Site-archief

VERSTOPPERTJE IN DE TEMPEL

Nynke Bos (1982) volgde de pabo aan de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (HAN). Tijdens een stage in Thailand werd ze bevangen door een liefde voor Azië. Tien jaar werkervaring in het speciaal onderwijs en vele reizen door Azië verder, vertrok ze met haar gezin voor een jaar naar Laos. Daar werkte ze als leerkracht en docentencoach op een lokale school. Nynke Bos schrijft columns voor het Nederlands Instituut voor Onderwijs- en Opvoedingszaken (NIVOZ) op Hetkind.org en voor KiindMagazine. In ‘Verstoppertje in de tempel’ beschrijft Nynke Bos haar sabbatical in Laos. Een jaar lang woonde en werkte zij in het Zuidoost-Aziatische ontwikkelingsland, met haar drie jonge kinderen. Een jaar waarin haar liefde voor het land groeide, maar waarin zij ook de – vaak harde – omstandigheden ervoer van het dagelijks leven in Laos.
.
Pii Mai
Al weken maakt het land zich op voor het feest der feesten: Pii Mai, oftewel het Laotiaans nieuwjaar. Volgens de boeddhistische jaartelling staat het jaar 2559 voor de deur. Op de markt liggen de kraampjes opeens vol met waterpistolen, opblaasbadjes (reeds opgeblazen), waterdichte tasjes en haarverf in alle kleuren van de regenboog. Langs de weg staan stalletjes met de officiële Pii Mai-kleding: hawaï-achtige bloemenbroeken en felgekleurde shirts, gesponsord door Beerlao. Daags voor het feest zal losbarsten zijn de scooters en songteaws nog voller dan normaal. Behalve extra voedselvoorraad zie ik opgeblazen badjes voorbijrijden en opvallend veel koelkasten die op het dak zijn geknoopt. De grote winkels hebben zomeruitverkoop en het bier moet met Pii Mai natuurlijk goed koud staan. Vier dagen lang zal het land op zijn kop staan. Alle winkels en restaurants zijn wel een week dicht. Geen idee wat we kunnen verwachten, maar ik denk dat ik er klaar voor ben. Kom maar op.
De eerste ochtend laat de buurman ons voor zeven uur weten dat het feest begonnen is. Hij heeft enorme boxen in zijn pick-up gehesen en laat er de grootste Pii Mai-hits uit schallen. Ondertussen spant hij een zeil boven de tafels en stoelen, vult tonnen met water en versiert het geheel met bloemen en palmbladeren. De buurvrouw heeft de was gedaan en zit nu tussen de schone was en het vuile water op de grond. Ze ontdoet een kip van zijn ingewanden en maakt hem klaar om te bakken. De muziek staat inmiddels zo hard dat we elkaar binnen niet meer kunnen verstaan. We proberen dat de buurman subtiel duidelijk te maken. Hij lacht. Het is ook helemaal niet de bedoeling dat we binnen met elkaar gaan praten, we moeten buiten komen en bier drinken. Dus dat is wat we doen. En zo staan we – het ontbijt net achter de kiezen – met een biertje in de hand in de tuin van de buren. De kinderen vermaken zich minstens zo goed. Samen met wat andere kindjes uit de buurt zitten ze in badjes en teilen water elkaar nat te gooien. Happy Pii Mai.
‘We gaan straks naar de tempel’, laat de buurman weten, ‘daarna is er feest.’ Ik denk aan de feesten in de tempel die we in Vientiane hebben meegemaakt. Die begonnen meestal stervensvroeg, de hele buurt kwam in de netste kleren bij elkaar om te eten en om voedsel en geld aan de monniken te doneren. Het is al weer een tijd geleden dat ik een grote groep monniken heb horen shanten, dus ik leg mijn sinh vast klaar: de traditionele rok die door vrijwel alle vrouwen en schoolkinderen wordt gedragen. Maar zoals gewoonlijk loopt hier niets zoals ik verwacht. Ik zie in de uren die volgen niemand aanstalten maken om naar de tempel te gaan, dus ik drink nog maar een biertje.
Mijn glas bier wordt overigens goed in de gaten gehouden. Is het half leeg, dan wordt het bijgeschonken. Drink ik te lang niet, dan komt er ijs bij. Raakt het onverhoopt helemaal uit verhouding, dan wordt het weggegooid en begint het weer van vooraf aan. Ondertussen wordt de kip gebakken op de stenen ronde barbecue, die straks uiteraard met plakrijst zal worden geserveerd.
In ons straatje begint het druk te worden. Er zijn meer mensen die een feestje hebben met muziek en bier. Voorbijgangers worden met gejuich aangehouden en natgegooid. Ik begin er zelf ook lol in te krijgen. Samen met de kinderen gooien we alles en iedereen nat. De muziek schalt over straat en overal wordt gedanst, gelachen en met water gegooid. Er rijden pick-ups vol feestvierders langs om water te gooien of te ontvangen, vaak heerlijk liggend in een opblaasbadje.
Dan opeens komen een paar buurvrouwen in beweging; tijd om naar de tempel te gaan. We wandelen in onze Pii Mai-outfit over straat, de tempel in. Waar je normaal geen blote knie of schouder zult treffen, mag vandaag alles. Het terrein is veranderd in een grote modderpoel, want ook hier wordt water gegooid. In die modderpoel staan tientallen pick-ups vol feestende mensen geparkeerd. Ook in de tempel is het een modderige en glibberige bedoeling. Zo glibberig dat iedereen zijn schoenen aan mag houden. Binnen zit een groepje monniken op een verhoging. Ze knopen armbandjes om terwijl ze de ontvanger alle goeds toewensen. Alle boeddhabeelden die de tempel rijk is staan op een rij en worden door de tempelgangers natgegooid. Happy Pii Mai, Boeddha.
De volgende dag begint rustig. Maar tegen het middaguur hebben verschillende straatgenoten zich weer opgeladen om verder te feesten. De muziek gaat weer aan er wordt gedanst en met water gegooid.
Op dag drie wil ik eigenlijk wel wat te eten halen op de fiets, maar nog steeds wordt er met water gegooid en met tuinslangen gespoten. Toch maar even een blokje om op zoek naar een droge route.
Dag vier is ronduit te veel. De buurman geeft opnieuw een feest en zet alles weer in alle vroegte klaar. Echt? Nog een keer? Jawel. Voorbijgangers draaien op de hoek van de straat om, op zoek naar een andere manier om niet kletsnat hun bestemming te bereiken.

Advertenties

NOORS

Jan Bommerson (1950) was docent Nederlands, trad op als cabaretier met ‘Jank’ en ‘Martin, Ton en Bommerson’ en als presentator van theater- en smartlappenavonden. Hij publiceerde gedichten en won er in Nederland en België prijzen mee. Hij reist graag naar noordelijke streken, fotografeert er en schrijft erover. In de zomer van 1979 reist hij naar de Noordkaap in Noorwegen en weer terug. Hij legt in totaal ruim negenduizend kilometer af. In 2016 schrijft hij het verhaal over wat zo’n lange reis, die iemand in zijn eentje onderneemt, in een mens teweeg kan brengen. Het gaat over verwachtingen, teleurstellingen en euforie, over domme pech en gelukkig toeval.
Middernachtzon
Mijn eerste ochtend op de Noordkaap. Het wordt tijd voor een plan. Wat moet hier gebeuren? Nu ik eenmaal mijn doel heb bereikt, op de plek ben die zo lang aan mijn horizon heeft gelegen, wil ik er alles uithalen wat er in zit. Maar wat zit erin? Ja, het landschap is hier imposant. De rotspartijen aan de kust zijn hoog en ruig. Ondanks mijn verantwoorde bergschoenen, speciaal voor deze reis aangeschaft, durf ik het niet aan om al te veel op die steile brokkelige hellingen rond te klauteren. Bang voor een doodsmak in de diepte. De toendra’s met de sneeuwvelden zijn ook mooi, vooral omdat ze voor mij helemaal nieuw en ongewoon zijn. Ze lijken niet op plekken waar ik eerder ben geweest.
In de diepte van een fjord staat, tweehonderd meter onder mij, een klein roodgeverfd huisje aan het water. Het is onmogelijk het huisje te bereiken op een andere manier dan over zee. Een uitgelezen plek voor als ik me ooit nog eens onvindbaar zou willen maken voor de rest van de grote boze wereld. En als dat niet haalbaar is, kan ik altijd nog uitwijken naar Gjesvaer, dat kleine minivissersdorpje aan het eind van dat slingerende grindpad waar nooit iemand komt.
Het is goed je een beetje te verwijderen van de toeristische hoogtepunten hier. De Noordkaap zelf is natuurlijk een idiote plek. Er zijn hier meer mooie plekken en die zijn een stuk minder idioot. Ik wil maar eens wat rondwandelen en goed om me heen kijken op dit eiland om een plaats vinden waar de middernachtzon goed te zien is. En ik wil een andere plek voor de tent zoeken. Ik ga mijn dagen hier niet steeds op dezelfde plek staan. Het is me te dicht bij het toeristische spektakel.
Onderdeel van het Plan is om in ieder geval, als ik dit eiland verlaat, dat op tijd in de ochtend te doen. Dan ontloop ik de file voor de boot. En als ik die ochtend ook nog minder lang hoef te rijden naar Honningsvåg, door de nacht wat zuidelijker door te brengen, heb ik helemaal grote kans op een vroege boot. Buitengewoon slim vind ik mijzelf. Dit Plan is briljant. Bijna tevreden laat ik mij bij een weids uitzicht over rotsen en zee achterover zakken tegen een keiharde verticale granieten muur van kort na de oerknal.
Die avond rijd ik naar een kleine baai, met vrij zicht naar het noorden, die ik overdag heb ontdekt. Het is de ideale plek om het wonder van de middernachtzon te ondergaan. Ik verheug me op de heerlijke stilte, zonder geleuter van andere toeristen, de zon laag boven de horizon en alleen het geluid van het kabbelende water van de rustige baai. Daar kan ik onder typisch Noorse omstandigheden nadenken over de rest van mijn leven, in ieder geval over de eerstvolgende paar weken ervan.
Het is een fantastische plek. Ik ben er op tijd en ik heb een stukje met mos begroeide rotsen gevonden waar ik prettig kan zitten. De omstandigheden zijn ideaal. De zon schijnt op mijn gezicht. Er komt geen warmte vanaf. De rotsen zijn eigenlijk wel vrij koud. Ik ga op mijn fotokoffer zitten, leun achterover, rug tegen de rotsen. Echt lekker zit het niet. Toch betrap ik mezelf erop dat ik hier, de eerste keer deze reis, oprecht zit te genieten. Dat ik al weer een paar dagen geen gezelschap heb gehad, geen woord gezegd heb, is jammer, maar dit weegt er vooralsnog ruimschoots tegenop. Deze stilte is nieuw, en anders dan de stilte eerder, onderweg, weldadig.
Deze gedachte heeft zich nog maar even geleden in mijn hoofd gevormd, en daar een comfortabel plekje gevonden, als ik een auto hoor. Dat is gek, want deze baai ligt aan het einde van een smal onverhard karrenspoor. En ja hoor, ik hoor dat de auto tot stilstand komt en de motor wordt uitgeschakeld. Ik hoor het openen en het dichtslaan van twee deuren en stemmen, gepraat, geklets, gezwets. Het geluid komt dichterbij. Een ouder echtpaar stelt zich vastberaden op aan de kustlijn om maar niets van het bijzondere schouwspel te hoeven missen.
De zon is inmiddels een eindje verder naar het noorden gedraaid en is een beetje gezakt, maar hij staat nog ruim boven de horizon. Hij is verkleurd naar oranjerood en ik kan er recht tegenin kijken. Het is nog geen twaalf uur. Nog steeds geen wolkje aan de lucht. En hier is verder niemand, alleen verdomme dat oude echtpaar, dat heel toevallig ook deze plek heeft uitgekozen om getuige te zijn van het noordelijke natuurverschijnsel. Ik verman me. Ik moet niet zeuren, niet kinderachtig doen, wat heb ik nou eigenlijk te klagen. Zo’n oud stel, wat heb ik daar nou voor last van. Ze maken niet veel lawaai en ik heb genoeg veerkracht en verbeeldingskracht om ze weg te denken. Als ik een beetje mijn best doe, zijn ze er helemaal niet. Ik zak weer weg in onduidelijke fantasieën.
Ik schrik wakker van het geluid van stemmen. Veel stemmen. Meer dan de twee van die auto kunnen voortbrengen. Er staan inmiddels een stuk of tien mensen in mijn baai naar mijn zon te staren en elkaar daar weer verslag van te doen. Dat is knap, want eigenlijk is er niks bijzonders te zien. Wat moeten die lui hier allemaal? Hoe weten ze van dit plekje?
Er komen nog meer auto’s aan. En er klinkt geronk achter de heuvels. Als ik in de verte een moeizaam manoeuvrerende autobus zie aankomen, stijgt er een kille woede in mij op. Dit kan niet waar zijn! Maar ik weet het zeker. In alle boekjes, folders en gidsen over Noorwegen moet dit baaitje met grote rode hoofdletters aangegeven zijn. Op elke reisleiderscursus besteden ze aan deze plek een complete lesavond. Dit moeten ze uit hun hoofd leren.
De bus stroomt leeg. Er staan nu wel vijftig of zestig overdreven enthousiaste vakantiegangers op het rotsachtige strandje. Ze praten, ze roepen, ze draven luidruchtig heen en weer en de meest toegewijde types stellen zware statieven op met grote dure camera’s. Ook ik vind het tijd worden wat foto’s te maken, hoewel de lol mij inmiddels definitief vergaan is. Ik moet voordringen om een foto te kunnen maken waar geen andere mensen op staan. Ik moet bijna mijn excuses maken aan anderen omdat ik in hun beeld sta.
Eigenlijk heb ik het wel gehad met die middernachtzon en wil ik naar de tent terug, zo snel mogelijk, maar ik gun die anderen niet de pret mij als een van de eersten weg te zien rijden. Ik wacht tot er beweging komt in de bejaarde mensenmassa. Het is inmiddels ver na middernacht en de zon komt al weer een beetje omhoog. Ik kan alleen maar feitelijk constateren dat het inderdaad een bijzonder verschijnsel is; ervan genieten kan ik nu niet. Mensen lopen terug naar hun auto’s en starten de motoren. Het wordt wat leger op de rotsen.
Plotseling besluit ik dat ik niet wil wachten. Ik moet hier weg. Nu. Ik pak mijn fotokoffer, been naar mijn auto, stap in, trek de deur met een woedende klap dicht, start de motor en rijd weg. Ik heb haast. Ik nader een andere auto, kan hem op dit smalle weggetje niet inhalen en moet achter hem blijven. Ik houd onbeleefd, maar weloverwogen, weinig afstand. Eigen schuld.
Het enige bescheiden pleziertje van die nacht beleef ik als ik al die andere auto’s op de driesprong rechtsaf zie slaan, naar het zuiden, en zie hoe ze op die weg in een lange file achter elkaar aan moeten blijven keutelen. Ik draai linksaf, richting Noordkaap. De hobbelige grindweg ligt leeg en verlaten voor mij. Ik geef gas. Veel gas. Met veel te hoge snelheid raas ik naar het noorden, terug naar de Noordkaap, naar mijn tent. Vol gas. Stofwolken in mijn achteruitkijkspiegel.
Straks wel op tijd remmen, anders rijd ik van Europa af.

noors_klein_46

UIT HET NIETS

Hanny van Hoeijen (1948) is schrijfster, kokkin en met haar man Jos eigenaar van Camping Lallé. In haar jonge jaren schreef ze voornamelijk gedichten en later kinderverhaaltjes. In 1990 emigreerde ze naar Frankrijk om een camping en restaurant te beginnen. Daardoor stond het schrijven op een laag pitje. Deze passie heeft ze de afgelopen jaren weer opgepakt en met ‘Uit het niets’ maakt ze haar debuut. Hanny schrijft ook kinderverhalen. Onlangs heeft ze het prentenboek “De legende van Lallé” geschreven, vooral bedoeld voor de jeugdige campinggasten in Lallé.
De laatste der Mohi…kippen
In het decor van een plattelandscamping past wel een kleine veestapel. We zullen beginnen met een paar kakelende kippen om de landelijke sfeer te creëren. Waar kunnen we die beter uitzoeken dan op de grote boerenmarkt in Brive, een middelgrote stad met een gezellige winkelboulevard, een oude kathedraal middenin het historische centrum en twee dagen per week een markt. Het grote plein staat tjokvol kleurige kraampjes. Het ruikt naar verse broden, kip aan het spit en bij de kaasboer prikkelen de doordringende geuren van geitenkaas en blauwschimmel uit de Auvergne onze neusgaten. In de markthal is elke centimeter gevuld met kooien, dozen en kratten met kleine dieren, die luidkeels protesteren tegen hun meestal veel te kleine behuizing. Het oorverdovende geluid van kakelen, blaten, kwaken, knorren en hinniken doet denken aan een orkest waarvan de leden ieder een ander deuntje spelen. Het zware ronde dak trilt tussen de houten spanten.
We banen ons een weg door de chaos van druk gebarende boeren en marktkooplui, die op hun eigen manier zaken doen met elkaar. Om de beurt schreeuwen ze bedragen, waarbij ze elkaar tegelijkertijd fors op de binnenkant van de handen meppen. Bij alle kraampjes liggen stukken stokbrood met hompen kaas en worst tussen flessen wijn en thermoskannen koffie. Als een aankoop goed afgesloten is, gaan direct twee glazen wijn de lucht in en wordt er geklonken op de goede afloop. Het valt ons op dat geen enkele koop afgesloten wordt met de prijs die op het kaartje staat. Daarna worden de kippen, eenden, duiven, geiten en zelfs kleine pony’s afgevoerd naar de vaak gammele vervoermiddelen, die roestig blinkend in de zon de wacht houden.
We hebben al snel een paar vrolijk gekleurde kipjes op het oog. Uit beleefdheid en omdat we de taal nog niet voldoende beheersen, durven we niet af te dingen en geven de prijs die gevraagd wordt. Ons vee krijgt een veel te kleine doos als reiskoffer. De kakelende kopjes worden hardhandig naar beneden geduwd en terwijl de veren in de rondte vliegen en aan onze truien blijven hangen, vouwt de kordate boerin de deksel stevig dicht en drukt de levende have in onze handen. We hebben het sterke vermoeden dat we veel te veel betaald hebben. Zo snel we kunnen, rijden we naar huis om de arme dieren uit hun ongemakkelijk positie te bevrijden.
Van het grote weiland naast het kampeerveld hebben we een flink stuk met paaltjes en gaas afgezet. Het kleine grut voelt zich binnen de kortste keren helemaal thuis. Vertederd kijken we toe hoe ze elk stukje van het terrein verkennen en ruzie maken om de vette regenwormen. Kleine kipjes worden snel groot en we hebben er niet aan gedacht dat kippen ook, zij het minder goed dan vogels, kunnen en willen vliegen. Het gebeurt regelmatig dat de buurman ons boos belt als de kippen hun vertrouwde leefruimte verruilen voor zijn groentetuin met heerlijke malse slakropjes. De vliegpennen moeten worden geknipt volgens onze buurvrouw, de koeienhoedster. We hebben geen enkel idee waar die zitten en ook al hadden we dat wel gehad, dan nog zou niemand van ons het aandurven om ze te knippen.
We kijken het nog een poosje aan, verhogen het gaas, maar er komt geen verbetering. De kippen hebben het duidelijk op de sla van de buurman gemunt en ze hebben nog een andere interesse. Bij de buurvrouw van de koeien scharrelen ook kippen… en een haan. Om praktische redenen hebben wij geen haan aangeschaft. Wat zouden we moeten beginnen met alle kuikentjes die dan automatisch komen? Onze kippen denken daar anders over, de natuur moet haar beloop hebben. Ze nemen ’s nachts de benen om de verleidelijke Don Juan een bezoek te brengen en marcheren op de terugweg hongerig van het liefdesspel door de groentetuin van de buurman. Langzaam maar zeker verliezen we onze goede naam bij de andere bewoners van Lallé. In het begin vinden de campinggasten de loslopende kippen geweldig, vooral de kinderen hebben er geen bezwaar tegen als een van hen een eitje laat vallen op hun luchtbed. Sommige kampeerders worden verrast met een slapende kip achter het stuur als hij de deur van de auto per ongeluk niet dicht gedaan heeft. Ze nemen het voor lief dat er zo nu en dan wat eten ‘gepikt’ wordt en dat aan de zolen van hun slippers weleens iets blijft kleven.
Even lijkt alles goed te gaan in onze hof van Eden, maar als we op een zonnige middag een kip voorbij zien fladderen met een grote cornetto in haar snavel, gevolgd door een hevig snikkend kind, is de maat vol. De opdringerige dames moeten nu echt in hun eigen leefruimte blijven. Nog eens verhogen de mannen het gaas, deze keer een flink stuk. Hier kan geen kip meer tegenop, de rust keert weer. Onze triomfantelijke gevoelens van overwinning duren maar kort. Op een mistige ochtend na een nacht van heftige onweersbuien vinden we een leeggeplunderd weiland. Hier en daar ligt alleen nog een bosje met bloed besmeurde veren. Ook onze buurvrouw mist enkele dieren. Volgens haar hebben de marter en de vos gezamenlijk van het slechte weer geprofiteerd om hun slag te slaan. In de afrastering zitten grote gaten en om het weiland heen vinden we verstopt onder de struiken de resten van wat eens onze vrolijk kakelende veestapel was. De enige die na enkele uren, sprankelend van gezondheid en luid tokkend, uit de bosjes tevoorschijn trippelt is de dikste van het stel, onze Minette.
Van blijdschap geven we haar de volledige vrijheid. Met veel flair schrijdt ze elke dag als een vorstin naar de haan, die nu veel minder te doen heeft en alle aandacht aan haar besteedt. IJverig bezoekt ze de gasten op het veld, laat zich verwennen met etensresten en nestelt zich als een ware diva in een stoel onder de parasol of ligt voldaan tokkend op de bank in ons huis. Als ze zo doorgaat wordt ze zeker de oudste kip van de Corrèze, tenminste als ze goed uitkijkt bij het oversteken van de landweg op weg naar haar ‘Don Juhaan’. Vaak horen we piepende remmen, maar meestal gaat het goed. Tot die ene dag. De buurvrouw van de koeien klopt met een vrolijk gezicht op de deur.
‘De auto kon niet meer remmen’, lacht ze. Ze steekt haar arm in de lucht en daar bungelt onze Minette. ‘Dat wordt een lekker soepje vanavond’.
Met een smak smijt ze onze geliefde huiskip op de tafel. Minette wordt niet opgegeten. Jankend begraven we haar onder de grote beukenboom.

 

MohikipjeWEB

 

 

MUZIEK VAN WIND EN WATER

Angeline Schoor, geboren en opgegroeid in Haarlem, woont met haar zoon en twee ratten op een van de Zuid-Hollandse eilanden. In het dagelijks leven is zij leidinggevende binnen de gemeente Rotterdam. Daarnaast is zij singer/ songwriter en treedt zij zo nu en dan op, met haar harp of met gitaarbegeleiding van haar zoon. In de tijd die overblijft, reist zij zo veel mogelijk.
Fragment uit Muziek van wind en water: Dag 15 in Dunvegan, Oldest Bakery of Skye
Omdat mijn kamer op het oosten ligt, kan ik tegen vijf uur vaststellen dat de zon schijnt. Hé, dat is leuk. Ik vond de regendag helemaal niet vervelend, maar met droog weer en een beetje zon kan ik Leana weer eens mee op pad nemen. Ik ben een wandeling van plan op een uitsteeksel van Waternish. Als ik Stuart daarover informeer bij het dagelijkse doornemen van de plannen, zegt hij dat in een dorpje daar vlakbij een pub is waar regelmatig jamsessies zijn met aanvliegende muzikanten. Hij zal eens even kijken of dat vandaag ook zo is. Even later komt hij me stralend vertellen dat er vanavond een sessie is. Dat moet dan zo zijn. Ik weet nog niet of ik er ga landen, maar Leana gaat in ieder geval mee.
De echte fairy pools liggen min of meer op de route. Het zou toch jammer zijn er vlak langs te rijden zonder een poging te ondernemen om ze te zien. Ik kan het altijd proberen en als het te druk is, ben ik zo weer weg. Bovendien gaat de weg een eindje de Cuillin Mountains in en die wil ik graag zien, al kom ik er vandaag niet toe ze te bewandelen. Als ik bij de fairy pools kom, staan er wel wat auto’s op de parkeerplaats, maar het is niet vol. Het pad is tot aan de pools helemaal te overzien. Verlaten is het niet, maar ook niet afgeladen met de drommen mensen waar ik zo slecht tegen kan. Laat ik maar eens gaan kijken dan. Het duurt een dik half uur om er te komen, met een steile afdaling en daarna weer omhoog. Ook dit natuurverschijnsel bestaat uit een rivier die met watervallen trapsgewijs van de Cuillin Mountains af komt. De poelen die daarbij zijn ontstaan, zijn talrijker en dieper dan die ik gisteren heb gezien en inderdaad van een indrukwekkende schoonheid. Feeën zie ik niet, daarvoor zijn er net even te veel mensen. Maar dat geeft niet, die heb ik gisteren al ervaren. Vanavond, als iedereen weg is, komen ze vast terug. Dat kan haast niet anders op een plek als deze. Ik volg het pad omhoog langs de poelen. Hoe hoger ik kom, hoe minder mensen er zijn. Ik ben toch blij dat ik gekomen ben. Deze plek mist weliswaar door de bezoekers de magie die ik graag opzoek, maar is toch te mooi om overgeslagen te worden.
Als ik omkeer om aan de terugtocht te gaan beginnen, zie ik dat de parkeerplaats mudvol gelopen is. De auto’s stromen er zelfs overheen, tot op de smalle weg. Dat heb ik dan weer mooi uitgekiend, wegwezen nu. Als ik er bijna ben, komt me een ontzettend dikke mevrouw tegemoet. Ze is gehuld in een weinig flatteuze broek en felgekleurde trui. Ze heeft een hoedje met een slappe rand en een grote zonnebril op. Haar armen rinkelen van de armbanden. Aan een lijn voert ze twee Yorkshire terriërs met zich mee. Het is zo’n lijn die zich een meter voor het einde splitst en dan verder loopt naar een tuigje in stemmig Schots ruitpatroon voor ieder slachtoffer, zodat ze wel min of meer vrij kunnen bewegen maar steeds tot elkaar veroordeeld blijven. De hondjes zijn netjes geborsteld en het haar op hun kop zit met een strik vastgebonden. Ach Jezus! Ik ben juist bij een overstapplaats met grote stapstenen over een stroom en ik wacht om haar voor te laten gaan. Achter haar staat ook een rijtje mensen te wachten, want dit gaat een hele onderneming worden. De mevrouw komt zelf met enige moeite aan de overkant. Nu haar kameraadjes nog. Beverig staan ze op de stapsteen. De afstand die ze al springend moeten overbruggen, is tweemaal hun lichaamslengte. Ik vermoed dat dit niet gaat lukken, zeker niet aan die lijn. De mevrouw ziet dit ook in. Moeizaam positioneert ze zichzelf zodanig dat ze met één been op de stapsteen en met één been op de kant staat. Met een ferme ruk aan de lijn zwaait ze de beide hondjes over de stroom heen, alsof ze in de zweefmolen zitten. Gelaten ondergaan ze het. Het gaat allemaal erg snel en bijna goed, alleen de landing is niet helemaal soepel. Met een plons belanden ze in de stroom. Met behulp van de lijn worden ze door de mevrouw op de kant gehesen, waarna ze zich heftig uitschudden. Hun kapsels zijn helemaal bedorven. De schater die al een tijdje in mij aan het opborrelen is, kan ik met geen mogelijkheid meer tegenhouden en hij knalt eruit. De wachtenden aan de overkant hebben zichzelf beter in de hand. Een van hen, een flegmatieke jongeman, voegt de mevrouw in het voorbijgaan op vlakke toon toe: ‘Well, they certainly look like they are enjoying themselves.’

33 - Fairy Pools, Skye

ED PIELKENROOD – IN DIENST VAN HARE MAJESTEIT EN DE PAARDEN

Publicist Ed Pielkenrood schrijft voor magazines en bedrijfsbladen. Als ghostwriter schrijft de eigenaar van een communicatiebureau ook columns, inleidingen en speeches uit naam van anderen. In zijn vrije tijd organiseert Pielkenrood evenementen en zet hij zich in voor verschillende organisaties, onder andere op het gebied van erfgoed en historie. Vanaf zijn jeugd rijdt hij paard. Bij een bezoek aan het Cavaleriemuseum in Amersfoort raakte hij onder de indruk van de officieren die voor de Tweede Wereldoorlog op hippisch gebied mondiaal een hoofdrol speelden. Met name de grote hoeveelheid materiaal van en over Charles Henri Labouchere trok zijn belangstelling. Bij het doornemen daarvan ontstond als vanzelf het beeld van ruiter, militair en mens Labouchere, dat er om vroeg om opgeschreven te worden.
Eerder schreef Pielkenrood onder andere de boeken Maison d’Essence, een huis met een luchtje over de geschiedenis van het geur- en smaakstoffenbedrijf Polak & Schwarz (IFF), Specerijenmolen de Huisman, samengesteld volgens kruidig recept over de geschiedenis van deze molen in Zaandam en Zaken in Zaandijk over de geschiedenis van een Zaanse ondernemersfamilie.

 

DE REIS (1912)
Over de gezondheid van zijn paarden aan boord van het schip maakt Charles Labouchere zich wel een beetje zorgen. Een jaar eerder was het weer tijdens de reis zo slecht geweest dat de paarden weinig op het dek konden worden uitgestapt en de meeste dagen in hun box moesten blijven. Het mag een wonder heten dat hun conditie bij aankomst in New York nauwelijks bleek te hebben geleden onder de zeereis. Ondanks zijn zorgen stemt Labouchere direct in met het voorstel van de Koninklijke Militaire Sportvereniging om nogmaals deel te nemen aan het concours dat jaarlijks wordt georganiseerd door de National Horse Show Association of America. De Koninklijke Militaire Sportvereniging, die in 1886 is opgericht om officieren aan te moedigen hun bedrevenheid in onder andere paardrijden en schermen te bevorderen, regelt deelname aan nationale en internationale concoursen en heeft uit New York een uitnodiging gekregen om, net als in 1910 en 1911, ook in 1912 een team af te vaardigen. Samen met ritmeester Van Gellicum en de luitenants Mathon en Coblijn zal Labouchere de Nederlandse driekleur hoog houden in New York.
Hij bewaart uitstekende herinneringen aan zijn avontuur van vorig jaar. Want een avontuur is het geweest. Alles was anders in Amerika. In Nederland worden alle concoursen in de openlucht en bij daglicht gehouden en kunnen ruiters hun paarden in de losrijbaan in alle rust voorbereiden op het parcours. Maar in New York moesten de ruiters ’s avonds rijden bij kunstlicht. In de enorme ovale hal van Madison Square Garden was bovendien geen losrijbaan. De paarden moesten vanuit de stallen onder de hal direct de ring in zonder zich warm te hebben gelopen. Deze omstandigheden waren de ruiters vooraf bekend en daarom hadden ze voor vertrek enige keren geoefend door hun paarden ’s avonds ‘koud’ van stal en bij kunstlicht in de manege van de Militaire Rijschool in Amersfoort te laten springen. Maar of dat genoeg zou zijn, wist geen van de afgevaardigde ruiters toen. Gelukkig bleek het voldoende, want de Nederlanders wonnen niet alleen verschillende individuele prijzen. Ook de landenwedstrijd werd een overwinning voor Labouchere en zijn teamgenoten. Hij hoorde nog het oorverdovend gefluit van het publiek na elke foutloze rit. Dat was geen teken van afkeuring, zoals dat in Nederland gebruikelijk is, maar een beloning en aanmoediging. Sommige paarden werden gek van het geklap, gestamp en gefluit van het enthousiaste publiek. Maar Labouchere had geen moeite gehad om zijn paarden onder controle te houden en dat leken de Amerikanen extra te waarderen. Elke keer als hij de ring binnen reed, werd hij al begroet met dat kabaal. Hij was een van de favorieten van het publiek.
De prijs van de landenwedstrijd, de felbegeerde America Cup, moesten de ruiters helaas achterlaten, want het betrof een door het New Yorkse Hotel Martinique beschikbaar gestelde wisselprijs. De grote zilveren bokaal kan pas mee naar huis als een land twee achtereenvolgende jaren de overwinning behaalt.
1911 Haaren met HonvedLabouchere geniet van het rijden van internationale concoursen en hij bereidt zich daar steeds nauwgezet op voor. Naast zijn werk als cavalerieofficier en het rijden van dienstpaarden, rijdt hij dagelijks zijn wedstrijdpaarden. Dressuur vormt daarbij de basis en die basis moet steeds worden bijgehouden, elke dag weer. Zo worden zijn paarden niet alleen gehoorzaam, maar vooral ook lenig en sterk. Dat is nodig om in een parcours hoogte en breedtesprongen te kunnen afwisselen en om scherpe wendingen en tempowisselingen te kunnen rijden. Daarnaast moet de conditie van zijn wedstrijdpaarden worden opgebouwd, want je kunt een paard niet een zwaar parcours voorzetten waarvoor hij misschien wel de capaciteit heeft maar niet de conditie. Labouchere wil zijn paarden helemaal klaar hebben voordat hij er wedstrijden mee gaat rijden. Natuurlijk begint hij met eenvoudige parcoursen als de paarden nog jong zijn, want ook een springpaard moet langzaam groeien in de sport. In dit leerproces kiest hij zorgvuldig de concoursen, waarbij hij steeds iets meer kan vragen van zijn paarden totdat ze de zwaarste parcoursen aan kunnen. Alles draait bij Labouchere om wederzijds vertrouwen tussen hem en zijn paarden. Hij weet precies wat hij wel en niet van zijn viervoeters kan en mag vragen en zal het langzaam gewonnen vertrouwen van een paard nooit beschamen.
Als autodidact in de paardensport met een aangeboren gevoel voor paardrijden leidt Labouchere zijn wedstrijdpaarden zonder veel hulp op. Bij de cavalerie zijn weliswaar veel instructeurs, maar zij kunnen Labouchere weinig leren. De militaire instructeurs laten hun leerlingen voor en op de sprong als vanouds rechtop in het zadel zitten, waarbij zij de teugels door hun handen moeten laten glijden als het paard zijn hals strekt boven de sprong. Labouchere weet echter dat een paard op de sprong niet alleen over zijn hals moet kunnen beschikken, maar ook over zijn rug. Daarom brengt hij bij het springen intuïtief zijn bovenlijf naar voren, waarbij zijn zit uit het zadel komt, zijn gewicht in de beugels steunt en zijn knieën het scharnierpunt vormen. Deze stijl wordt wel de Italiaanse stijl genoemd, omdat kapitein Frederico Caprilli deze in de militaire rijschool van Pinerolo in Noord-Italië heeft geïntroduceerd en ontwikkeld. Veel buitenlandse officieren gaan naar Pinerolo om zich het ‘springen in verlichte zit’ eigen te maken. In Nederland is Labouchere vanuit zijn gevoel al begonnen met de verlichte zit voordat hij ook maar van Caprilli en zijn methode heeft gehoord. Hij rijdt zijn paarden bovendien altijd volledig verzameld en gecontroleerd naar de sprong, waarmee de kans een foutloos parcours te rijden veel groter is. Door zijn wedstrijdrijdende collega-officieren wordt hij daarom enorm bewonderd. Zij proberen zijn stijl te imiteren, maar dat valt niet mee als je niet hetzelfde ruitergevoel hebt. Toch hebben inmiddels ook enkele andere talentvolle ruiters de weg naar de verlichte zit en controle over hun paard gevonden. Samen met Labouchere vormen zij de top van de cavalerieruiters en vertegenwoordigen zij Nederland op internationale concoursen. Niettemin blijft Labouchere een klasse apart. Zijn ritten zijn niet alleen effectief, maar ook heel mooi om te zien. Beheerst, gecontroleerd en alsof het paard en ruiter geen enkele moeite kost. Zijn talent wordt op alle Nederlandse concoursen door het publiek gewaardeerd en ook in het buitenland krijgt hij veel erkenning. Labouchere is altijd en overal de lieveling van het publiek.
1912 Op de bootDe paarden staan wijdbeens om niet te vallen als de trein langzaam op gang komt. Links en rechts van de grote schuifdeur in het midden van de wagon staan de zes paarden naast elkaar opgesteld in de lengterichting van de wagon. De speciale wagons, die de Nederlandse Spoorwegen inzet voor het transport van paarden, zijn berekend op wel twaalf paarden. De rijdieren van de Nederlandse equipe hebben dus alle ruimte op het eerste traject van de reis naar Amerika. Bij het verlaten van station Amersfoort passeert de trein een aantal wissels waardoor de wagon schokt. Telkens verstappen de paarden om hun evenwicht te bewaren. Als er een zou vallen in het dikke bed van stro zijn er twee oppassers om het paard weer overeind te helpen. Het is geen lange rit naar Rotterdam, waar de SS Noordam ligt te wachten om de leden en paarden van de equipe naar New York te brengen. Toch duurt het enkele uren voordat de trein via het Centraal Station naar de Wilhelminakade in Rotterdam wordt doorgerangeerd. Bij aankomst moeten de paarden nog enige tijd wachten totdat ze kunnen overstappen van de wagon in houten boxen, die op de kade gereed staan voor hun zeereis. Vervolgens worden de houten boxen op het achterdek van de Noordam gehesen en daar vastgesjord. Nadat de boxen gereed zijn en voorzien van een dikke laag stro, mogen de paarden aan boord. Gadegeslagen door de volledige ruiterequipe en vele andere passagiers worden de paarden in hun boxen aan boord gehesen. De wedstrijdpaarden zijn gelukkig heel wat gewend en maken zich niet druk als zij door de lucht zweven. Op het achterdek van het schip worden de boxen stevig vastgesjord om te voorkomen dat ze bij zwaar weer gaan schuiven. Ze zijn bovendien helemaal af te sluiten zodat de paarden niet nat en koud worden als er bij storm zeewater over het dek slaat.
De equipe bestaat uit zes paarden, vier ruiters, twee oppassers en enkele begeleidende militairen. Labouchere is de enige ruiter, die ook in 1911 deel uitmaakte van de springploeg. Hij neemt net als vorig jaar zijn trouwe Ierse ruin Dreadnought mee, waarmee hij ook toen al zeer succesvol was. Bovendien rijdt hij nu Spes, het dienstpaard van collega luitenant Colenbrander die thuis blijft. Spes is eveneens een Iers springpaard, maar wel met een flinke scheut hackneybloed ofwel tuigpaardenbloed. Dat is vooral te zien aan zijn hoge hoofd- en halshouding. Het is een talentvol paard met goede springmanieren, dat internationale ervaring moet opdoen. De zeer betrouwbare Dreadnought is Laboucheres troef. Dit lang gelijnde paard, met een krachtige galop en enorme springcapaciteit, lijkt in de ring wel eens te kalm en laconiek. Toch weet Labouchere hem meestal foutloos naar de finish te sturen. Een snelle tijd maakt de combinatie nooit, maar een nulscore in het basisparcours én in de barage is meestal goed voor een hoge placering.
Amerikaanse officieren maken alleen gebruik van volbloedpaarden en daarom waren de pers en het publiek in de Verenigde Staten het eerste jaar van hun deelname wel lovend over de ruiters uit Holland, maar niet over hun paarden. Men vindt ze lomp en stijf. Dat beeld wordt bijgesteld als de Nederlandse ruiters in 1911 de landenwedstrijd winnen. Vooral Labouchere en Dreadnought maken indruk. Trapman en Van Voorst tot Voorst waren toen zijn teamgenoten, waarbij de laatste met de Ier Black Paddy sprong, die in 1910 nog werd gereden door Coblijn. Nu, in 1912, zijn Coblijn en Black Paddy weer een combinatie. Je zou dus kunnen zeggen dat deze Ierse ruin het meest ervaren paard en de betrouwbaarste factor is in het team. Ook Mathon en Van Gellicum, die al in 1910 deelnamen, zijn weer van de partij. Inmiddels is Van Gellicum bevorderd tot ritmeester en is zijn paard Powerful een stuk sterker geworden. Mathon en zijn dienstpaard Held vormen de reservecombinatie. De ruiters zijn optimistisch over hun kansen bij de landenwedstrijd in New York, maar ten opzichte van de Amerikaanse ruiters beginnen zij met een achterstand. De Nederlandse paarden hebben een lange reis achter de rug voordat ze aan start komen.
Labouchere geniet van de zeereis en het leven aan boord van het varende hotel. Hij heeft op het schip van de Holland Amerika Lijn, net als zijn collega’s, de beschikking over een comfortabele eersteklas hut, waarin voldoende ruimte is voor zijn grote koffers. Daarin zitten onder andere zijn altijd onberispelijke uniformen met bijbehorende petten en laarzen. Bovendien heeft hij kleding mee voor de verschillende officiële lunch- en avondontvangsten die de ruiters in New York staan te wachten. Trouwens, ook aan boord verkleden de leden van de equipe zich enkele malen per dag. Ze worden ’s avonds in ieder geval in vol ornaat aan het diner verwacht. Natuurlijk bemoeit Labouchere zich aan boord het meest met zijn collega’s. Maar hij begeeft zich ook graag onder de andere eersteklas passagiers. Hij geniet van de aandacht die hij krijgt als wedstrijdruiter die zijn land vertegenwoordigt. Het ontspant hem bovendien om ook eens met andere mensen te praten, hoewel die gesprekken ook heel vaak over het leger en de paarden gaan.
Over de verzorging en het uitstappen van de paarden hoeven de ruiters zich niet druk te maken. Dat is een taak van de oppassers Jan Wiersema en Thijs Vrind. Zij delen aan boord een derde klas hut, maar zijn zoveel mogelijk bij de paarden. Het achterdek van de Noordam, waarop de boxen staan en de paarden worden uitgestapt, is taboe voor de passagiers. Alleen de leden van de equipe hebben er toegang. Zij bezoeken de paarden dagelijks en bespreken dan het wel en wee van hun viervoeters met de oppassers. Na acht dagen meert de Noordam af in New York en gaan de paarden in goede conditie van boord.

HENK VOS – ENFANT TERRIBLE

Eddy Janssen publiceerde eerder het boek ‘Alles is Remy’ over het onverwachtse overlijden op negentienjarige leeftijd van zijn zoon Remy en ‘Het floepte er zomaar uit’, een boek vol mooie anekdotes uit de tijd dat hij nog voor de klas stond. Het is een bundeling van columns die eerder van hem verschenen en bevat behalve die leuke anekdotes ook tal van ervaringen en bedekte tips over kinderen en de rol van ouders en het onderwijs. Hij is al zijn levenlang sportliefhebber en heeft Henk Vos uitgekozen als hoofdpersoon voor zijn derde boek. Die keuze was niet zo moeilijk. Niet eens zo zeer omdat Henk een streekgenoot van hem is, maar vooral omdat het een voetballer is die tot de verbeelding spreekt en die een uitzonderlijk lange en veelzijdige carrière kende, met even veel glorierijke momenten als dieptepunten. .
De Franse eerste divisieclub Metz hengelt al een tijdje naar de diensten van Henk Vos en gaat in de winterstop met hem in gesprek. FC Metz geeft aan snel zaken te willen doen en zoals gewoonlijk is Vos meteen enthousiast. Bij Standard komt hij momenteel toch minder aan spelen toe en zo’n Frans avontuur ziet hij wel zitten. Hij belt zelf meteen de voorzitter van Standard en meldt hem dat Metz hem graag wil overnemen en dat ze contact gaan opnemen.
Een journalist krijgt hier lucht van en wil er het fijne van weten. Hij belt trainer Kessler en vraagt of Henk Vos Standard gaat verlaten en gaat tekenen bij FC Metz. Kessler schrikt van dit bericht en antwoordt dat hij daar niets van af weet. Hij ontkent alles. Diezelfde avond om tien uur wordt Kessler echter gebeld door de heer Henrotay met de vraag of hij even langs mag komen. Kessler begrijpt op dat moment meteen waar het over gaat. Op de vraag van Henrotay of hij er moeite mee heeft dat Henk Vos Standard gaat verlaten antwoordt Kessler heel resoluut: ‘Daar heb ik grote moeite mee, ja!’ Vos komt namelijk nog steeds voor in de plannen van Kessler. Hij wil er eerst goed over nadenken voordat hij ergens mee instemt waar hij later spijt van krijgt. Hij wil hierover ook met Henk zelf praten. Henk gaat al in gesprek met Metz en Kessler probeert nog laat telefonisch contact met Henk te zoeken. Die durft echter de telefoon niet op te nemen, omdat hij van Kessler altijd vroeg op bed moet liggen. Daags daarna spreekt Kessler hem wel en zondert zich daarna af. Hij gaat urenlang wandelen om een en ander op een rijtje te zetten. Na veel wikken en wegen belt hij Henrotay om te zeggen dat hij toch akkoord gaat. Kessler: ‘Maar ik ontken niet dat ik er erg mee in mijn maag zat. Ik heb alles tegen elkaar afgewogen en kwam tot de conclusie dat één van onze andere spitsen, Tikva, in de tweede competitiehelft waarschijnlijk meer zou kunnen betekenen dan Vos. Maar als ik bij mijn standpunt gebleven was, zou Vos nooit vertrokken zijn.’
Vos: “Bij Metz zijn mijn vooruitzichten veel beter. Ik weiger te zeggen dat ik bij Standard gefaald heb, ik heb er simpelweg nooit voldoende kansen gekregen als gevolg van die verdomde buitenlandersregel.”
H11 - Standaard4Het vierjarig contract van Henk Vos wordt binnen enkele dagen aangepast en Vos tekent in het bijzijn van zijn echtgenote en zijn manager een verhuurcontract bij FC Metz tot het einde van het seizoen. Metz maakt bekend dat het de bedoeling is dat hij op 16 december 1990 al zijn debuut maakt tegen de Franse kampioen Olympique Marseille.
Er gaat voor Vos weer een totaal andere wereld open. Hij betrekt in zijn nieuwe pleisterplaats een gemeubileerd appartement, pal tegenover het stadion van Metz. Hij gaat het komende half jaar spelen tegen alle grote Franse clubs zoals Marseille, Paris St. Germain, St. Etienne, Nice en Bordeaux. De reisafstanden zijn, in tegenstelling tot in België en Nederland, erg groot en FC Metz verplaatst zich dan ook standaard op de dag van de wedstrijd per vliegtuig vanaf R.V. Aeroport Metz-Frescaty. Relatief snel is men dan op de plaats van bestemming. Omdat men ’s nachts niet te laat mag landen, vliegt men steeds onmiddellijk na de wedstrijd terug. Slechts een enkele keer reist men per bus. Henk Vos speelt tegen Marseille de gehele wedstrijd (met nummer 11). Meestal links aan de buitenkant om zijn directe tegenstander, de vaak mee opkomende Boli, af te stoppen. Tegen Marseille, met Waddle en Papin, is FC Metz kansloos en verliest met 3-0.
“Mijn gevoel na de eerste partij was erg dubbel. Ik wist Boli volledig uit de wedstrijd te spelen, maar ik voelde me in deze rol niet echt lekker. Ik ben nu eenmaal een spits en geen linkshalf. De nederlaag deed me ook pijn. Na de wedstrijd zat ik minutenlang met een handdoek over mijn hoofd. De trainer kwam vragen wat er scheelde. Hij zei dat ik het me niet aan moest trekken, want dat er weer een nieuwe wedstrijd op het programma stond. Voor die lui was er niets aan de hand. Daar keek ik wel van op. In Frankrijk heerst een heel andere mentaliteit. Alles gaat daar ‘doucement’, rustig aan.”
De kranten hebben Vos na enkele wedstrijden ook ontdekt en in de maandagkranten prijkt bijna standaard steeds een ‘Henk Vos actiefoto’. Het commentaar, na de met 2-1 gewonnen thuiswedstrijd tegen Toulouse FC, mag er ook best zijn: ‘Henk Vos maakt duidelijk vorderingen en gaat steeds beter spelen. Alleen jammer dat deze atleet en begaafd technicus het doel nog niet vindt.’
FC Metz trekt met onmiddellijke ingang nog een nieuwe aanvaller aan, Francois Calderaro. Het is de bedoeling dat hij samen met Henk Vos het spitsenduo vormt. Op 24 januari 1991 verslaat FC Metz thuis FC Nantes met 2-0 en Henk Vos scoort voor 6.000 toeschouwers de 1-0, zijn eerste goal voor Metz. Mede hierdoor bezet FC Metz een fraaie vijfde plaats op de ranglijst. In de kranten staan naast de wedstrijdverslagen ook enkele kleine, aparte katernen met wat wetenswaardigheden over het begin van zijn carrière. Vos blijft goed presteren en wordt in de pers geprezen om zijn exceptionele snelheid, zijn tempoversnellingen, zijn beweeglijkheid en het feit dat hij steeds op de goede plaats opduikt. Men noemt hem in een ‘koptekst’ na een overwinning zelfs ‘de held van het feest’!
Hij wint ieders sympathie en men ziet hem als de ‘aansteker van het vuurtje’. Hij gaat voorop in de strijd en men noemt hem een eerlijke speler, omdat hij voetbalt vanuit zijn hart. Vos lijkt zijn draai in Metz gevonden te hebben: “Ik heb het hier uitstekend naar mijn zin. Ik heb nu al zo’n tien wedstrijden gespeeld en scoorde al vier keer. Niet slecht. Ik vind de competitie hier minder zwaar dan in België. Hier speelt men meer op techniek in plaats van op fysiek. Het maakt me niet zoveel uit waar ik speel, als ik me maar kan laten gelden. Hoe het straks aan het einde van het seizoen moet, weet ik niet. Terugkeren naar Sclessin is zeker een optie, maar ik moet dan wel meer kansen krijgen om te bewijzen dat ik in het eerste elftal thuis hoor.”

Privé krijgt Henk een klap te verwerken als hij het bericht krijgt dat zijn opa is overleden. Opa is toch de man die in het begin van zijn carrière zijn steun en toeverlaat was. Henk is hierdoor aardig van slag en heeft tijd nodig om dit te verwerken. Meteen na het trieste nieuws rijdt hij naar Roosendaal en blijft daar een volle week.
H12 - MetzOp uitnodiging speelt FC Metz een vriendschappelijke wedstrijd om de Memorial Albert Stoltz (de oud- voorzitter van Union Luxembourg) bij Union Luxembourg. FC Metz wint gemakkelijk met 0-4 en Henk Vos blinkt uit door het missen van diverse doelrijpe kansen. Dit zwakke optreden zorgt er mede voor dat hij op de bank terecht komt. Hij krijgt nog slechts invalbeurten. FC Metz bezet na 31 wedstrijden een zesde plaats, samen met nog vier andere ploegen. In de middenmoot van de ranglijst is het dus dringen geblazen. Een wedstrijd verliezen kan zo maar een vrije val betekenen. Trainer Joël Muller wil dit voorkomen en kiest voor een meer offensieve speelstijl. Tegen SC Toulon (18e op de ranglijst) speelt hij dan ook met de spitsen Calderaro en Vos. Ze spelen in Toulon voor slechts 3.000 toeschouwers een ongelukkige wedstrijd en verliezen met 2-1. Als Metz, met Vos in de gelederen, de weken erna ook verliest van Lyon en Auxerre, maakt men zich in Metz geen enkele illusie meer over een hoge klassering. Het seizoen wordt als verloren beschouwd en FC Metz besluit de optie tot verlenging in het contract met Henk Vos niet te lichten. Na zestien wedstrijden en slechts twee goals is Vos aan het einde van het seizoen 1990-1991 weer selectiespeler van Standard.
“Jammer dat ik na een aantal redelijke wedstrijden niet meer in de basis verscheen. De trainer koos definitief voor Calderaro alleen in de spits. Ik moest het uiteindelijk gaan doen met invalbeurten en kwam steeds minder aan de bak. Toen wist ik al dat mijn carrière hier geen lang leven beschoren was. Wel weer een grote levenservaring rijker. Diverse clubs informeerden bij mijn zaakwaarnemer, maar het deed me deugd dat ik hoorde dat Standard me niet wilde doorverhuren en dat ze me eigenlijk graag terug wilde hebben. Dat was ook wel te zien aan het feit dat men een erg hoog transferbedrag op mij plakte. De liefde kwam duidelijk van twee kanten. Eén en één was dus twee en sneller dan ik verwacht had keerde ik met veel ambitie terug naar Standard. Ik wilde me daar gaan bewijzen en trainde tijdens de vakantie in mijn eentje de gehele zomer door.”

MEISJES UIT VERVLOGEN DAGEN

Meisjes uit vervlogen dagen is de vierde publicatie van Joep Scholten, waarin hij de vriendschap reconstrueert van zijn moeder met Coba van den Broek, die bij het bombardement op Doetinchem in de laatste weken van de oorlog (21 maart 1945) om het leven komt. Hij doet dat door niet alleen de vriendschap tussen beide jonge vrouwen te beschrijven, maar er tegelijkertijd een fascinerende beschrijving van het vooroorlogse Doetinchem van te maken en de onderlinge relaties binnen zijn familie te ontleden. Eerder verschenen van Joep Scholten het verhaal Amarcordsneeuw, waarin hij op kritische toon zijn liefde voor de wielersport beschrijft (zie elders op deze site) en bij andere uitgevers Jongens voor onbepaalde tijd (2000), een Achterhoekse sfeerroman, en Het meisje met de blauwe bloemen (2008), een thrillerachtige roman over een Bosnische vluchteling. Ook zijn vierde boek lardeert hij rijkelijk met kritische aantekeningen over de hedendaagse maatschappij.
Vele jaren later, oom Gert is dan net overleden, lees ik Grebbelinie 1940 en Residentie 1940 van Lt. Kol. E.H. Brongers. Hoewel over het boek een zweem van nationale trots hangt en het gedrag van hoge militairen als het ware met meel in de mond wordt beschreven, geeft het wel een behoorlijk compleet strategisch beeld van die vroege meidagen. Allerlei getuigenverklaringen en militaire rapporten zijn erin opgenomen. Zelfs op afstand en gelauwerd door de tijd raak je al gauw geïrriteerd door de onwaarachtigheid van het militaire toontje dat er vaak in doorklinkt. Wie het boek ‘De Greb’ van Koen Aarts en Hans Pols leest, krijgt een ander en meer onverbloemd beeld van hoe beroerd de verhoudingen tussen hoge officieren en manschappen toen vrijwel standaard waren. Maar terug bij het boekwerk van Lt. Kol. Brongers: als oom Gert het gelezen had, zou hij nog harder gevloekt hebben. Dat vanwege de schier bewonderende frasen die hij besteedt aan de acties van kapitein Gelderman. Ze klinken op zijn zachtst gezegd bevreemdend. Toch levert het boek ook iets bijzonders op: ik lees er voor het eerst iets over ene vaandrig Evertse. Jammer genoeg is er geen foto van hem geplaatst, maar het verhaal is me vertrouwd. Ik voel een soort opluchting. De man bestond echt, hij blijkt geen verzinsel van mijn vader. Natuurlijk zijn er een paar verschillen. Details weliswaar,,maar wel details waarbij ik me afvraag wie van de twee bewust of onbewust een paar stappen naast de werkelijkheid is gaan staan? Vaandrig Evertse of mijn vader? Ter illustratie citeer ik een passage uit de getuigenis die de vaandrig op 24 februari 1947 aflegt. Hij vertelt over zijn tocht van de Grebbeberg via Wageningen naar Arnhem. Bij Renkum stokt het: ‘… Hier liep ik bij het eerste huis tegen de bajonet van een Duitse schildwacht. Deze voerde mij het huis in waarna ik door een volslagen dronken Duitser werd verhoord en van al mijn bezittingen werd ontdaan. Hierna werd ik naar buiten gevoerd met een pistool in mijn hals gedrukt. Plotseling besefte ik dat het bittere ernst was en geen bangmakerij. Ik draaide mij vliegensvlug om en gaf de man een slag in zijn gezicht, waarna ik zig-zag terug rende in de richting Wageningen. De schildwacht schoot tweemaal mis. Toen de achtervolging gestaakt werd trok ik verder richting Rijn en verborg mij op de tekenkamer van de papierfabriek Van Gelder. Hier heeft een arbeider mij de volgende dag aan kleding en een fiets geholpen. Ik ben naar Arnhem gegaan waar ik onderdook…’
In plaats van een tweetal bezopen Duitse soldaten doodschieten, deelt hij een klap uit met zijn blote hand en vlucht. In plaats van op een Duitse motor in Duitse militaire outfit pontificaal richting Arnhem rijden, fietst hij onopvallend in burgerkleding. Zie hier de verschillen tussen de orale geschiedenis van een vader aan zijn zoon en de getuigenverklaring van een militair aan de officieren die hem verhoren. In ieder geval weet ik wel welke versie het voor mij zou worden, mocht ik een scenario voor een film willen schijven. Mijn vader schreef echter nooit verhalen, wel vertelde hij ze graag en dat deed hij terwijl hij met zijn kleine hamer blauwkopjes in een houten romp van een nog kaal bankstel spijkerde. Blauwkopjes zijn van die kleine scherpe spijkertjes. Altijd nam die als een handvol pillen in zijn mond om ze daarna één voor één tussen de lippen beschikbaar te houden voor verwerking. Zelfs met een mond vol blauwkopjes was hij wonderwel verstaanbaar. Johan was meubelstoffeerder en wat voor één!
Als ik dat verhaal van Evertse een aantal keren herlees, denk ik: ‘Hoe dapper of misschien wel, hoe onverantwoord roekeloos vinden je superieuren je als je aangeeft dat je twee beschonken Duitsers overhoop hebt geschoten?’ Misschien is het wel verstandig om je heldendom enigszins te doseren, want je zit tegenover superieuren die zelf geen ander heldendom in de aanbieding hebben dan een krijgsgevangenschap, dat ze gewillig ergens in een kamp voor hoge officieren hebben ondergaan. Is het dan niet verstandiger om melding te maken van een vlucht in de nacht? Natuurlijk zigzaggend lopend, je bent tenslotte militair of niet! Het kan een veiliger optie zijn voor een eventuele voorspoedige militaire carrière in vredestijd wanneer je niet te nadrukkelijk de held uithangt. We zullen het nooit weten wat er in het hoofd van vaandrig Evertse omgaat als hij zijn versie van het verhaal laat optekenen door een militaire commissie. In de ogen van mijn vader maakt het allemaal niet uit. Vaandrig Evertse kan niet meer stuk, zijn leven lang niet.
De man en zijn verhaal worden nog even aangeraakt als we samen naar de Grebbeberg rijden. Het is ergens begin jaren negentig en er is een herdenking op de Grebbeberg. Ik stel voor dat het misschien een goed idee is daar eens te gaan kijken. Het wordt een teleurstelling. Hij herkent niets. Alles is zo veranderd. Dat geldt niet alleen voor de omgeving, maar ook voor de oude mannen die er rondlopen. Een paar keer is er iemand die kijkt en dan nog een keer kijkt. Even lijkt er een zweem van herkenning, maar de stap maken van die jonge man van net in de twintig tot de man van dik in de zeventig blijkt te groot. Dat geldt wederzijds. Na een uur houdt hij het voor gezien. In stilte rijden we terug. Onderweg probeer ik hier en daar nog een aanknopingspunt te vinden. De aanblik van het landschap echter correspondeert nergens met wat er in zijn hoofd nog rest aan beelden. Je kunt erop wachten tot ook hij zich bedient van de zin waarin spijt zich verschuilt achter berusting: ‘Ach, het is allemaal al zo lang geleden.’
80 - Johan en een dienstmakker op soort van statiefoto tijdens hun militairenummer in 1937Het heeft iets onwerkelijks, die eerste dagen in mei 1940. Zeker als je dat legt naast de kennis van nu. Hoewel verwacht, komt het toch nog onverwacht. Vroeg in de morgen op 10 mei 1940 verschijnen de eerste Duitse soldaten in Doetinchem. Kort daarvoor klinkt er een knal. De brug over de Oude IJssel is ondermijnd en wordt eruit geblazen. Nederland geeft zich niet zomaar gewonnen. Niet zelden gebeurt dat ronduit knullig. Hoewel er in die eerste dagen geen Duitse militair de oversteek via ’s Heerenberg naar Doetinchem maakt, moet toch die brug eruit. De explosie levert ook het eerste en voor zover bekend enige slachtoffer op dat in Doetinchem valt. Het betreft reservekapitein Voltelen. Een brug opblazen is niet ongevaarlijk, zeker ook niet voor degene die daar de leiding over heeft. Vijf jaar later en op nagenoeg dezelfde plek doen rondvliegende scherven en puin hetzelfde met Coba. Ondertussen trekken de Duitse troepen via Terborg en Gaanderen richting Doetinchem. Daar rijden ze door de stad en komen zo op de Keppelseweg, die leidt naar Doesburg. Daar zal de eerste confrontatie plaatsvinden. In het boek ‘Doetinchem in oorlogstijd’ beschrijft Inge Volker verschillende reacties van ooggetuigen. Die zijn vooral verbaasd over de voorbodes van het Duitse leger op de straten. De vroege vogels horen op die 10e mei op weg naar hun werk allerlei ongewone geluiden. Het blijken explosies. Tegelijkertijd zien ze hoe boeren op hun land onverstoorbaar doorgaan met hun werk. Rond zeven uur in de ochtend trekken de eerste gemechaniseerde troepen door Doetinchem. Duitse officieren zouden verbaasd zijn geweest dat er geen juichende massa’s staan die hen verwelkomen. Dat is althans de conclusie die Inge Volker trekt. Net als zij was ik er niet bij. Maar interessant is vooral dat die mensen zich zo onbeschermd aan de kant van de weg begaven. Wat je niet kent, boezemt kennelijk ook nog geen angst in. De onbekendheid met het fenomeen oorlog zal zeker meegespeeld hebben. Maar nieuwsgierigheid is sterker dan de eventuele angst. Het zorgt ervoor dat mensen van elders in Doetinchem wonen, speciaal hiernaar toe komen om te kijken naar het voorbijtrekkende circus. Alsof het een wielerkaravaan betreft. Hebben we hier te maken met een eerste variant van bermtoerisme! Staat ook Sientje daar aan de weg? Als ze die dag aan het werk is, hoeft dat niet. Het huis van de familie Van Zadelhoff aan de Keppelseweg staat al eerste rang. Na de stoottroepen volgt een onafzienbare stoet aan materieel en mensen, vaak vervoerd op paard en wagens. Het duurt tot diep in de nacht. Ook vanwege de paar uur oponthoud dat de troepen lopen bij Doesburg. Daarna trekt de meute door richting Grebbeberg.
Ik stel me voor hoe de discussie diezelfde ochtend verloopt in het huis aan de Cronjéstraat. Oom Henk Keizer hoort van de Duitse inval en pakt onmiddellijk zijn plunjezak. Hij wil zo snel mogelijk op de trein richting Den Helder. Als enige zoon van de familie Keizer zat hij ergens rond 1923 in militaire dienst. Hij was er matroos op een marineschip. Echtgenoot Hentje en zoon Henk, dan 9 jaar oud, maken hem echter duidelijk dat hij niet ver zal komen. Er zullen vast geen treinen rijden, zeggen ze en ze hebben daarmee een vooruitziende blik. De brug bij Westervoort ligt eruit en ook op verschillende andere plekken is het spoor geblokkeerd.
Heeft Coba die ochtend de reis van Arnhem naar Doetinchem gemaakt? Vrijwel zeker van niet. Waarschijnlijk zal ze onverrichter zake naar huis zijn teruggekeerd. Het kan ook zijn, daar zijn namelijk aanwijzingen voor, dat ze op dat moment op een adres in Doetinchem woonde. Gedurende verschillende periodes tijdens de oorlog woont ze zelfstandig op een kamer in de stad. Dat bespaart haar het heen en weer reizen naar Arnhem. Makkie kan zich niet herinneren of dat ook op 10 mei 1940 het geval is geweest. Wel weet ze nog steeds dat je in hun wijk Heijenoord, waarin de Hertshoornstraat ligt, niets merkte van Duitse troepenbewegingen. Die trekken om Arnhem heen. Kort daarna kom je in de stad overal Duitse soldaten tegen. Ze vieren daar hun verlof en zijn vooral uit op contact met de Nederlandse meisjes. Kennelijk ligt Arnhem ver genoeg weg van het front, want het geluid van vuurwerk en kanongebulder weet die twintig kilometer niet of nauwelijks te overbruggen. Met dank aan de bossen en het heuvelachtige landschap. Ze wekken de illusie van een geluidloze bezetting. Nee, dan ruim vier jaar daarna. Toen werd het pas echt oorlog.
In Doetinchem heerst in de zomer van 1940 een vergelijkbaar gevoel, zeker als in juni van dat jaar de eerste krijgsgevangenen terugkeren van hun verblijf uit de Duitse kampen. In de toenmalige sociëteit is het een drukte van belang. Van daaruit worden de voormalig Nederlandse soldaten in hun plotseling te ruim zittende uniform vrijgelaten in hun bezette vaderland. De thuis wachtende familie en geliefden zijn er niet minder blij om. Ze hebben het overleefd. De opluchting daarover laat hen even die paar maanden ellende die achter hen ligt vergeten. De Grebbeberg was geen pretje, kamp Neubrandenburg evenmin. Maar het leven gaat verder, met of zonder krassen op hun ziel.

PRINSEN OP WITTE SCOOTERS

Angeline Schoor, geboren en opgegroeid in Haarlem, woont met haar zoon en twee ratten op een van de Zuid-Hollandse eilanden. In het dagelijks leven is zij leidinggevende binnen de gemeente Rotterdam. Daarnaast is zij singer/ songwriter en treedt zij zo nu en dan op, met haar harp of met gitaarbegeleiding van haar zoon. In de tijd die overblijft, reist zij zo veel mogelijk.
Fragment uit Prinsen op witte scooters: Dag 12 in Hué
Omdat ik vanmiddag met het meisje van het hotel op de scooter meega op een stadstoer langs alle oudheden en ik vanavond in de nachtbus naar Hanoi stap, wil ik de ochtend rustig houden. Ik blijf in bed tot een schandelijke zeven uur. Na de stoepsoep wandel ik kalm door de verzengende zon over een van de bruggen en strijk neer op een bankje in een park aan de westelijke oever. Het bankje staat onder een grote boom die vol zit met trossen groene vruchten, ongeveer als trostomaatjes, dicht tegen de stam. Twee grote hagedissen achtervolgen elkaar over de takken. Er komt een jongeman op een scooter aangereden. Aan zijn stuur hangt een pak waarover een zwarte doek hangt. Hij stapt af, neemt het pak voorzichtig van het stuur en verwijdert de doek. Er zit een houten kooitje met een kleine zangvogel in. Er hangen bakjes met eten en water aan de tralies en het geheel ziet er verzorgd uit. Met het kooitje in de hand klimt hij in de boom en hangt het aan een van de takken. Dan vertrekt hij weer. Ik begrijp de bedoeling van deze handeling niet. Misschien is het een religieus ritueel. Ik hoop in ieder geval niet dat het arme vogeltje hier nu moet blijven hangen en verkommeren. Een goed half uurtje later is de jongen terug. Hij klimt weer in de boom, haalt het kooitje eruit, plooit de zwarte doek er zorgzaam omheen en hangt het aan het stuur van zijn scooter. En dan gaat hij weer. Vogel uitlaten? Het dagelijkse luchtuurtje van de huiskanarie? Hoe dan ook, ik vind zijn tedere omgang met het vogeltje ontroerend. Voor ik moet uitchecken, geniet ik nog eventjes van de koelte en het comfort van de hotelkamer. Het is een zonnige en zeer hete dag en ik zal de hele middag buiten zijn. Dat wordt heel plakkerig de bus in gaan, vrees ik. Dus nu nog snel een koude douche en airco en ventilator eventjes aan.
De hoteljuffrouw is er al als ik beneden kom. Mijn bagage wordt voor me bewaard en ik krijg thee aangeboden. Dan is het tijd voor de toer door de stad. Ze heeft een klein dames-stadsscootertje maar we passen er samen op. Ze rijdt me door stille wijken en parken en laat me vele soorten pagodes zien. Ze variëren in stijl en staat van onderhoud maar zijn allemaal mooi, verlaten en liggen in fraaie, verstilde tuinen. Het mooist en meest indrukwekkend vind ik een pagode die helemaal van kaneelhout gemaakt is. Het donkere balkendak wordt geschraagd door dikke houten pilaren en de parketvloer is glanzend gewreven tot bijna zwart. Met een sobere versiering van goud is dit werkelijk een adembenemend gezicht. Na de pagodes brengt ze me naar een wierookmaakster. Ik heb nooit geweten hoe dat gaat, maar nu zie ik dat de bamboe stokjes met een soort troffel door een stroperige massa worden geplet, terwijl er strooisel van de kaneelboom doorheen gemengd wordt. De aldus gefabriceerde wierookstokjes zijn te lang om in mijn rugzak te vervoeren, maar een pakje wierookkegeltjes past er nog wel in. Voor thuis, om bij te mijmeren in mijn tuin en me een paar momenten terug te wanen in Hué. Als afsluiter rijden we langs de westoever van de Song Huong, het deel buiten de drukte van de binnenstad. De aanblik van de rivier, verlicht door de zich naar de westelijke einder verplaatsende middagzon, onder een blauwe, met dikke cumuluswolken gewatteerde lucht, is onvergetelijk. Dat worden foto’s waar ik kaarten van kan maken. De rit eindigt bij de wereldberoemde Thien Mu pagode, een sierlijke toren die is opgebouwd uit zeven lagen met gewelfde daken die naar boven toe steeds smaller worden. Een bouwstijl die je in Nederland vaak ziet op schilderijen of parelmoerlakwerk aan de muren van Aziatische restaurants. Het is voor het eerst dat ik er een in het echt zie. De aanblik ontroert me. Wat ben ik toch een mazzelaar dat ik zo veel mag reizen en beleven.
1809 IMG_3496b, libellen boven de Song Huong (Parfumrivier) in Hué
Op weg naar het hotel deelt mijn charmante gids mij mee dat ik, voordat ze me naar de bus brengt, gebruik kan maken van de privé-badkamer van het hotel om nog even te douchen. Als ze niet aan het scooteren was, had ik haar omhelsd. Ik plak aan alle kanten en mijn kleren voelen verre van fris. Een douche voor ik de bus in ga, zal de nacht in de bus veel comfortabeler maken. Maar ze is nog niet klaar met haar dienstverlening. Tijdens mijn verblijf hebben we het over mijn reisplannen in het noorden gehad. Een bezoek van een paar dagen aan de minderheden in de omgeving van Sapa staat hoog op mijn lijstje, evenals een jungletrek. Ze heeft wat voor me zitten zoeken en kan voor een zeer schappelijke prijs vast het een en ander voor me regelen. Haar collega in Hanoi kan me daar weer verder helpen. Ik vind het een goed idee. Het scheelt me veel zoek- en uitzoektijd en ik heb vertrouwen in haar en haar connecties. Dus gaat ze voor me aan de slag. Onderweg hebben we informatie uitgewisseld over onze leef- en familieomstandigheden. Ze heeft twee jonge dochters. De oudste zit op kostschool en haar moeder zorgt voor de jongste. Zelf werkt ze zeven dagen per week. Het is niet gemakkelijk om in Hué werk te vinden en als je een baan hebt, wordt er van je verwacht dat je non-stop keihard werkt, anders kun je gaan. Voor jou tien anderen. Haar man, een oud-klasgenoot van haar, heeft geen werk in Hué kunnen vinden en werkt in Hanoi, ruim zeshonderd kilometer ver. Ze zien elkaar eens in de twee of drie maanden. Een hard leven. En dan toch zo zonnig zijn. Ik hoop dat ze commissie krijgt voor het boeken van mijn trip.
Ik verwacht dat ze me met de auto naar de bus zal brengen, gezien mijn bepakking. Maar er staat mij een zeer Aziatische ervaring te wachten. Ze reikt me de helm weer aan, we gaan op haar scootertje. Zij zit aan het stuur, mijn rugzak staat tussen haar knieën. Ik draag mijn dagrugzakje, mijn camera en een tas met bus-eten. Haar dochtertje, dat ze inmiddels hij haar moeder heeft opgehaald, zit tussen ons in. Een hele vracht voor dat kleine scootertje. Maar het gaat best goed. Handig laveert ze door de drukte en levert me ter plaatse af. Daar nemen we afscheid met de belofte dat ik een mooie recensie op de website van haar hotel zal plaatsen. De bus is maar een uur te laat. Maar de passagiers staan warm en droog op de stoep. Niemand maakt zich druk. Dit is Azië.

Artusch und Zaur

.
.
Begegnung
1. Teil (Fragment)

Tblissi hatte ihn mit roten Herbstfarben und mit einem leichten Wind begrüßt. Zaur verließ den vierten Wagon des Zuges Baku–Tblissi. Er stand auf dem betonierten Boden der Plattform und hatte seinen Kragen hochgestellt, denn er zitterte am ganzen Körper. Seine Tasche um seine Schulter gehängt, ging er langsam die breiten Treppenstufen herunter. Jedes Mal, wenn er nach Tblissi kam, stieg ihm der Geruch von Würstchen in die Nase. An diesem Tag vermischte sich jedoch der Würstchengeruch mit dem des Regens. Die Plattform war mit Pfützen übersät, die sich nicht entscheiden konnten, ob sie verdampfen oder es sein lassen sollten. In den Pfützen schwammen überall Zigarettenstummel. Auf dem Dach des Bahnhofs saßen schwarze Krähen, die so viel Lärm machten, als ob sie die Reisenden, die gerade aus dem Zug ausgestiegen waren, in einem georgischen Vogeldialekt begrüßen wollten. Ein Hund mit nur drei Pfoten humpelte sehr schnell an Zaur vorbei, sein rechtes Hinterbein war wohl von einem Zug abgetrennt worden.
Viele der Taxifahrer, die vor dem Bahnhof warteten, waren Aserbaidschaner und boten den Ankommenden auf Georgisch, Russisch, Aserbaidschanisch und merkwürdigerweise auch auf Armenisch eine billige, aber gemütliche Taxifahrt an. Die Veranstalter der Konferenz, zu der er eingeladen war, hatten ihm kein Auto geschickt. Und Zaur brauchte diesen Service auch eigentlich nicht. Seine Tasche war nicht so schwer und er hatte im Zug genug geschlafen. Nun wollte er Tblissi, das er seit einem halben Jahr nicht mehr besucht hatte, genießen und dort in Ruhe spazieren gehen, um sich die Stadt zu verinnerlichen.
Als er die Treppenstufen herunterging, standen plötzlich vor ihm Zigeuner, die ihm den Weg versperrten und ihn auf Aserbaidschanisch um Geld anbettelten. Zaur schob ein fünfzehnjähriges Mädchen beiseite und sagte:
„Leute wie euch wollte ich nicht mehr sehen. Deswegen habe ich Baku hinter mir gelassen und bin nach Tblissi gekommen. Und nun habt Ihr mich selbst hier gefunden. Wie kann ich euch nur loswerden?“
Nachdem er das gesagt hatte, ging er die Treppenstufen weiter hinab. Hinter ihm erklang die traurige und böse Stimme des Mädchens: „Scher dich nach Bayil! “
Zaur stoppte und drehte sich zu dem Mädchen um. Das Mädchen fing an zu grinsen, weil es bemerkte, dass seine Worte bei ihm eine empfindliche Stelle getroffen hatten. Die anderen sechs Zigeunermädchen lachten ihn aus und streckten ihm ihre Zungen heraus.
Zaur musterte sie mit Abscheu, schüttelte seinen Kopf und ging weiter. In den Worten des Mädchens war etwas Furchtbares gewesen, das ihm Angst machte. Was sollten diese Worte nur bedeuten? Zur Hölle gehen? Wollte sie ihm wie eine Hellseherin den Tod voraussagen? Oder wollte sie ihn verfluchen? … Daran wollte er nicht denken. So konnte er auch gar nicht denken. Die Worte des Zigeunermädchens unterschieden sich in nichts von den buddhistischen Weisheiten irgendwelcher Mönche, die das Nirwana gesehen hatten. Ihr Satz ging ihm immer wieder im Kopf herum, ohne dass er ihn verstehen konnte. Es war ein Rätsel, das ihn in seinen Bann gezogen hatte. Schließlich beschloss er, dass das Zigeunermädchen eine Hellseherin mit magischen Kräften gewesen war. Als er am Ende der Treppen angelangt war, blickte er noch einmal zurück, doch die Mädchen waren verschwunden. Sein Blut gefror.
Er schlenderte über die Straße und ließ seinen Blick umherschweifen. Der Herbst hatte mit seiner Pracht die ganze Altstadt in seine Farben getaucht. Nach einiger Zeit hatte er genug gesehen und er wollte nicht mehr weiter spazieren gehen. Er sah sich nach allen Seiten um. In zehn Metern Entfernung saß gerade ein armer Taxifahrer in einem alten gelben Schiguli 011 und las Zeitung. Zaur näherte sich dem heruntergekurbelten Fenster des Taxis und sagte: „Grüß dich Onkel! Wie viel nimmst du für eine Fahrt zur Stadthalle?“
Der Mann wurde lebendig und legte seine Zeitung neben die Gangschaltung. Da er sich sicher war, dass Zaur einsteigen würde, antwortete er selbstsicher: „Vier Lari!“
„Ich habe nicht genug Geld gewechselt!“
„Schau, mein Junge, siehst du das grüne Fenster da drüben?“
„Ja!“
„Da kannst du Geld wechseln gehen!“
Zaur dankte dem alten Mann mit einem Kopfnicken und näherte sich dem grünen Fenster. Der georgische Lari, der schon zwei Präsidenten überlebt hatte, behauptete sich seit Jahren gegen den Dollar und war immer noch eine starke Währung. Zaur ging in die hässliche Wechselstube und gab einer dicken georgischen Frau mit starkem Damenbart, die in einem schäbigen Sessel saß, 100 Dollar und sagte: „Könnten Sie das bitte für mich wechseln?“
Die Frau hielt den Schein mit ihren dicken Fingern gegen das Licht, spuckte sich auf die Fingerspitzen und fing an, die entsprechenden Scheine zusammenzuzählen. Da sie sehr langsam zählte, wurde Zaur ungeduldig. Ohne die Scheine nachzuzählen, steckte er sie schließlich in seine Tasche und ging zurück zum Taxi. Er öffnete die Hintertür des Wagens, warf seine Tasche hinein und setzte sich.
„Lass uns fahren!“
Der alte Fahrer murmelte etwas auf Georgisch und versuchte, den Motor zu starten, aber der Wagen schien den Wünschen seines Besitzers nicht folgen zu wollen. Nach zwei, drei vergeblichen Versuchen rief er „Allah, Mohammed und Ali“, drehte abermals den Schlüssel und tatsächlich fing der Motor zu stottern an. Der Wagen war bereit, loszufahren. Zaur schaute überrascht. Der Schiguli fuhr holpernd los und nahm Kurs auf das Stadtzentrum.
Zaur konnte nicht länger an sich halten: „Woher kennen sie dieses Gebet?“
„Welches Gebet, mein Junge?“
„Allah, Mohammed und Ali, das meine ich!“
Der Alte lachte und man sah seine vom vielen Rauchen gelb gewordenen Zähne: „Ach so, mein Junge, du bist wahrscheinlich aus Baku?“
„Ja, ich bin aus Baku!“
„Dieses Gebet hat mir vor langer Zeit mal ein Aserbaidschaner beigebracht. Er hatte mir damals gesagt, es würde mir Glück bringen, wenn ich das sagen würde. Obwohl das schon so viele Jahre her ist, habe ich diese Lektion nie vergessen. Jedes Mal, wenn ich in Schwierigkeiten komme, hilft es mir. Damals fuhr ich häufig nach Kvemo-Kartliye, ihr nennt diesen Stadtteil, so glaube ich, Bortschali. Ich fuhr damals ein paar Mal in der Woche die aserbaidschanischen Obstverkäufer mit meinem alten Auto zum sogenannten Teufelsmarkt in Tblissi.“ Der alte Fahrer verstummte und tätschelte das Lenkrad. „Aber weder der Wagen noch ich haben momentan die Kraft für längere Fahrten! Wir sind beide alt geworden.“
Gemütliche Georgier schlenderten über die Straße und Zaur schaute ihnen nach.
„Ich verstehe, was du sagst …“
„Mein Junge was machst du in Tblissi? Bist du hier für einen Ausflug oder für etwas anderes?“
„Ich bin hier, um an einer Konferenz teilzunehmen.“
Der Fahrer fragte: „Was für eine Konferenz? Wegen der Pipeline Baku–Tblissi–Ceyhan?“
Zaur musste grinsen. „Nein. Es geht um die Konflikte im Südkaukasus.“
Der alte Mann schüttelte seinen Kopf und schnalzte mit der Zunge. Er schaute Zaur vorsichtig aus den Augenwinkeln an und sagte: „Allah soll alle Politiker zur Hölle schicken. Das sind alles Hundesöhne, ein faules Gesindel. Was haben wir mit diesem Konflikt zu tun? Wir gehören doch alle zusammen. Wir erinnern uns nicht gerne an die Sowjetzeit, aber damals gab es wenigstens solche Konflikte nicht. Damals gab es Freundschaft und Brüderlichkeit unter den Völkern, heute ist das alles Vergangenheit …“

tbilisi

Artush en Zaur

.
.
Ontmoeting

Hoofdstuk 1 (fragment)
Tbilisi begroette hem met een fraaie nazomer en een vriendelijk briesje. Zaur stapte vanuit de vierde wagon van de trein van Bakoe naar Tbilisi het smerige, betonnen perron op. Hij zette de kraag van zijn jasje op en huiverde even. Met de plunjezak en de laptop over zijn schouder, baande hij zich een weg naar de brede trap die naar de uitgang leidde. Elke keer dat hij deze stad bezocht, kwam hem de geur van oosters gekruide worstjes tegemoet. Ook vandaag weer. Sigarettenpeuken dreven als schepen met geheven witte zeilen in de plassen op het perron, onder het bleke licht van de zon die eruit zag als een Acharuli khachapuri. Op het dak boven het perron zat een rij kraaien brutaal te krassen, alsof ze de reizigers begroetten in een vogelvariant van het Georgisch. Een hond met drie poten rende langs Zaur; waarschijnlijk was hij de vierde kwijtgeraakt onder een trein.
De norse taxichauffeurs bij het station waren hoofdzakelijk Azerbeidzjanen. In het Georgisch, Russisch, Azerbeidzjaans en zelfs in het Armeens, beloofden ze op luidruchtige wijze uitstekende en heel goedkope ritten. De organisatoren van het congres hadden geen auto gestuurd om hem af te halen, maar die had Zaur ook niet nodig. Hij had maar weinig bagage en in de trein had hij kunnen slapen. Hij vond het wel prettig om een eindje te lopen en de sfeer van Tbilisi op te snuiven, want zijn laatste bezoek aan de stad was alweer een half jaar geleden. Hij wilde zijn spirituele band met de stad vernieuwen.
Zodra hij een voet op de trap had gezet, werd hij omringd door zigeuners die allemaal tegelijk in het Azerbeidzjaans om geld begonnen te bedelen. Zaur duwde een meisje van een jaar of vijftien van zich af.
‘Ik ben uit Bakoe vertrokken om bij jullie uit de buurt te zijn en nu achtervolgen jullie me zelfs hier! Waar moet ik dan in ’s hemelsnaam naartoe om jullie te ontlopen?’
Terwijl hij dat zei en de trap afliep, hoorde hij de boze, spottende stem van het zigeunermeisje. ‘Ga jij maar naar Bayil!’
Zaur bleef staan en keek om. Ze zag de reactie van de gierige jongeman, barstte in lachen uit en trok grimassen naar hem. Haar zes vriendinnen lachten met haar mee en de meisjes, die als zeven druppels water op elkaar leken, draaiden zich gierend en met uitgestoken tong om.
Zaur keek ze even na, alsof hij het beeld wilde vastleggen in zijn geheugen, draaide zich toen abrupt om en liep de trap af. Er had iets dreigends geklonken in de woorden van het meisje. Wat betekende het? Wat was het? Een waarschuwing, een teken dat hij voorzichtig moest zijn? Of had de zigeunerin een vloek over hem uitgesproken? Iets waar geen kruid tegen gewassen was? Haar opmerking was net zo vreemd als de koans4 van boeddhistische monniken die het nirvana bereikten. Nu was hij gedwongen zich het hoofd te breken over die zin tot hij wist wat het betekende. Haar woorden waren een geheimzinnig raadsel, voor hem alleen bedoeld. Hij maakte zichzelf wijs dat het zigeunermeisje een helderziende was. Toen hij de laatste tree bereikte, keek hij weer om. De zigeunerinnen waren nergens meer te bekennen. Zijn goede humeur ook niet.
Zaur stapte naar buiten. De warme nazomer omarmde de oude stad. De hemel leek met de aarde te versmelten. Zijn zin in een wandeling was verdwenen. Zaur keek om zich heen. Tien meter verderop zat een oudere taxichauffeur in zijn aftandse gele Zhiguli de krant te lezen. Zaur boog zich naar het halfopen raampje en zei: ‘Goeiemiddag. Wat kost een ritje naar het stadhuis?’
De chauffeur schoot overeind en legde zijn krant op het dashboard. Zijn beroepsintuïtie zei hem dat Zaur vast en zeker voor zijn wagen zou kiezen. ‘Vier lari,’ zei hij zelfverzekerd.
‘Ik moet nog geld wisselen.’
‘Zie je dat groene loket daar?’
‘Ja.’
‘Daar kun je wisselen.’
Zaur knikte dankbaar en haastte zich naar het groene loket. De Georgische lari hield al jaren stand tegenover de dollar en de koers stond al twee regeringen lang op twee tegen een. Zaur schoof een biljet van honderd dollar naar een dikke vrouw met een snor, die in een haveloze stoel in de kleine cabine zat.
‘Ik wil dit graag wisselen.’
De vrouw hield het biljet tegen het licht, spuugde op haar vingers en begon lari uit te tellen. Ze telde langzaam. Zaur werd er zenuwachtig van. Toen ze klaar was, pakte hij het geld, stopte het zonder het na te tellen in zijn portemonnee en rende terug naar de taxi. Hij trok het achterportier open, legde zijn bagage op de achterbank en stapte zelf voorin.
‘Rijden maar.’
Terwijl hij probeerde de motor te starten, mompelde de chauffeur iets in het Georgisch. De motor was minstens even oud als de bestuurder; hij had nukken en leek er weinig voor te voelen de bevelen van de chauffeur op te volgen. Na een paar vergeefse pogingen zei de man ineens: ‘Alla, Muhammed, ya Ali’ en draaide de sleutel nogmaals om. De motor begon te grommen. Zaur kon zijn ogen niet geloven. De Zhiguli kwam in beweging en reed weg richting centrum.
Zaur kon zich niet bedwingen. ‘Hoe komt het dat u dat gebed kent?’
‘Welk gebed, jongen?’
‘Alla, Muhammed, ya Ali.’
De oude man lachte zijn door de tabak vergeelde tanden bloot.
‘Aha, je komt uit Bakoe, begrijp ik?’
‘Ja, dat klopt.’
‘Ik heb het gebed van een Azerbeidzjaan geleerd. Die zei dat alles in orde komt als je het gebed zegt voor je de weg opgaat. Het is al jaren geleden, maar ik heb de woorden altijd onthouden. Het gebed heeft me al heel wat keren geholpen. Vroeger ben ik vaak naar Kvemo Kartli, jij noemt dat Borchali, gereden in deze zelfde auto.’ Hij klopte goedkeurend op het stuur. ‘Dan bracht ik Azerbeidzjanen terug naar Borchali, vanaf de Sataanse Bazaar, waar ze fruit verkocht hadden… Nu zijn deze auto en ik niet sterk genoeg meer voor zo’n lange reis. We zijn allebei oud geworden.’
Zaur bekeek de luie Georgiërs die over de trottoirs slenterden.
‘Ik begrijp het…’
‘En jij, jongen? Ben je naar Tbilisi gekomen voor wat vertier?’
‘Er is hier een congres.’
‘Een congres? Over de pijpleiding?’
‘Nee, over de conflicten in het zuiden van de Kaukasus.’
De oude man schudde zijn hoofd en klakte met zijn tong. Hij wierp Zaur een zijdelingse blik toe.
‘Verdomde politici! Schoften zijn het, die mensenlevens op het spel zetten. Dacht je dat wij die oorlog gewild hebben? Alle republieken hebben eronder te lijden. Tegenwoordig vinden we die oude Sovjet-tijden maar niks. Afschuwelijk, onmenselijk. Maar destijds hadden we zulke problemen niet! Er was vriendschap, broederschap tussen de volken. En moet je nu eens zien…’

tbilisi