy on the borderline.
Remember me to one who lives there.
She once was a true love of mine.

ALS JE DE TOUR NIET HEBT GEREDEN, DEEL 1

Fred van Slogteren begon in 1996 na een carrière als copywriter en bedrijfsjournalist een tweede leven in de wielerjournalistiek. Hij werkte voor diverse kranten en tijdschriften, zoals Wieler Revue en Wielerland Magazine. Verder is hij dagelijks actief op internet met de populaire site wielersport.slogblog.nl. Van zijn hand verschenen eerder gedetailleerde biografieën van wielergrootheden als Peter Post (1998), Jan Janssen (2001), Joop Zoetemelk (2005) en Jan Raas (2009). In 2003 verscheen Wielerhelden van Oranje, het door hem geschreven jubileumboek van de toen 75-jarige KNWU.
005 – John Braspennincx
* Hoogstraten (B), 24-05-1914
† Zundert, 07-01-2008
* Tourresultaat: 1937 –  opgave in de vijfde etappe
006a John BraspennincxIn het Belasting & Douane Museum in Rotterdam is nog te zien met welke attributen beroepssmokkelaars in de jaren veertig en vijftig hun vak uitoefenden. Dat was niet misselijk en het wordt je daar duidelijk dat het echte criminelen waren die dat duistere beroep uitoefenden. In de jaren tachtig is een speelfilm gemaakt over zo’n smokkelaar met de titel De Zwarte Ruiter. Die film laat zien dat de smokkelbendes en de douaneteams van toen elkaar regelmatig naar het leven stonden en dat er van beide kanten zware middelen werden gebruikt om de tegengestelde doelen te bereiken.
In die periode, die werd beëindigd toen in het kader van de Europese samenwerking afspraken tussen buurlanden werden gemaakt, hebben nogal wat wielrenners in die bloeiende business een actieve rol gespeeld. Dat viel meestal onder het kopje ´kruimelwerk´, want tien pakjes boter in je plusfour verbergen zal niemand een criminele actie willen noemen. De douaneambtenaren hadden er zelfs lol in om zo’n zogenaamd trainende wielrenner aan te houden en de verdachte in het kantoortje een half uurtje voor de roodgloeiende kachel te laten staan. Na korte tijd liep de boter in straaltjes uit de broekspijpen en lag er een plasje op de vloer waarin je zo een biefstuk kon braden.
Een man als John Braspennincx kun je niet tot die categorie rekenen, want hij droeg de naam Koning der Smokkelaars met ere. Hij was een grote vis, waar de douane permanent jacht op maakte. Bij hem ging het niet om een paar pakjes boter of tabak, maar om grote partijen met gepantserde vrachtwagens, kraaienpoten en scherpschietend wapentuig als gereedschappen. Naar de letter van de wet was D´n Bras een crimineel, die door zijn grote aanpak de Staat der Nederlanden voor tonnen en misschien wel miljoenen heeft benadeeld en daar ook een aantal malen voor heeft gezeten. In latere jaren, toen zijn grensoverschrijdende illegale activiteiten tot het verleden behoorden, is de oud-wielrenner diverse keren geïnterviewd en altijd werd er in een sfeer van romantisch kwajongenswerk nogal lacherig over zijn verleden als smokkelkoning geschreven. De ongekroonde majesteit raakte zelf niet uitgepraat over zijn toenmalig smokkelrijk.
Terwijl toch ook over zijn wielercarrière heel wat te vertellen was, want ook hier verwierf hij zich een vorstentitel: De Koning der Kermiskoersen. In Vlaanderen werden in die jaren enkele van die wedstrijden per week georganiseerd, met vaak meer dan tweehonderd man aan de start en vele Nederlandse beroepsrenners waren daar voor hun inkomsten van afhankelijk. Een kermiskoers is niet hetzelfde als wat in Nederland een criterium wordt genoemd, want alleen de te rijden afstand was al twee keer zo groot. Weliswaar was de draaimolen of de kerk in het dorp ook het middelpunt van het evenement, maar het parcours ging tevens met grote lussen over de slecht onderhouden boerenweggetjes in de omgeving. Met kasseien belegde smalle wegen die door tractoren kapot waren gereden en waar diepe regenplassen kuilen en andere obstakels onzichtbaar maakten. Een parcours voor bikkels en menige coryfee van Parijs-Roubaix heeft in de kermiskoersen het vak geleerd.
Er kwam altijd veel volk op af en voor de coureurs was er veel geld te verdienen. Als je althans in staat was bij de eersten te rijden, want als je na één ronde als honderdste doorkwam, kwam je er niet meer bij en kon je beter afstappen. De uitslagen van al die koersen werden nauwgezet door een krant in een klassement bijgehouden en aan het eind van elk seizoen werd de winnaar bekendgemaakt. Die mocht zich dan een jaar lang Koning der Kermiskoersen noemen. Twee Nederlanders is die eer ooit te beurt gevallen en dat waren John Braspennincx in 1938 en Theofiel Middelkamp in 1950. Beide talentrijke en handige coureurs, die vanwege die laatste capaciteit ook in het smokkelvak tot de elite behoorden.
D´n Flap, zo genoemd vanwege zijn wijd afstaande oren, was een klasbak die twee maal kampioen van Nederland op de weg is geweest. Hij was ook een echte prof en heeft daarom altijd daar gereden waar het meest te verdienen was. Dat waren niet de klassiekers en evenmin de Tour de France. In de sportief weinig aansprekende kermiskoersen verdiende hij daarentegen bakken met geld. Hij was doorgaans een vrolijke man, maar in de koers had beroepsernst prioriteit. Overal waar hij reed stond het zwart van de mensen en om die tevreden naar huis te laten gaan, sloeg de vlam regelmatig in de pan. Het liefst had hij alleen maar dit soort koersen gereden, maar als kampioen van Nederland kon hij het in 1937 niet maken Joris van den Bergh weg te sturen toen die hem uitnodigde voor zijn Tourploeg.
006c John BraspennincxHet werd een deceptie, want al in de eerste etappe werd de explosieve kermiskoerser geconfronteerd met een heel ander wedstrijdverloop dan hij gewend was. Hij paste zich snel aan en eindigde in die openingsrit zelfs als beste Nederlander, maar wel al met negen minuten achterstand. Een gevolg van lekke banden en andere malheur en iedere keer als hij een verse tube moest omleggen, daalde zijn moraal. Hij sukkelde nog enkele dagen door, maar in Genève zakte de moed hem definitief in de schoenen. Vanuit zijn hotelkamer zag hij aan de horizon de Alpenreuzen waar ze de volgende dagen overheen moesten. Nog diezelfde dag spoorde hij met twee van zijn ploegmakkers richting Nederland. Het Touravontuur van D’n Bras had precies vijf dagen geduurd.
Omdat hij eigenlijk geen geldig excuus kon bedenken voor het opgeven van drie van zijn renners, publiceerde de in Nederland achtergebleven ploegleider daags daarna een fantasierijk verhaal in de krant. Volgens Joris van den Bergh was Braspennincx zwaar gehandicapt door een val in de etappe van Lille naar Charleville, waardoor hij ernstig gewond was geraakt aan beide armen en een been. Bovendien, zo schreef de vader van de Nederlandse sportjournalistiek, had D’n Bras in die rit zeven keer een lekke band gekregen en het ernstig met zijn onwillige zadel te verduren gehad.
Terug in Nederland werd de ‘zwaargewonde’ uitvaller door andere journalisten dan ook direct ondervraagd. Omdat hij geen zichtbare verwondingen had en ook niet dik in de zwachtels zat, kon hij niet anders dan het een onzinverhaal noemen, mede omdat hij zich niet kon herinneren Van den Bergh in die vijf Tourdagen te hebben gezien of gesproken. Dat schoot uiteraard bij de ploegleider in het verkeerde keelgat en hij maakte de kampioen van Nederland in zijn volgende artikel met de grond gelijk. Het is niet meer goed gekomen tussen de twee en de naam Braspennincx heeft dan ook nooit meer op de deelnemerslijst van de Tour de France gestaan.
Die naam was al voor hij met wielrennen begon beroemd in de wielerwereld, omdat diverse familieleden hem als coureur waren voorgegaan. Als we de hele dynastie in ogenschouw nemen, was D’n Flap verreweg de meest talentvolle en ongetwijfeld ook de meest kleurrijke. Toen hij in 1937 voor de eerste maal kampioen van Nederland werd, was het die dag drie maal feest bij de familie uit Rijsbergen. Vader Jan Braspennincx werd op diezelfde dag kampioen van Nederland bij de veteranen en Jan Theuns, een weeskind dat op jonge leeftijd in het gezin werd opgenomen en er opgroeide, werd kampioen bij de onafhankelijken. Naast John is ook zijn oom Janus een beroemdheid geweest, zowel als wegrenner als zesdaagsencoureur. Diens glorietijd speelde zich af in de late jaren twintig en de vroege jaren dertig. D’n Ouwe Bras heeft daardoor niet de gelegenheid gehad de Tour de France te rijden, maar zijn rennerskwaliteiten waren groot, dat toont zijn erelijst met maar liefst 544 overwinningen ondubbelzinnig aan.
In de oorlogsjaren raakte D’n Jonge Bras voor het eerst bij het smokkelen betrokken en hoewel dat veel van zijn tijd vergde, reed hij overal waar er koers was. Hij had ook bijna altijd prijs en daarmee bezorgde hij zichzelf een uitstekende dekmantel voor zijn nachtelijke activiteiten. Zijn tweede nationale kampioenschap in 1942 was voor de douane zelfs een overduidelijk bewijs dat hij nooit die Koning der Smokkelaars kon zijn, omdat een kampioen als hij toch zeker elke dag een uurtje of acht moest trainen. Hij gebruikte die dekmantel tot ver na de oorlog tot hij in 1951 op 37-jarige leeftijd met wielrennen stopte. Hij ging daarna gewoon door met zijn smokkelactiviteiten en toen dat door bilaterale afspraken tussen België en Nederland niet lucratief meer was, ging hij verder als handelaar in allerlei goederen.
Hij moest wel, want hoewel hij in die oorlogsjaren kapitalen moet hebben verdiend, raakte hij dat allemaal kwijt door de naoorlogse geldsanering. John Braspennincx is heel oud geworden, want pas op 93-jarige leeftijd passeerde hij de eindstreep van het leven. De laatste jaren was hij geketend aan zijn stoel, maar altijd nog bereid over zijn opmerkelijke verleden te vertellen. Een deels dubieus verleden, maar laten we hem daar zoveel jaar later niet te hard om vallen. Hij was een kind van zijn tijd, waarin het vooral in zijn geboortestreek armoe troef was en velen honger kenden. Als je dan zo dicht bij België woont en je kent alle bospaadjes die naar de andere kant van de grens leiden, dan is de keus niet moeilijk. ‘Erst kommt das Fressen, dann kommt die Moral’, dichtte Bertolt Brecht en dat zou de Koning der Smokkelaars uit het hart gegrepen zijn.

OP ZOEK NAAR MAGIE

Angeline Schoor, geboren en opgegroeid in Haarlem, woont met haar zoon en twee ratten op een van de Zuid-Hollandse eilanden. In het dagelijks leven is zij leidinggevende binnen de gemeente Rotterdam. Daarnaast is zij singer/ songwriter en treedt zij zo nu en dan op, met haar harp of met gitaarbegeleiding van haar zoon. In de tijd die overblijft, reist zij zo veel mogelijk.
Fragment uit Op zoek naar Magie: Dag 6 in Ennistimon
Het is me de avond wel. Ik heb gehoord dat de muziek om half tien begin en bedenk dat het een goed idee is om een kwartier ervoor Leana al vast te halen, zodat ik me met haar ergens verdekt op kan stellen. Zodra ik met haar aan mijn schouder binnenkom, gaat er in de pub een licht gejuich op: ze denken dat de muzikanten binnen komen. Dat was niet de bedoeling. Ik trek me zo onopvallend mogelijk terug in een hoek en frommel Leana snel onder de tafel. Ondanks dat zijn er toch een paar mensen die hoopvol komen informeren of ik zo dadelijk ga optreden. Ik blijf er wat vaag over en zeg dat je het maar nooit weet. Als de muzikanten beginnen, schuifel ik onopvallend naar voren, voor zover dat mogelijk is met Leana. Ik stel haar verdekt op en verstop haar onder mijn jas. Maar lang duurt het niet, want verschillende omstanders dringen er zachtjes maar toch met enige klem op aan dat ik meedoe. Juist op dat moment schuiven twee andere dames uit het publiek bij de band aan, met gitaar en fluit. Er wordt door de omstanders zeer hoopvol naar mij gekeken. Vooruit dan maar. Ik heb Leana tenslotte meegenomen om mee te spelen en dan zou het nu dom en laf zijn om het niet te doen. Dus vraag ik de gitarist en de toetsenvrouw of ze nog een zangeres/harpiste kunnen gebruiken en dat kunnen ze. Op het moment dat ik Leana uit de tas haal, gaat er in het publiek een luid gejuich op en op het moment dat ik mijn vingers op de snaren zet, heb ik mijn eerste applaus al binnen. Een kinderhand is gauw gevuld. Ik kies een eenvoudig drie akkoordenlied en vertel in welke toonsoort het staat. Ik begin te zingen. Leana hoor ik niet of nauwelijks, maar de gitarist komt dichtbij zitten en ondersteunt. Het publiek is lyrisch. Ik snap niet waarom, want het is een enorme herrie in de pub en ik ben nauwelijks te horen. Daarna gaat de band verder met wat Ierse reels. Ik kijk en luister een tijdje en hoor dat het allemaal twee of drie akkoordennummers zijn. Dat moet lukken, dus ik pak Leana weer. Opnieuw gaat er in het publiek een gejuich op en beginnen alle fototoestellen te flitsen en videocamera’s te draaien. Misschien ligt het aan de fraaie vormgeving van Leana of anders aan de grote hoeveelheid Guinness die hier geschonken wordt. Maar het maakt niet uit, de stemming zit er goed in. Voor ieder nummer vraag ik in gebarentaal aan de gitarist wat de akkoorden zijn en ik pingel wat mee. Het is in deze pestherrie niet te horen of ik de juiste akkoorden te pakken heb, de gitarist gebruikt een capo dus ik weet niet of hij het door hem aangegeven akkoord met of zonder verhoging bedoelt, of dat Leana zelfs maar goed gestemd staat. Het enige wat je nog een beetje kunt horen zijn de tinwhistles, maar die hoor je volgens mij nog als er een F-16 overvliegt. Later die avond zingt de oude man die in de band de trekzak bespeelt nog een prachtig Gaelic lied, met een mooi en gevoelig timbre en die typische Keltische stembuiging. Daarna gaat er nog een dikke meneer uit het publiek zingen. Niet slecht, maar wel lang en liederen met heel veel coupletten. Ik moet maar eens opstappen, morgen wil ik vroeg wandelen. Ik zeg dag tegen de muzikanten en het publiek knikt me vriendelijk toe. Nu kan ik straks thuis tegen iedereen vertellen dat ik in Ierland heb opgetreden.
Leana bij Beaghmore StonecirclesCopyright foto: Angeline Schoor

DE JUNGLE-JINGLE VAN ECUADOR

Angeline Schoor, geboren en opgegroeid in Haarlem, woont met haar zoon en twee ratten op een van de Zuid-Hollandse eilanden. In het dagelijks leven is zij leidinggevende binnen de gemeente Rotterdam. Daarnaast is zij singer/songwriter en treedt zij zo nu en dan op, met haar harp of met gitaarbegeleiding van haar zoon. In de tijd die overblijft, reist zij zo veel mogelijk.
Fragment uit De Jungle-Jingle van Ecuador: Dag 9 in Yarina
Voor Amazonasbegrippen is het een koele en frisse ochtend. Het heeft dan ook de hele nacht ferm geregend. Het is hooguit een graad of dertig en mijn kleren zijn minder klam en stinkerig dan gisteren. Of ik begin aan de stank te wennen, dat kan natuurlijk ook. Voor het ontbijt lig ik nog wat in de hangmat, zachtjes wiegelend in het gazige ochtendlicht. Damp stijgt op uit de boomkruinen. In een grote boom recht tegenover mijn veranda is het een gekwetter van jewelste. Er huist een grote groep toekans en ik zie ze steeds, die enorme slabak voor zich uit dragend, sierlijk door de bomen zweven.
Na het ochtendvoederen gaan we opnieuw met zijn vijven ter kano. We volgen de Rio Manduro nu stroomopwaarts, op zoek naar slangen en kameleons. Die zien we vooralsnog niet. Wel veel vogels en een paar apen. Hemelsblauwe vlinders, zo groot als mijn beide handen, fladderen in groten getale vlak langs de kano. We komen bij een splitsing van de Rio Manduro en de Rio Pandaro. Het water van deze rivier is donkerder dan dat van de Rio Manduro en de duidelijk zichtbare scheiding van beide kleuren water ziet er fascinerend uit, alsof je op een glas café macchiato vaart. Na een uurtje van geruisloos glijden over de rivier meren we aan voor een wandeling. Het pad is goed begaanbaar, al moeten we zo nu en dan uitwijken voor spinnenwebben als wagenwielen, waarin spinnen van handformaat hangen. Eén keer let ik niet goed op en kom ik toch in de draden terecht. Tot mijn verbazing breken ze niet, maar veer ik terug. Met deze spin ga ik geen ruzie zoeken. Jammer genoeg duurt de wandeling niet lang, want Mike, de jonge Amerikaan uit ons groepje, voelt zich niet lekker en moet vreselijk overgeven. Het is maar goed dat ik, als doorgewinterd moeder zijnde, altijd natte doekjes bij me heb. Die zijn nu zeer welkom. We achten het niet verstandig om met een groepslid in die gesteldheid verder te wandelen, dus keren we op onze schreden terug om de ongelukkige terug te brengen naar de lodge. Misschien helpt een uurtje rust en iets kalmerends voor de maag. Het goede nieuws is dat Deniz en Pauline mij nu alleen meenemen de rivier op, om vogels te kijken. We zien er erg veel. En niet alleen dat. Vlakbij de oever, op een grote struik met donkergrijze takken en groen blad, zit een kameleon van ruim een meter lang. Ondanks zijn enorme afmeting en een kop die zo groot is als de grootste van mijn twee ratten, duurt het even voordat ik hem zie, want hij heeft exact de kleur van de takken aangenomen. Een indrukwekkende broeder. Eenzelfde truc wordt uitgevoerd door een grote uilachtige vogel die in een boom met een lichte stam zit. Zijn verenkleed heeft dezelfde kleur en tekening als de bast. Hij beweegt niet of uiterst langzaam en is bijna niet te zien. Dat maakt deel uit van zijn plan, want hij loert op insecten die argeloos te dichtbij komen. Hap! Ik zie het hem doen. Boven de rivier scheren grote ani’s, blauwe vogels die qua vlucht een beetje op papegaaien lijken en de bomen zitten vol met oropendolo’s. Dit zijn favorieten van mij. Ze zijn ongeveer zo groot als een flinke ekster en hebben zwart met gele veren. Als ze vliegen, spreiden ze hun gele staart wijd uit. Maar het leukste van deze vogels vind ik het klokkende, viertonige wijsje dat ze voortbrengen. Je hoort het overal en de hele dag door, als een soort jungle-jingle.
013 - 12 juni Coca; eerste blik op de Rio NapoCopyright foto: Angeline Schoor
Het is nog geen lunchtijd als we weer afmeren aan de steiger. Ik wil best het bos nog even in en vraag Deniz of ik het pad van gisteravond veilig alleen kan bewandelen. Volgens hem is het meestal veilig, kan ik er op komen door achter de apenboom het bos in te gaan en steeds links te houden. Best spannend, zo in je eentje. Ik ga niet al te ver, want er zijn toch andere zijpaden en ik wil niet verloren lopen. Verder goed uitkijken natuurlijk waar ik mijn voeten zet en als ik steun zoek, controleer ik eerst of ik niet per ongeluk iemand vastgrijp die mij de hand af zou kunnen bijten. Het gaat allemaal goed en met een aardige buit aan foto’s, vooral van exotische bloemen en paddenstoelen, kom ik weer veilig bij de apenboom het bos uit.
Rond het middaguur barst de regen weer los en als het 15.00 uur is, het tijdstip waarop we naar een observatietoren hoger op de berg gaan wandelen, regent het nog steeds. Ik vertrouw echter op de goede relatie die ik doorgaans met lokale weergoden heb en dat is terecht, want na een klein half uurtje is het droog genoeg om te vertrekken. Voor deze ene keer laat ik Kenny, mijn trouwe spiegelreflexcamera die meegaat op al mijn reizen, achter. De stakker heeft het al zo zwaar in al het vocht en dan neem ik hem niet mee in een regenbui die nog niet helemaal over is en misschien nog terugkomt. Alleen met Deniz en Pauline – Mike en Niza zijn na de lunch vertrokken – glibberen we weer het modderige oerwoud in. Ook vandaag heeft Deniz van alles te vertellen over wat het bos levert. Er is een boom waarvan de schors te gebruiken is tegen malaria en eentje waarvan je het binnenste van de bast kunt kloppen tot vezels waar je kleding van kunt maken. Een andere boom levert noten die zo hard zijn dat je er knopen van kunt snijden. Je kunt hier je hele garderobe bij elkaar verzamelen. Deniz wijst op een niet al te grote boom, meer een struik eigenlijk, en vertelt dat dit een limoenmierenboom is. Met zijn machete hakt hij een tak af waar een verdikking in zit. Hij snijdt het dikke stuk open en kijk, er blijken inderdaad mieren in te huizen. Hij haalt zijn vinger er door, steekt er een paar in zijn mond en biedt Pauline en mij de tak aan. Pauline heeft het al eens geprobeerd en zegt dat het meevalt. Ach, veel niet-Nederlanders gruwen van drop en haring, dus waarom zou ik mijn neus ophalen voor dit lokale gerecht? Het is maar net wat je gewend bent. Ik veeg wat mieren op mijn vinger en eet ze op. De smaak verrast me volkomen. Die is sterk en zoetzuur. Heel lekker, als een zuurtje van goede kwaliteit. Ik lust best nog wat. Samen snoepen we de tak leeg.
Het is ongeveer anderhalf uur soppen naar de observatietoren. Inmiddels is het helemaal droog en zelfs zonnig geworden, dus ik heb erge spijt dat ik Kenny niet bij me heb. Dat wordt nog erger als ik bovenop de toren sta. Het uitzicht is op zijn minst indrukwekkend te noemen. Rondom en onder de toren, die Deniz overigens in zijn eentje gebouwd heeft, strekken de kruinen van de oerwoudreuzen zich uit, sommige vol met bloemen. Het bos dampt hevig na de recente regenval. In de verte is de Rio Napo te zien. Dit schreeuwt gewoon om een fotoserie. Pauline en Deniz leven mee met mijn cameraleed en beloven me morgen weer hier te brengen voor een herkansing. Vogels zien we wel, maar niet veel. Kennelijk zitten ze nog in hun regenschuilplaatsen te wachten tot ze zeker weten dat het nu echt even droog blijft. Deniz heeft inmiddels beneden een palmblad en wat losse vezelbladen gehaald. Binnen tien minuten knutselt hij hiervan een rugzakje. De Kichwa gebruiken dit soort draagzakken om geschoten wild in te vervoeren zodat ze de handen vrij hebben voor de voortzetting van de jacht. Het is zo verschrikkelijk knap gemaakt dat al onze westerse fabrieksspullen hier kaal tegen afsteken. Ik krijg de rugzak ten geschenke en neem me voor er heel zuinig op te zijn en mee naar huis te nemen.
Bergafwaarts, op de terugweg, tref ik op de grond een soort bloemachtige vruchten aan, met een stervorming hart en ronde punten vanuit het midden. Ik vraag naar eetbaarheid en gebruik ervan. Eetbaar zijn ze niet, maar wel bruikbaar voor versiering van kleding. Deniz snijdt met zijn machete het bovenste deel van de vrucht af en wacht even. Een vuilwit vocht verschijnt op de snijvlakken. Hij vraagt mij op welke plaats hij een stempel op mijn kleren kan zetten en vertelt erbij dat het er waarschijnlijk nooit meer uit zal gaan. Ik wijs op mijn oude tuinbroek. Die is inmiddels zo smerig en verspreidt zo’n ranzige lucht dat je er een dikke, voedzame soep van kunt koken en kan dus wel wat versiering gebruiken. Op beide benen komt een stempel die er uit ziet als een bloem. Heel mooi en bijzonder origineel. Als straks thuis modder, vuil en stank er uitgewassen zijn, is deze broek een prachtstuk!
Omdat we hebben gewacht tot het droger werd, zijn we later vertrokken dan we van plan waren en begint het nu al wat te schemeren. Ik vind dat niet erg, want ik hou wel van wandelen in een schemerig oerwoud en ik vertrouw blindelings op Deniz. Dat blijk terecht als we de weg naar huis versperd vinden door de Rio Manduro, die door de regenval van de afgelopen nacht en middag razendsnel is gestegen. Deniz kent een alternatieve route. We moeten wel een flink stuk door vrij diep water waden, maar dan stijgt de grond weer en wordt het pad beter begaanbaar. Niet ver van de lodge treffen we in de modder het spoor van een anaconda aan. De veroorzaker ervan zien we helaas niet, al geloof ik dat Deniz dat niet zo erg vindt. Hij heeft het niet zo op anaconda’s, omdat ze gevaarlijk en onberekenbaar zijn. Ik geloof hem natuurlijk op zijn woord, maar stiekem vind ik het toch een beetje jammer. Ik had er graag een ontmoet.
017 - 14 juni Amazonas; een van de huisgenotenCopyright foto: Angeline Schoor