Site-archief

MUZIEK VAN WIND EN WATER

Angeline Schoor, geboren en opgegroeid in Haarlem, woont met haar zoon en twee ratten op een van de Zuid-Hollandse eilanden. In het dagelijks leven is zij leidinggevende binnen de gemeente Rotterdam. Daarnaast is zij singer/ songwriter en treedt zij zo nu en dan op, met haar harp of met gitaarbegeleiding van haar zoon. In de tijd die overblijft, reist zij zo veel mogelijk.
Fragment uit Muziek van wind en water: Dag 15 in Dunvegan, Oldest Bakery of Skye
Omdat mijn kamer op het oosten ligt, kan ik tegen vijf uur vaststellen dat de zon schijnt. Hé, dat is leuk. Ik vond de regendag helemaal niet vervelend, maar met droog weer en een beetje zon kan ik Leana weer eens mee op pad nemen. Ik ben een wandeling van plan op een uitsteeksel van Waternish. Als ik Stuart daarover informeer bij het dagelijkse doornemen van de plannen, zegt hij dat in een dorpje daar vlakbij een pub is waar regelmatig jamsessies zijn met aanvliegende muzikanten. Hij zal eens even kijken of dat vandaag ook zo is. Even later komt hij me stralend vertellen dat er vanavond een sessie is. Dat moet dan zo zijn. Ik weet nog niet of ik er ga landen, maar Leana gaat in ieder geval mee.
De echte fairy pools liggen min of meer op de route. Het zou toch jammer zijn er vlak langs te rijden zonder een poging te ondernemen om ze te zien. Ik kan het altijd proberen en als het te druk is, ben ik zo weer weg. Bovendien gaat de weg een eindje de Cuillin Mountains in en die wil ik graag zien, al kom ik er vandaag niet toe ze te bewandelen. Als ik bij de fairy pools kom, staan er wel wat auto’s op de parkeerplaats, maar het is niet vol. Het pad is tot aan de pools helemaal te overzien. Verlaten is het niet, maar ook niet afgeladen met de drommen mensen waar ik zo slecht tegen kan. Laat ik maar eens gaan kijken dan. Het duurt een dik half uur om er te komen, met een steile afdaling en daarna weer omhoog. Ook dit natuurverschijnsel bestaat uit een rivier die met watervallen trapsgewijs van de Cuillin Mountains af komt. De poelen die daarbij zijn ontstaan, zijn talrijker en dieper dan die ik gisteren heb gezien en inderdaad van een indrukwekkende schoonheid. Feeën zie ik niet, daarvoor zijn er net even te veel mensen. Maar dat geeft niet, die heb ik gisteren al ervaren. Vanavond, als iedereen weg is, komen ze vast terug. Dat kan haast niet anders op een plek als deze. Ik volg het pad omhoog langs de poelen. Hoe hoger ik kom, hoe minder mensen er zijn. Ik ben toch blij dat ik gekomen ben. Deze plek mist weliswaar door de bezoekers de magie die ik graag opzoek, maar is toch te mooi om overgeslagen te worden.
Als ik omkeer om aan de terugtocht te gaan beginnen, zie ik dat de parkeerplaats mudvol gelopen is. De auto’s stromen er zelfs overheen, tot op de smalle weg. Dat heb ik dan weer mooi uitgekiend, wegwezen nu. Als ik er bijna ben, komt me een ontzettend dikke mevrouw tegemoet. Ze is gehuld in een weinig flatteuze broek en felgekleurde trui. Ze heeft een hoedje met een slappe rand en een grote zonnebril op. Haar armen rinkelen van de armbanden. Aan een lijn voert ze twee Yorkshire terriërs met zich mee. Het is zo’n lijn die zich een meter voor het einde splitst en dan verder loopt naar een tuigje in stemmig Schots ruitpatroon voor ieder slachtoffer, zodat ze wel min of meer vrij kunnen bewegen maar steeds tot elkaar veroordeeld blijven. De hondjes zijn netjes geborsteld en het haar op hun kop zit met een strik vastgebonden. Ach Jezus! Ik ben juist bij een overstapplaats met grote stapstenen over een stroom en ik wacht om haar voor te laten gaan. Achter haar staat ook een rijtje mensen te wachten, want dit gaat een hele onderneming worden. De mevrouw komt zelf met enige moeite aan de overkant. Nu haar kameraadjes nog. Beverig staan ze op de stapsteen. De afstand die ze al springend moeten overbruggen, is tweemaal hun lichaamslengte. Ik vermoed dat dit niet gaat lukken, zeker niet aan die lijn. De mevrouw ziet dit ook in. Moeizaam positioneert ze zichzelf zodanig dat ze met één been op de stapsteen en met één been op de kant staat. Met een ferme ruk aan de lijn zwaait ze de beide hondjes over de stroom heen, alsof ze in de zweefmolen zitten. Gelaten ondergaan ze het. Het gaat allemaal erg snel en bijna goed, alleen de landing is niet helemaal soepel. Met een plons belanden ze in de stroom. Met behulp van de lijn worden ze door de mevrouw op de kant gehesen, waarna ze zich heftig uitschudden. Hun kapsels zijn helemaal bedorven. De schater die al een tijdje in mij aan het opborrelen is, kan ik met geen mogelijkheid meer tegenhouden en hij knalt eruit. De wachtenden aan de overkant hebben zichzelf beter in de hand. Een van hen, een flegmatieke jongeman, voegt de mevrouw in het voorbijgaan op vlakke toon toe: ‘Well, they certainly look like they are enjoying themselves.’

33 - Fairy Pools, Skye

Advertenties

PRINSEN OP WITTE SCOOTERS

Angeline Schoor, geboren en opgegroeid in Haarlem, woont met haar zoon en twee ratten op een van de Zuid-Hollandse eilanden. In het dagelijks leven is zij leidinggevende binnen de gemeente Rotterdam. Daarnaast is zij singer/ songwriter en treedt zij zo nu en dan op, met haar harp of met gitaarbegeleiding van haar zoon. In de tijd die overblijft, reist zij zo veel mogelijk.
Fragment uit Prinsen op witte scooters: Dag 12 in Hué
Omdat ik vanmiddag met het meisje van het hotel op de scooter meega op een stadstoer langs alle oudheden en ik vanavond in de nachtbus naar Hanoi stap, wil ik de ochtend rustig houden. Ik blijf in bed tot een schandelijke zeven uur. Na de stoepsoep wandel ik kalm door de verzengende zon over een van de bruggen en strijk neer op een bankje in een park aan de westelijke oever. Het bankje staat onder een grote boom die vol zit met trossen groene vruchten, ongeveer als trostomaatjes, dicht tegen de stam. Twee grote hagedissen achtervolgen elkaar over de takken. Er komt een jongeman op een scooter aangereden. Aan zijn stuur hangt een pak waarover een zwarte doek hangt. Hij stapt af, neemt het pak voorzichtig van het stuur en verwijdert de doek. Er zit een houten kooitje met een kleine zangvogel in. Er hangen bakjes met eten en water aan de tralies en het geheel ziet er verzorgd uit. Met het kooitje in de hand klimt hij in de boom en hangt het aan een van de takken. Dan vertrekt hij weer. Ik begrijp de bedoeling van deze handeling niet. Misschien is het een religieus ritueel. Ik hoop in ieder geval niet dat het arme vogeltje hier nu moet blijven hangen en verkommeren. Een goed half uurtje later is de jongen terug. Hij klimt weer in de boom, haalt het kooitje eruit, plooit de zwarte doek er zorgzaam omheen en hangt het aan het stuur van zijn scooter. En dan gaat hij weer. Vogel uitlaten? Het dagelijkse luchtuurtje van de huiskanarie? Hoe dan ook, ik vind zijn tedere omgang met het vogeltje ontroerend. Voor ik moet uitchecken, geniet ik nog eventjes van de koelte en het comfort van de hotelkamer. Het is een zonnige en zeer hete dag en ik zal de hele middag buiten zijn. Dat wordt heel plakkerig de bus in gaan, vrees ik. Dus nu nog snel een koude douche en airco en ventilator eventjes aan.
De hoteljuffrouw is er al als ik beneden kom. Mijn bagage wordt voor me bewaard en ik krijg thee aangeboden. Dan is het tijd voor de toer door de stad. Ze heeft een klein dames-stadsscootertje maar we passen er samen op. Ze rijdt me door stille wijken en parken en laat me vele soorten pagodes zien. Ze variëren in stijl en staat van onderhoud maar zijn allemaal mooi, verlaten en liggen in fraaie, verstilde tuinen. Het mooist en meest indrukwekkend vind ik een pagode die helemaal van kaneelhout gemaakt is. Het donkere balkendak wordt geschraagd door dikke houten pilaren en de parketvloer is glanzend gewreven tot bijna zwart. Met een sobere versiering van goud is dit werkelijk een adembenemend gezicht. Na de pagodes brengt ze me naar een wierookmaakster. Ik heb nooit geweten hoe dat gaat, maar nu zie ik dat de bamboe stokjes met een soort troffel door een stroperige massa worden geplet, terwijl er strooisel van de kaneelboom doorheen gemengd wordt. De aldus gefabriceerde wierookstokjes zijn te lang om in mijn rugzak te vervoeren, maar een pakje wierookkegeltjes past er nog wel in. Voor thuis, om bij te mijmeren in mijn tuin en me een paar momenten terug te wanen in Hué. Als afsluiter rijden we langs de westoever van de Song Huong, het deel buiten de drukte van de binnenstad. De aanblik van de rivier, verlicht door de zich naar de westelijke einder verplaatsende middagzon, onder een blauwe, met dikke cumuluswolken gewatteerde lucht, is onvergetelijk. Dat worden foto’s waar ik kaarten van kan maken. De rit eindigt bij de wereldberoemde Thien Mu pagode, een sierlijke toren die is opgebouwd uit zeven lagen met gewelfde daken die naar boven toe steeds smaller worden. Een bouwstijl die je in Nederland vaak ziet op schilderijen of parelmoerlakwerk aan de muren van Aziatische restaurants. Het is voor het eerst dat ik er een in het echt zie. De aanblik ontroert me. Wat ben ik toch een mazzelaar dat ik zo veel mag reizen en beleven.
1809 IMG_3496b, libellen boven de Song Huong (Parfumrivier) in Hué
Op weg naar het hotel deelt mijn charmante gids mij mee dat ik, voordat ze me naar de bus brengt, gebruik kan maken van de privé-badkamer van het hotel om nog even te douchen. Als ze niet aan het scooteren was, had ik haar omhelsd. Ik plak aan alle kanten en mijn kleren voelen verre van fris. Een douche voor ik de bus in ga, zal de nacht in de bus veel comfortabeler maken. Maar ze is nog niet klaar met haar dienstverlening. Tijdens mijn verblijf hebben we het over mijn reisplannen in het noorden gehad. Een bezoek van een paar dagen aan de minderheden in de omgeving van Sapa staat hoog op mijn lijstje, evenals een jungletrek. Ze heeft wat voor me zitten zoeken en kan voor een zeer schappelijke prijs vast het een en ander voor me regelen. Haar collega in Hanoi kan me daar weer verder helpen. Ik vind het een goed idee. Het scheelt me veel zoek- en uitzoektijd en ik heb vertrouwen in haar en haar connecties. Dus gaat ze voor me aan de slag. Onderweg hebben we informatie uitgewisseld over onze leef- en familieomstandigheden. Ze heeft twee jonge dochters. De oudste zit op kostschool en haar moeder zorgt voor de jongste. Zelf werkt ze zeven dagen per week. Het is niet gemakkelijk om in Hué werk te vinden en als je een baan hebt, wordt er van je verwacht dat je non-stop keihard werkt, anders kun je gaan. Voor jou tien anderen. Haar man, een oud-klasgenoot van haar, heeft geen werk in Hué kunnen vinden en werkt in Hanoi, ruim zeshonderd kilometer ver. Ze zien elkaar eens in de twee of drie maanden. Een hard leven. En dan toch zo zonnig zijn. Ik hoop dat ze commissie krijgt voor het boeken van mijn trip.
Ik verwacht dat ze me met de auto naar de bus zal brengen, gezien mijn bepakking. Maar er staat mij een zeer Aziatische ervaring te wachten. Ze reikt me de helm weer aan, we gaan op haar scootertje. Zij zit aan het stuur, mijn rugzak staat tussen haar knieën. Ik draag mijn dagrugzakje, mijn camera en een tas met bus-eten. Haar dochtertje, dat ze inmiddels hij haar moeder heeft opgehaald, zit tussen ons in. Een hele vracht voor dat kleine scootertje. Maar het gaat best goed. Handig laveert ze door de drukte en levert me ter plaatse af. Daar nemen we afscheid met de belofte dat ik een mooie recensie op de website van haar hotel zal plaatsen. De bus is maar een uur te laat. Maar de passagiers staan warm en droog op de stoep. Niemand maakt zich druk. Dit is Azië.

OP ZOEK NAAR MAGIE

Angeline Schoor, geboren en opgegroeid in Haarlem, woont met haar zoon en twee ratten op een van de Zuid-Hollandse eilanden. In het dagelijks leven is zij leidinggevende binnen de gemeente Rotterdam. Daarnaast is zij singer/ songwriter en treedt zij zo nu en dan op, met haar harp of met gitaarbegeleiding van haar zoon. In de tijd die overblijft, reist zij zo veel mogelijk.
Fragment uit Op zoek naar Magie: Dag 6 in Ennistimon
Het is me de avond wel. Ik heb gehoord dat de muziek om half tien begin en bedenk dat het een goed idee is om een kwartier ervoor Leana al vast te halen, zodat ik me met haar ergens verdekt op kan stellen. Zodra ik met haar aan mijn schouder binnenkom, gaat er in de pub een licht gejuich op: ze denken dat de muzikanten binnen komen. Dat was niet de bedoeling. Ik trek me zo onopvallend mogelijk terug in een hoek en frommel Leana snel onder de tafel. Ondanks dat zijn er toch een paar mensen die hoopvol komen informeren of ik zo dadelijk ga optreden. Ik blijf er wat vaag over en zeg dat je het maar nooit weet. Als de muzikanten beginnen, schuifel ik onopvallend naar voren, voor zover dat mogelijk is met Leana. Ik stel haar verdekt op en verstop haar onder mijn jas. Maar lang duurt het niet, want verschillende omstanders dringen er zachtjes maar toch met enige klem op aan dat ik meedoe. Juist op dat moment schuiven twee andere dames uit het publiek bij de band aan, met gitaar en fluit. Er wordt door de omstanders zeer hoopvol naar mij gekeken. Vooruit dan maar. Ik heb Leana tenslotte meegenomen om mee te spelen en dan zou het nu dom en laf zijn om het niet te doen. Dus vraag ik de gitarist en de toetsenvrouw of ze nog een zangeres/harpiste kunnen gebruiken en dat kunnen ze. Op het moment dat ik Leana uit de tas haal, gaat er in het publiek een luid gejuich op en op het moment dat ik mijn vingers op de snaren zet, heb ik mijn eerste applaus al binnen. Een kinderhand is gauw gevuld. Ik kies een eenvoudig drie akkoordenlied en vertel in welke toonsoort het staat. Ik begin te zingen. Leana hoor ik niet of nauwelijks, maar de gitarist komt dichtbij zitten en ondersteunt. Het publiek is lyrisch. Ik snap niet waarom, want het is een enorme herrie in de pub en ik ben nauwelijks te horen. Daarna gaat de band verder met wat Ierse reels. Ik kijk en luister een tijdje en hoor dat het allemaal twee of drie akkoordennummers zijn. Dat moet lukken, dus ik pak Leana weer. Opnieuw gaat er in het publiek een gejuich op en beginnen alle fototoestellen te flitsen en videocamera’s te draaien. Misschien ligt het aan de fraaie vormgeving van Leana of anders aan de grote hoeveelheid Guinness die hier geschonken wordt. Maar het maakt niet uit, de stemming zit er goed in. Voor ieder nummer vraag ik in gebarentaal aan de gitarist wat de akkoorden zijn en ik pingel wat mee. Het is in deze pestherrie niet te horen of ik de juiste akkoorden te pakken heb, de gitarist gebruikt een capo dus ik weet niet of hij het door hem aangegeven akkoord met of zonder verhoging bedoelt, of dat Leana zelfs maar goed gestemd staat. Het enige wat je nog een beetje kunt horen zijn de tinwhistles, maar die hoor je volgens mij nog als er een F-16 overvliegt. Later die avond zingt de oude man die in de band de trekzak bespeelt nog een prachtig Gaelic lied, met een mooi en gevoelig timbre en die typische Keltische stembuiging. Daarna gaat er nog een dikke meneer uit het publiek zingen. Niet slecht, maar wel lang en liederen met heel veel coupletten. Ik moet maar eens opstappen, morgen wil ik vroeg wandelen. Ik zeg dag tegen de muzikanten en het publiek knikt me vriendelijk toe. Nu kan ik straks thuis tegen iedereen vertellen dat ik in Ierland heb opgetreden.
Leana bij Beaghmore StonecirclesCopyright foto: Angeline Schoor

DE JUNGLE-JINGLE VAN ECUADOR

Angeline Schoor, geboren en opgegroeid in Haarlem, woont met haar zoon en twee ratten op een van de Zuid-Hollandse eilanden. In het dagelijks leven is zij leidinggevende binnen de gemeente Rotterdam. Daarnaast is zij singer/songwriter en treedt zij zo nu en dan op, met haar harp of met gitaarbegeleiding van haar zoon. In de tijd die overblijft, reist zij zo veel mogelijk.
Fragment uit De Jungle-Jingle van Ecuador: Dag 9 in Yarina
Voor Amazonasbegrippen is het een koele en frisse ochtend. Het heeft dan ook de hele nacht ferm geregend. Het is hooguit een graad of dertig en mijn kleren zijn minder klam en stinkerig dan gisteren. Of ik begin aan de stank te wennen, dat kan natuurlijk ook. Voor het ontbijt lig ik nog wat in de hangmat, zachtjes wiegelend in het gazige ochtendlicht. Damp stijgt op uit de boomkruinen. In een grote boom recht tegenover mijn veranda is het een gekwetter van jewelste. Er huist een grote groep toekans en ik zie ze steeds, die enorme slabak voor zich uit dragend, sierlijk door de bomen zweven.
Na het ochtendvoederen gaan we opnieuw met zijn vijven ter kano. We volgen de Rio Manduro nu stroomopwaarts, op zoek naar slangen en kameleons. Die zien we vooralsnog niet. Wel veel vogels en een paar apen. Hemelsblauwe vlinders, zo groot als mijn beide handen, fladderen in groten getale vlak langs de kano. We komen bij een splitsing van de Rio Manduro en de Rio Pandaro. Het water van deze rivier is donkerder dan dat van de Rio Manduro en de duidelijk zichtbare scheiding van beide kleuren water ziet er fascinerend uit, alsof je op een glas café macchiato vaart. Na een uurtje van geruisloos glijden over de rivier meren we aan voor een wandeling. Het pad is goed begaanbaar, al moeten we zo nu en dan uitwijken voor spinnenwebben als wagenwielen, waarin spinnen van handformaat hangen. Eén keer let ik niet goed op en kom ik toch in de draden terecht. Tot mijn verbazing breken ze niet, maar veer ik terug. Met deze spin ga ik geen ruzie zoeken. Jammer genoeg duurt de wandeling niet lang, want Mike, de jonge Amerikaan uit ons groepje, voelt zich niet lekker en moet vreselijk overgeven. Het is maar goed dat ik, als doorgewinterd moeder zijnde, altijd natte doekjes bij me heb. Die zijn nu zeer welkom. We achten het niet verstandig om met een groepslid in die gesteldheid verder te wandelen, dus keren we op onze schreden terug om de ongelukkige terug te brengen naar de lodge. Misschien helpt een uurtje rust en iets kalmerends voor de maag. Het goede nieuws is dat Deniz en Pauline mij nu alleen meenemen de rivier op, om vogels te kijken. We zien er erg veel. En niet alleen dat. Vlakbij de oever, op een grote struik met donkergrijze takken en groen blad, zit een kameleon van ruim een meter lang. Ondanks zijn enorme afmeting en een kop die zo groot is als de grootste van mijn twee ratten, duurt het even voordat ik hem zie, want hij heeft exact de kleur van de takken aangenomen. Een indrukwekkende broeder. Eenzelfde truc wordt uitgevoerd door een grote uilachtige vogel die in een boom met een lichte stam zit. Zijn verenkleed heeft dezelfde kleur en tekening als de bast. Hij beweegt niet of uiterst langzaam en is bijna niet te zien. Dat maakt deel uit van zijn plan, want hij loert op insecten die argeloos te dichtbij komen. Hap! Ik zie het hem doen. Boven de rivier scheren grote ani’s, blauwe vogels die qua vlucht een beetje op papegaaien lijken en de bomen zitten vol met oropendolo’s. Dit zijn favorieten van mij. Ze zijn ongeveer zo groot als een flinke ekster en hebben zwart met gele veren. Als ze vliegen, spreiden ze hun gele staart wijd uit. Maar het leukste van deze vogels vind ik het klokkende, viertonige wijsje dat ze voortbrengen. Je hoort het overal en de hele dag door, als een soort jungle-jingle.
013 - 12 juni Coca; eerste blik op de Rio NapoCopyright foto: Angeline Schoor
Het is nog geen lunchtijd als we weer afmeren aan de steiger. Ik wil best het bos nog even in en vraag Deniz of ik het pad van gisteravond veilig alleen kan bewandelen. Volgens hem is het meestal veilig, kan ik er op komen door achter de apenboom het bos in te gaan en steeds links te houden. Best spannend, zo in je eentje. Ik ga niet al te ver, want er zijn toch andere zijpaden en ik wil niet verloren lopen. Verder goed uitkijken natuurlijk waar ik mijn voeten zet en als ik steun zoek, controleer ik eerst of ik niet per ongeluk iemand vastgrijp die mij de hand af zou kunnen bijten. Het gaat allemaal goed en met een aardige buit aan foto’s, vooral van exotische bloemen en paddenstoelen, kom ik weer veilig bij de apenboom het bos uit.
Rond het middaguur barst de regen weer los en als het 15.00 uur is, het tijdstip waarop we naar een observatietoren hoger op de berg gaan wandelen, regent het nog steeds. Ik vertrouw echter op de goede relatie die ik doorgaans met lokale weergoden heb en dat is terecht, want na een klein half uurtje is het droog genoeg om te vertrekken. Voor deze ene keer laat ik Kenny, mijn trouwe spiegelreflexcamera die meegaat op al mijn reizen, achter. De stakker heeft het al zo zwaar in al het vocht en dan neem ik hem niet mee in een regenbui die nog niet helemaal over is en misschien nog terugkomt. Alleen met Deniz en Pauline – Mike en Niza zijn na de lunch vertrokken – glibberen we weer het modderige oerwoud in. Ook vandaag heeft Deniz van alles te vertellen over wat het bos levert. Er is een boom waarvan de schors te gebruiken is tegen malaria en eentje waarvan je het binnenste van de bast kunt kloppen tot vezels waar je kleding van kunt maken. Een andere boom levert noten die zo hard zijn dat je er knopen van kunt snijden. Je kunt hier je hele garderobe bij elkaar verzamelen. Deniz wijst op een niet al te grote boom, meer een struik eigenlijk, en vertelt dat dit een limoenmierenboom is. Met zijn machete hakt hij een tak af waar een verdikking in zit. Hij snijdt het dikke stuk open en kijk, er blijken inderdaad mieren in te huizen. Hij haalt zijn vinger er door, steekt er een paar in zijn mond en biedt Pauline en mij de tak aan. Pauline heeft het al eens geprobeerd en zegt dat het meevalt. Ach, veel niet-Nederlanders gruwen van drop en haring, dus waarom zou ik mijn neus ophalen voor dit lokale gerecht? Het is maar net wat je gewend bent. Ik veeg wat mieren op mijn vinger en eet ze op. De smaak verrast me volkomen. Die is sterk en zoetzuur. Heel lekker, als een zuurtje van goede kwaliteit. Ik lust best nog wat. Samen snoepen we de tak leeg.
Het is ongeveer anderhalf uur soppen naar de observatietoren. Inmiddels is het helemaal droog en zelfs zonnig geworden, dus ik heb erge spijt dat ik Kenny niet bij me heb. Dat wordt nog erger als ik bovenop de toren sta. Het uitzicht is op zijn minst indrukwekkend te noemen. Rondom en onder de toren, die Deniz overigens in zijn eentje gebouwd heeft, strekken de kruinen van de oerwoudreuzen zich uit, sommige vol met bloemen. Het bos dampt hevig na de recente regenval. In de verte is de Rio Napo te zien. Dit schreeuwt gewoon om een fotoserie. Pauline en Deniz leven mee met mijn cameraleed en beloven me morgen weer hier te brengen voor een herkansing. Vogels zien we wel, maar niet veel. Kennelijk zitten ze nog in hun regenschuilplaatsen te wachten tot ze zeker weten dat het nu echt even droog blijft. Deniz heeft inmiddels beneden een palmblad en wat losse vezelbladen gehaald. Binnen tien minuten knutselt hij hiervan een rugzakje. De Kichwa gebruiken dit soort draagzakken om geschoten wild in te vervoeren zodat ze de handen vrij hebben voor de voortzetting van de jacht. Het is zo verschrikkelijk knap gemaakt dat al onze westerse fabrieksspullen hier kaal tegen afsteken. Ik krijg de rugzak ten geschenke en neem me voor er heel zuinig op te zijn en mee naar huis te nemen.
Bergafwaarts, op de terugweg, tref ik op de grond een soort bloemachtige vruchten aan, met een stervorming hart en ronde punten vanuit het midden. Ik vraag naar eetbaarheid en gebruik ervan. Eetbaar zijn ze niet, maar wel bruikbaar voor versiering van kleding. Deniz snijdt met zijn machete het bovenste deel van de vrucht af en wacht even. Een vuilwit vocht verschijnt op de snijvlakken. Hij vraagt mij op welke plaats hij een stempel op mijn kleren kan zetten en vertelt erbij dat het er waarschijnlijk nooit meer uit zal gaan. Ik wijs op mijn oude tuinbroek. Die is inmiddels zo smerig en verspreidt zo’n ranzige lucht dat je er een dikke, voedzame soep van kunt koken en kan dus wel wat versiering gebruiken. Op beide benen komt een stempel die er uit ziet als een bloem. Heel mooi en bijzonder origineel. Als straks thuis modder, vuil en stank er uitgewassen zijn, is deze broek een prachtstuk!
Omdat we hebben gewacht tot het droger werd, zijn we later vertrokken dan we van plan waren en begint het nu al wat te schemeren. Ik vind dat niet erg, want ik hou wel van wandelen in een schemerig oerwoud en ik vertrouw blindelings op Deniz. Dat blijk terecht als we de weg naar huis versperd vinden door de Rio Manduro, die door de regenval van de afgelopen nacht en middag razendsnel is gestegen. Deniz kent een alternatieve route. We moeten wel een flink stuk door vrij diep water waden, maar dan stijgt de grond weer en wordt het pad beter begaanbaar. Niet ver van de lodge treffen we in de modder het spoor van een anaconda aan. De veroorzaker ervan zien we helaas niet, al geloof ik dat Deniz dat niet zo erg vindt. Hij heeft het niet zo op anaconda’s, omdat ze gevaarlijk en onberekenbaar zijn. Ik geloof hem natuurlijk op zijn woord, maar stiekem vind ik het toch een beetje jammer. Ik had er graag een ontmoet.
017 - 14 juni Amazonas; een van de huisgenotenCopyright foto: Angeline Schoor