Categorie archief: Sport

ALS JE DE TOUR NIET HEBT GEREDEN, DEEL 3

Fred van Slogteren begon in 1996 na een carrière als copywriter en bedrijfsjournalist een tweede leven in de wielerjournalistiek. Hij werkte voor diverse kranten en tijdschriften, zoals Wieler Revue en Wielerland Magazine. Verder is hij dagelijks actief op internet met de populaire site wielersport.slogblog.nl. Van zijn hand verschenen eerder gedetailleerde biografieën van wielergrootheden als Peter Post (1998), Jan Janssen (2001), Joop Zoetemelk (2005) en Jan Raas (2009). In 2003 verscheen Wielerhelden van Oranje, het door hem geschreven jubileumboek van de toen 75-jarige KNWU.
.
.
.
196 – Bart Voskamp

* Wageningen, 06.06.1968
* Tourresultaten:
..1994: opgave in de veertiende etappe.
   1995: 113e op 3u17’41” na winnaar Miguel Indurain (Sp).
   1996: 99e op 2u31’31” na winnaar Bjarne Riis (Den) – 1 etappezege.
   1997: 98e op 3u26’27” na winnaar Jan Ullrich (Dui).
   1998: opgave in de negentiende etappe.
   2000: 115e op 3u05’17” na winnaar Lance Armstrong (VS).
Op vrijdag 25 juli 1997 kregen de rijendik opgestelde toeschouwers bij de finish in de Franse mosterdstad Dijon een van de merkwaardigste ontknopingen van een Touretappe voorgeschoteld. Op enkele honderden meters voor de streep kwamen twee renners de bocht uit. Ze hadden zich losgemaakt uit een groep van elf die een voorsprong van ruim vier minuten op het peloton had genomen. De voorste renner droeg het shirt van de Duitse ploeg T-Mobile en de ander was in het truitje van de Nederlandse TVM-formatie gestoken. Met nog ongeveer tweehonderd meter te gaan, ging de TVM-renner vanuit tweede positie de sprint aan en pakte aan de rechterkant van de weg anderhalve lengte. De man van T-Mobile leek verrast, maar zwoegde zich met een uiterste krachtsinspanning terug in het wiel. Nog voor hij langszij kon komen, stuurde de renner van TVM naar de as van de weg. Zijn medevluchter volgde als een schaduw. Tergend langzaam kwam hij langszij en vlak naast elkaar worstelden ze zich naar de streep. In de Nederlandse huiskamers gingen kreten van verbazing op toen Jens Heppner met nog enkele tientallen meters te gaan met zijn volle gewicht tegen Bart Voskamp ging aanhangen. Om niet te vallen en zonder noemenswaardig van zijn lijn af te wijken deed de Nederlander hetzelfde en als een gelijkbenige driehoek gingen ze schouder aan schouder over de streep. Het wiel van Bart iets eerder dan dat van de Duitser. Korte tijd later kwam de zakelijke mededeling dat beide werden gediskwalificeerd wegens onregelmatig sprinten. Ze werden teruggezet naar de tiende en de elfde plaats in de daguitslag met de tijd van het peloton. De Italiaan Mario Traversoni, die het sprintje van de achtervolgende groep had gewonnen, werd tot winnaar verklaard. Het was de Nederlander Martin Bruin die als voorzitter van de internationale jury het vonnis bekendmaakte. Heel Nederland viel over hem heen. Voskamp was verbijsterd, had geen idee wat hij fout had gedaan en vroeg zijn landgenoot onmiddellijk om uitleg. Hij kreeg te verstaan dat het hem na afloop van de juryvergadering aan de hand van de beelden zou worden uitgelegd.
Bart heeft een uur bij de jurykamer zitten wachten, om tot zijn verbazing te bemerken dat Bruin direct naar zijn hotel was vertrokken. Het is niet meer goed gekomen tussen de twee Nederlanders. “Ik had natuurlijk al eens een rit in de Tour gewonnen, maar met twee ritten achter mijn naam zou mijn erelijst nog net iets meer glans hebben gehad. Ik heb het hem wel vergeven, maar zal het nooit vergeten. Vooral die arrogantie om me als Jan met de korte achternaam naar de permanence te laten komen en dan zelf af te taaien vind ik respectloos, daar heb ik geen woorden voor.”
Bart Voskamp werd geboren als het tweede en jongste kind in een boerengezin. “Mijn vader was een man met een blauwe overall en laarzen, zoals boeren er uitzien. Hij was echter in dienst van het ministerie van landbouw en het melkveebedrijf met zo’n honderd koeien was een proefboerderij. Het was een boerderij als alle andere, maar er werd van alles onderzocht, zoals veevoeders, grassoorten en alles wat van belang kon zijn voor de koeien en de melkopbrengsten. Ik voelde me echter geen kind van een ambtenaar, maar een echte boerenzoon met al die koeien en geiten dagelijks om me heen. Ik hield van dieren en wilde ook boer worden, tot mijn ouders me er van overtuigden dat daar niet veel toekomst in zat.”
In plaats daarvan ging Bart naar de lts en vervolgens naar de mts in de studierichting levensmiddelentechnologie. Hij heeft het afgemaakt, maar toen hij op zeventienjarige leeftijd het diploma kreeg uitgereikt was hij al een veelbelovende wielrenner. Op twaalfjarige leeftijd werd hij door de sport gegrepen, toen hij op tv de beelden zag van de Tour de France. “Het was de Tour van 1980 en ik raakte helemaal in de ban van Johan van der Velde. Dat wilde ik ook, dat werken voor een kopman. Ik kon aardig voetballen, maar was niet de beste. In de wedstrijdjes die we als schooljongens op de fiets naar school of terug naar huis reden, wel. Dat vond ik geweldig, want ik ben best een strebertje die slecht tegen zijn verlies kan.”
Hij wilde wielrenner worden en begon bij zijn ouders om een racefiets te zeuren. Hij kreeg steun uit onverwachte hoek, want zijn twee jaar oudere zus Josine was ook door de beelden van de Tour gegrepen en wilde ook op wielrennen. Toen vader Voskamp begreep dat het geen bevlieging was, werd voor allebei een racefietsje aangeschaft. In de laagste prijsklasse, want het geld groeide hem niet op de rug. Josine en Bart gingen er enthousiast toertochten mee rijden, maar al spoedig was dat niet bevredigend. Ze wilden koersen en werden lid van Wielervereniging Ede om er twee keer per week een clubwedstrijdje te rijden.
Op de club bleek al gauw dat Bartje een talent was, want hij liet jongens die al langer lid waren en over beter materiaal beschikten direct zijn achterwiel zien. Het was een goed gestructureerde vereniging waar Bart de eerste beginselen van het wielrennen leerde. Op de weg en op de baan, want met de club ging hij ook regelmatig naar de baan in Apeldoorn. Hij doorliep spelenderwijs de jeugdrangen, vervolgens de nieuwelingen en junioren en in iedere categorie was hij goed voor tien tot twaalf overwinningen per jaar. “Ik was heel allround en hoewel tegenslag een onbekend begrip was, kon ik goed afzien. Ik was een aanvallend rennertje, kon goed tijdrijden en had wel een sprintje in huis. Ik had gevoel voor de koers, had koersinzicht en kon goed positie kiezen. Ik was geen klimmer van nature, maar door er veel op te trainen kon ik later wel redelijk omhoog. Ik heb in de Vuelta zelfs eens een bergetappe gewonnen.”
Ondanks zijn vele overwinningen heeft het lang geduurd voor hij door de ploegleiders en bondscoaches werd opgemerkt. Toen hij zijn dienstplicht vervulde en met de militaire selectie aan Olympia’s Tour deelnam, kwam Egbert Koersen, de ploegleider van Koga Miyata, op hem af. In deze sterke ploeg won hij in 1991 een etappe in de belangrijkste etappewedstrijd in eigen land en Bart beschouwt die zege als zijn mooiste bij de amateurs, vooral omdat hij twee topamateurs als Erik Dekker en Jans Koerts klopte. In diezelfde ronde won Bart tevens de tijdrit vóór toppers als Servais Knaven en Léon van Bon om in de eindstand vijfde te worden. In 1992 maakte Bart deel uit van het kwartet dat bij de Olympische Spelen in Barcelona de ploegentijdrit over honderd kilometer moest rijden. Er was op een podiumplaats gerekend, maar in de uitvoering ging er van alles mis, met een teleurstellende negende tijd als resultaat. Het werd de heren behoorlijk kwalijk genomen en bondscoach Piet Kuijs besloot Bart niet mee te nemen naar de Tour de l’Avenir. Toen er echter op het laatste moment iemand thuis moest blijven, werd Bart toch opgeroepen. Achter de Fransen Garel en Dojwa werd hij derde in de eindstand.
Omdat er geen aanbiedingen kwamen, besloot Bart dat als er geen carrière als beroepswielrenner in zat hij zich maar beter op een maatschappelijke carrière kon richten. Hij vond een baan bij de drogisterijketen Kruidvat, maar voor hij aan zijn eerste werkdag kon beginnen, kwam er het telefoontje van Cees Priem, de ploegleider van TVM. Die had met zijn ploeg ook meegedaan aan de Tour de l’Avenir en het goede rijden van Bart was hem opgevallen. Kruidvat werd afgebeld en Bart begon enthousiast aan een profcarrière die dertien jaar zou duren. Hij had het bij TVM al gauw naar zijn zin. “TVM was een hecht team met renners die wat voor elkaar over hadden en zich geen concurrenten van elkaar voelden. Er was in tegenstelling tot de ploegen van Post en Raas een losse sfeer, een vriendenploeg die na afloop van een koers een biertje met elkaar ging drinken in plaats van snel naar huis te gaan. Dat was niet geregisseerd, want het was gewoon toeval dat de karakters zo goed bij elkaar pasten. De kern van de ploeg bestond uit Blijlevens, Knaven, Den Bakker, Hoffman, Van Petegem en mijn persoontje. De Denen Skibby en Hamburger hoorden er ook bij omdat ze goed Nederlands spraken. We hebben veel gekoerst, veel gewonnen en ook veel gelachen. Een stelletje vrijbuiters waren we. Priem voelde dat aan en organiseerde in de winter altijd een mooi feestje met de vrouwen erbij.”
Bart is zeven jaar bij TVM gebleven en zijn erelijst in die periode mag gezien worden. Behalve twee keer Nederlands kampioen tijdrijden en winst in de Grote Prijs Pino Cerami staan er twee etappezege in de Vuelta en één in de Tour op. Dat hadden er dus twee moeten zijn, maar die overwinning in de laatste week van de Tour van 1997 is hem door de jury afgepakt. Een jaar eerder won hij wel een rit, ook in de laatste week. “Dan liggen er vaak kansen, omdat de meeste renners er doorheen zitten, de meeste ploegen aan hun trekken zijn gekomen en de klassementen goeddeels zijn gemaakt. Ook onze ploeg was tevreden. We hadden geen klassementsrenner, maar in Jeroen Blijlevens een topsprinter en die had zijn ritje binnen. Ik had tevoren aangestreept in welke etappes er voor mij kansen zouden zijn.”
De achttiende rit van het Spaanse Pampelune naar Hendaye was er zo eentje. Een etappe met twee colletjes van de tweede categorie. De dag ervoor was met vijf Pyreneeëncols loodzwaar geweest, maar Bart had niet hoeven te forceren. Op weg naar Hendaye zat hij in een kopgroep van twintig man. Die twee cols vielen wel tegen, maar Bart kon met enige moeite in de kopgroep blijven. De groep van nog zestien renners ging de finale in en er volgde een spervuur aan demarrages. Het ging richting de Atlantische kust en met wind van zee kwam er een groepje van vijf tot stand. Bart keek eens rond en beoordeelde Christian Henn als de gevaarlijkste klant. Hij kroop in zijn wiel en kon als enige volgen toen de Duitser de zaak op de kant gooide en vol doorging. Het was nog maar een paar kilometer toen Henn achterom keek en het seintje gaf van ‘doorrijden en de winnaar betaalt.’ Bart stemde toe, maar geloofde nauwelijks in zijn kans, zo hard trok Henn door. Hij kon niet overnemen, alleen maar volgen en als de Duitser nog één snok had kunnen geven, was hij gelost geweest. Tot hij merkte dat Henn verzwakte en hij misschien toch nog een kans had. De Duitser maakte er een lange sprint van en Bart reageerde tactisch perfect. Op het juiste moment kwam hij uit het wiel en hoefde niet eens meer voluit te gaan om Hen met lengtes te kloppen.
Wie de erelijst van Bart bekijkt, zal die zege in een Touretappe wellicht als het hoogtepunt van zijn carrière beschouwen, maar zelf voelt hij dat niet zo. “Het was in die tijd niet vreemd dat een renner van TVM een mooie overwinning behaalde. Het budget van de ploeg was bescheiden, maar door de kameraadschap in de ploeg en onze mentaliteit (‘er wordt toch niets van ons verwacht’) hebben we heel veel succes gehad. We telden mee, we waren geen onbeduidend ploegje.”
Dat was in 2002 wel anders, toen Bart met de zeer bescheiden Bankgiroloterijploeg mee mocht doen aan de Ronde van België. “Ik heb die ronde gewonnen en dat voelde voor mij toch meer als een topprestatie. Met grote ploegen als Lotto en QuickStep aan het vertrek en dan winnen als lid van een continentalploeg, vond ik wel iets bijzonders. Ik won de tijdrit en de ploeg heeft toen zo geweldig voor me gereden dat die overwinning qua beleving veel mooier was dan die Touretappe. Want neem van mij aan: iedere Belg wil de Ronde van België winnen. Daarom was dat het hoogtepunt, omdat we die zege voor de poort van de hel hebben weggesleept.”
Tegenover een hoogtepunt staat een dieptepunt en daar bestaat voor Bart geen misverstand over: “1998 was een rampjaar, met al die dopingellende waar de Tour bijna aan ten onder is gegaan. Het moest een keer tot uitbarsting komen. Iedereen, heeft in die tijd met epo te maken gehad. Ik ook. Ik heb er aan meegedaan omdat ik voor mezelf had vastgesteld dat ik niet anders kon, maar leuk was anders. Ik deed iets dat niet mocht en zo ben ik niet opgevoed. Ik had een gezin met kinderen en een hypotheek en wielrenner was mijn beroep om dat allemaal te betalen. Ik had geen alternatief en ga dan maar eens thuis en bij de bank uitleggen dat je geen geld hebt, omdat je zo nodig roomser dan de paus wil zijn.”
Het was een duivels dilemma: stoppen of meedoen met alle consequenties vandien. “Ik had natuurlijk kunnen stoppen, maar had geen idee wat ik dan moest gaan doen. Ik was er niet op voorbereid en niet meedoen was geen optie. Dat wil niet zeggen dat het een makkelijke beslissing was, want het was tegen mijn principes om vals te spelen. Maar wielrennen was mijn leven en dat liet ik me niet zo maar afpakken. De buitenwereld had geen idee wat er speelde, maar oordeelde wel. Dat maakte me kwaad. Op het moment dat je mee gaat doen, kom je in de fase dat je het voor jezelf goed gaat praten. Met ‘ze doen het allemaal’, sus je je in slaap.”
Zo openhartig als hij hier over zichzelf is, zo voorzichtig is hij om er anderen bij te betrekken. “Ik heb mijn verleden opgebiecht en wat de andere renners daar over willen zeggen, is hun zaak. Begin 1998 hebben we in Spanje epo gekocht en dat is in de koelkast van een van onze vrachtwagens richting België gegaan. Dat pakje is aan de grens tussen Frankrijk en Duitsland door de douane gevonden en in beslag genomen. Niet omdat het epo was, maar omdat er geen factuur en grensdocument bij zat. Dat is alles. Het is maanden later pas een rol gaan spelen toen Willy Voet met een wagen vol werd gearresteerd en er in de Tour van alles aan het licht kwam. Toen heeft iemand dat grensakkefietje naar buiten gebracht. Ons aandeel daarin hebben Jeroen en ik in 2013 op de televisie opgebiecht. Toen het uitgezonden werd, ben ik geschrokken van het commentaar op onze bekentenis. Toen dacht ik ‘tjongejonge, wat een hypocrisie.’ Iedereen wist ervan, de renners, de ploegleiding, de verzorgers, maar ook de KNWU, de UCI, echt iedereen. En wie beweert niets te hebben geweten, is een grote leugenaar. Ik ben ook jaren een grote leugenaar geweest en dat heeft al die tijd als een steen op mijn hart gelegen. Ik was een beetje klaar met dat liegen en bedriegen. We hebben heel veel over ons heen gekregen en Jeroen is er zelfs zijn baan door kwijtgeraakt. Ik kan me daarom wel voorstellen dat er jongens zijn die nu nog hun mond houden.”
Na zijn afscheid in 2005 was Bart enkele jaren namens de stichting Ronde van Nederland koersdirecteur van de Eneco Tour, tot dit evenement een gecombineerde organisatie werd van Nederland en België. Hij werkte toen al parttime als vertegenwoordiger voor Bioracer, een baan die hij na zijn werkzaamheden voor de stichting fulltime en in vaste dienst is gaan uitoefenen bij de bekende Belgische fabrikant van wielerkleding. Hij doet dat nog steeds en met plezier. Het is zeer afwisselend werk. Hij bezoekt in de provincies Gelderland, Overijssel en Utrecht grote bedrijven en wielerverenigingen; de administratie doet hij thuis. Daar deelt hij de woning met Anne, zijn tweede vrouw. Er zijn ook drie kinderen, de twee die Bart al had uit zijn eerste huwelijk en hun gezamenlijke spruit.
Nadat hij in 2005 was gescheiden van zijn eerste vrouw en zoon en dochter bij hem kwamen wonen, ontmoette hij Anne. Dat was na afloop van de Lus van Roden, een profcriterium. Bart was daar met een paar collega’s en kwam haar tegen. Toen hij haar zag en kennis had gemaakt, hoorde hij, met zijn hoofd in de wolken, Herman van Veen zingen dat zelfs haar naam mooi was. In 2006 zijn ze getrouwd en wonen in de buurt van Wageningen, zijn geboorteplaats.
Zijn verleden als een goede subtopper in het internationale profpeloton ligt inmiddels ver achter hem, maar zo nu en dan denkt hij nog wel eens aan die bewolkte julimiddag in Dijon toen hij even in de overtuiging mocht leven zijn tweede Touretappe te hebben gewonnen. Hij kan het gebeuren inmiddels wel relativeren. “Het was het eerste optreden van Martin Bruin als juryvoorzitter op dat niveau en ik denk dat hij bang was van partijdigheid te worden beschuldigd als hij mij tot winnaar had verklaard. Ik ben daar het slachtoffer van geworden, maar er zijn ergere dingen op de wereld.”
Advertenties

ED PIELKENROOD – IN DIENST VAN HARE MAJESTEIT EN DE PAARDEN

Publicist Ed Pielkenrood schrijft voor magazines en bedrijfsbladen. Als ghostwriter schrijft de eigenaar van een communicatiebureau ook columns, inleidingen en speeches uit naam van anderen. In zijn vrije tijd organiseert Pielkenrood evenementen en zet hij zich in voor verschillende organisaties, onder andere op het gebied van erfgoed en historie. Vanaf zijn jeugd rijdt hij paard. Bij een bezoek aan het Cavaleriemuseum in Amersfoort raakte hij onder de indruk van de officieren die voor de Tweede Wereldoorlog op hippisch gebied mondiaal een hoofdrol speelden. Met name de grote hoeveelheid materiaal van en over Charles Henri Labouchere trok zijn belangstelling. Bij het doornemen daarvan ontstond als vanzelf het beeld van ruiter, militair en mens Labouchere, dat er om vroeg om opgeschreven te worden.
Eerder schreef Pielkenrood onder andere de boeken Maison d’Essence, een huis met een luchtje over de geschiedenis van het geur- en smaakstoffenbedrijf Polak & Schwarz (IFF), Specerijenmolen de Huisman, samengesteld volgens kruidig recept over de geschiedenis van deze molen in Zaandam en Zaken in Zaandijk over de geschiedenis van een Zaanse ondernemersfamilie.

 

DE REIS (1912)
Over de gezondheid van zijn paarden aan boord van het schip maakt Charles Labouchere zich wel een beetje zorgen. Een jaar eerder was het weer tijdens de reis zo slecht geweest dat de paarden weinig op het dek konden worden uitgestapt en de meeste dagen in hun box moesten blijven. Het mag een wonder heten dat hun conditie bij aankomst in New York nauwelijks bleek te hebben geleden onder de zeereis. Ondanks zijn zorgen stemt Labouchere direct in met het voorstel van de Koninklijke Militaire Sportvereniging om nogmaals deel te nemen aan het concours dat jaarlijks wordt georganiseerd door de National Horse Show Association of America. De Koninklijke Militaire Sportvereniging, die in 1886 is opgericht om officieren aan te moedigen hun bedrevenheid in onder andere paardrijden en schermen te bevorderen, regelt deelname aan nationale en internationale concoursen en heeft uit New York een uitnodiging gekregen om, net als in 1910 en 1911, ook in 1912 een team af te vaardigen. Samen met ritmeester Van Gellicum en de luitenants Mathon en Coblijn zal Labouchere de Nederlandse driekleur hoog houden in New York.
Hij bewaart uitstekende herinneringen aan zijn avontuur van vorig jaar. Want een avontuur is het geweest. Alles was anders in Amerika. In Nederland worden alle concoursen in de openlucht en bij daglicht gehouden en kunnen ruiters hun paarden in de losrijbaan in alle rust voorbereiden op het parcours. Maar in New York moesten de ruiters ’s avonds rijden bij kunstlicht. In de enorme ovale hal van Madison Square Garden was bovendien geen losrijbaan. De paarden moesten vanuit de stallen onder de hal direct de ring in zonder zich warm te hebben gelopen. Deze omstandigheden waren de ruiters vooraf bekend en daarom hadden ze voor vertrek enige keren geoefend door hun paarden ’s avonds ‘koud’ van stal en bij kunstlicht in de manege van de Militaire Rijschool in Amersfoort te laten springen. Maar of dat genoeg zou zijn, wist geen van de afgevaardigde ruiters toen. Gelukkig bleek het voldoende, want de Nederlanders wonnen niet alleen verschillende individuele prijzen. Ook de landenwedstrijd werd een overwinning voor Labouchere en zijn teamgenoten. Hij hoorde nog het oorverdovend gefluit van het publiek na elke foutloze rit. Dat was geen teken van afkeuring, zoals dat in Nederland gebruikelijk is, maar een beloning en aanmoediging. Sommige paarden werden gek van het geklap, gestamp en gefluit van het enthousiaste publiek. Maar Labouchere had geen moeite gehad om zijn paarden onder controle te houden en dat leken de Amerikanen extra te waarderen. Elke keer als hij de ring binnen reed, werd hij al begroet met dat kabaal. Hij was een van de favorieten van het publiek.
De prijs van de landenwedstrijd, de felbegeerde America Cup, moesten de ruiters helaas achterlaten, want het betrof een door het New Yorkse Hotel Martinique beschikbaar gestelde wisselprijs. De grote zilveren bokaal kan pas mee naar huis als een land twee achtereenvolgende jaren de overwinning behaalt.
1911 Haaren met HonvedLabouchere geniet van het rijden van internationale concoursen en hij bereidt zich daar steeds nauwgezet op voor. Naast zijn werk als cavalerieofficier en het rijden van dienstpaarden, rijdt hij dagelijks zijn wedstrijdpaarden. Dressuur vormt daarbij de basis en die basis moet steeds worden bijgehouden, elke dag weer. Zo worden zijn paarden niet alleen gehoorzaam, maar vooral ook lenig en sterk. Dat is nodig om in een parcours hoogte en breedtesprongen te kunnen afwisselen en om scherpe wendingen en tempowisselingen te kunnen rijden. Daarnaast moet de conditie van zijn wedstrijdpaarden worden opgebouwd, want je kunt een paard niet een zwaar parcours voorzetten waarvoor hij misschien wel de capaciteit heeft maar niet de conditie. Labouchere wil zijn paarden helemaal klaar hebben voordat hij er wedstrijden mee gaat rijden. Natuurlijk begint hij met eenvoudige parcoursen als de paarden nog jong zijn, want ook een springpaard moet langzaam groeien in de sport. In dit leerproces kiest hij zorgvuldig de concoursen, waarbij hij steeds iets meer kan vragen van zijn paarden totdat ze de zwaarste parcoursen aan kunnen. Alles draait bij Labouchere om wederzijds vertrouwen tussen hem en zijn paarden. Hij weet precies wat hij wel en niet van zijn viervoeters kan en mag vragen en zal het langzaam gewonnen vertrouwen van een paard nooit beschamen.
Als autodidact in de paardensport met een aangeboren gevoel voor paardrijden leidt Labouchere zijn wedstrijdpaarden zonder veel hulp op. Bij de cavalerie zijn weliswaar veel instructeurs, maar zij kunnen Labouchere weinig leren. De militaire instructeurs laten hun leerlingen voor en op de sprong als vanouds rechtop in het zadel zitten, waarbij zij de teugels door hun handen moeten laten glijden als het paard zijn hals strekt boven de sprong. Labouchere weet echter dat een paard op de sprong niet alleen over zijn hals moet kunnen beschikken, maar ook over zijn rug. Daarom brengt hij bij het springen intuïtief zijn bovenlijf naar voren, waarbij zijn zit uit het zadel komt, zijn gewicht in de beugels steunt en zijn knieën het scharnierpunt vormen. Deze stijl wordt wel de Italiaanse stijl genoemd, omdat kapitein Frederico Caprilli deze in de militaire rijschool van Pinerolo in Noord-Italië heeft geïntroduceerd en ontwikkeld. Veel buitenlandse officieren gaan naar Pinerolo om zich het ‘springen in verlichte zit’ eigen te maken. In Nederland is Labouchere vanuit zijn gevoel al begonnen met de verlichte zit voordat hij ook maar van Caprilli en zijn methode heeft gehoord. Hij rijdt zijn paarden bovendien altijd volledig verzameld en gecontroleerd naar de sprong, waarmee de kans een foutloos parcours te rijden veel groter is. Door zijn wedstrijdrijdende collega-officieren wordt hij daarom enorm bewonderd. Zij proberen zijn stijl te imiteren, maar dat valt niet mee als je niet hetzelfde ruitergevoel hebt. Toch hebben inmiddels ook enkele andere talentvolle ruiters de weg naar de verlichte zit en controle over hun paard gevonden. Samen met Labouchere vormen zij de top van de cavalerieruiters en vertegenwoordigen zij Nederland op internationale concoursen. Niettemin blijft Labouchere een klasse apart. Zijn ritten zijn niet alleen effectief, maar ook heel mooi om te zien. Beheerst, gecontroleerd en alsof het paard en ruiter geen enkele moeite kost. Zijn talent wordt op alle Nederlandse concoursen door het publiek gewaardeerd en ook in het buitenland krijgt hij veel erkenning. Labouchere is altijd en overal de lieveling van het publiek.
1912 Op de bootDe paarden staan wijdbeens om niet te vallen als de trein langzaam op gang komt. Links en rechts van de grote schuifdeur in het midden van de wagon staan de zes paarden naast elkaar opgesteld in de lengterichting van de wagon. De speciale wagons, die de Nederlandse Spoorwegen inzet voor het transport van paarden, zijn berekend op wel twaalf paarden. De rijdieren van de Nederlandse equipe hebben dus alle ruimte op het eerste traject van de reis naar Amerika. Bij het verlaten van station Amersfoort passeert de trein een aantal wissels waardoor de wagon schokt. Telkens verstappen de paarden om hun evenwicht te bewaren. Als er een zou vallen in het dikke bed van stro zijn er twee oppassers om het paard weer overeind te helpen. Het is geen lange rit naar Rotterdam, waar de SS Noordam ligt te wachten om de leden en paarden van de equipe naar New York te brengen. Toch duurt het enkele uren voordat de trein via het Centraal Station naar de Wilhelminakade in Rotterdam wordt doorgerangeerd. Bij aankomst moeten de paarden nog enige tijd wachten totdat ze kunnen overstappen van de wagon in houten boxen, die op de kade gereed staan voor hun zeereis. Vervolgens worden de houten boxen op het achterdek van de Noordam gehesen en daar vastgesjord. Nadat de boxen gereed zijn en voorzien van een dikke laag stro, mogen de paarden aan boord. Gadegeslagen door de volledige ruiterequipe en vele andere passagiers worden de paarden in hun boxen aan boord gehesen. De wedstrijdpaarden zijn gelukkig heel wat gewend en maken zich niet druk als zij door de lucht zweven. Op het achterdek van het schip worden de boxen stevig vastgesjord om te voorkomen dat ze bij zwaar weer gaan schuiven. Ze zijn bovendien helemaal af te sluiten zodat de paarden niet nat en koud worden als er bij storm zeewater over het dek slaat.
De equipe bestaat uit zes paarden, vier ruiters, twee oppassers en enkele begeleidende militairen. Labouchere is de enige ruiter, die ook in 1911 deel uitmaakte van de springploeg. Hij neemt net als vorig jaar zijn trouwe Ierse ruin Dreadnought mee, waarmee hij ook toen al zeer succesvol was. Bovendien rijdt hij nu Spes, het dienstpaard van collega luitenant Colenbrander die thuis blijft. Spes is eveneens een Iers springpaard, maar wel met een flinke scheut hackneybloed ofwel tuigpaardenbloed. Dat is vooral te zien aan zijn hoge hoofd- en halshouding. Het is een talentvol paard met goede springmanieren, dat internationale ervaring moet opdoen. De zeer betrouwbare Dreadnought is Laboucheres troef. Dit lang gelijnde paard, met een krachtige galop en enorme springcapaciteit, lijkt in de ring wel eens te kalm en laconiek. Toch weet Labouchere hem meestal foutloos naar de finish te sturen. Een snelle tijd maakt de combinatie nooit, maar een nulscore in het basisparcours én in de barage is meestal goed voor een hoge placering.
Amerikaanse officieren maken alleen gebruik van volbloedpaarden en daarom waren de pers en het publiek in de Verenigde Staten het eerste jaar van hun deelname wel lovend over de ruiters uit Holland, maar niet over hun paarden. Men vindt ze lomp en stijf. Dat beeld wordt bijgesteld als de Nederlandse ruiters in 1911 de landenwedstrijd winnen. Vooral Labouchere en Dreadnought maken indruk. Trapman en Van Voorst tot Voorst waren toen zijn teamgenoten, waarbij de laatste met de Ier Black Paddy sprong, die in 1910 nog werd gereden door Coblijn. Nu, in 1912, zijn Coblijn en Black Paddy weer een combinatie. Je zou dus kunnen zeggen dat deze Ierse ruin het meest ervaren paard en de betrouwbaarste factor is in het team. Ook Mathon en Van Gellicum, die al in 1910 deelnamen, zijn weer van de partij. Inmiddels is Van Gellicum bevorderd tot ritmeester en is zijn paard Powerful een stuk sterker geworden. Mathon en zijn dienstpaard Held vormen de reservecombinatie. De ruiters zijn optimistisch over hun kansen bij de landenwedstrijd in New York, maar ten opzichte van de Amerikaanse ruiters beginnen zij met een achterstand. De Nederlandse paarden hebben een lange reis achter de rug voordat ze aan start komen.
Labouchere geniet van de zeereis en het leven aan boord van het varende hotel. Hij heeft op het schip van de Holland Amerika Lijn, net als zijn collega’s, de beschikking over een comfortabele eersteklas hut, waarin voldoende ruimte is voor zijn grote koffers. Daarin zitten onder andere zijn altijd onberispelijke uniformen met bijbehorende petten en laarzen. Bovendien heeft hij kleding mee voor de verschillende officiële lunch- en avondontvangsten die de ruiters in New York staan te wachten. Trouwens, ook aan boord verkleden de leden van de equipe zich enkele malen per dag. Ze worden ’s avonds in ieder geval in vol ornaat aan het diner verwacht. Natuurlijk bemoeit Labouchere zich aan boord het meest met zijn collega’s. Maar hij begeeft zich ook graag onder de andere eersteklas passagiers. Hij geniet van de aandacht die hij krijgt als wedstrijdruiter die zijn land vertegenwoordigt. Het ontspant hem bovendien om ook eens met andere mensen te praten, hoewel die gesprekken ook heel vaak over het leger en de paarden gaan.
Over de verzorging en het uitstappen van de paarden hoeven de ruiters zich niet druk te maken. Dat is een taak van de oppassers Jan Wiersema en Thijs Vrind. Zij delen aan boord een derde klas hut, maar zijn zoveel mogelijk bij de paarden. Het achterdek van de Noordam, waarop de boxen staan en de paarden worden uitgestapt, is taboe voor de passagiers. Alleen de leden van de equipe hebben er toegang. Zij bezoeken de paarden dagelijks en bespreken dan het wel en wee van hun viervoeters met de oppassers. Na acht dagen meert de Noordam af in New York en gaan de paarden in goede conditie van boord.

HENK VOS – ENFANT TERRIBLE

Eddy Janssen publiceerde eerder het boek ‘Alles is Remy’ over het onverwachtse overlijden op negentienjarige leeftijd van zijn zoon Remy en ‘Het floepte er zomaar uit’, een boek vol mooie anekdotes uit de tijd dat hij nog voor de klas stond. Het is een bundeling van columns die eerder van hem verschenen en bevat behalve die leuke anekdotes ook tal van ervaringen en bedekte tips over kinderen en de rol van ouders en het onderwijs. Hij is al zijn levenlang sportliefhebber en heeft Henk Vos uitgekozen als hoofdpersoon voor zijn derde boek. Die keuze was niet zo moeilijk. Niet eens zo zeer omdat Henk een streekgenoot van hem is, maar vooral omdat het een voetballer is die tot de verbeelding spreekt en die een uitzonderlijk lange en veelzijdige carrière kende, met even veel glorierijke momenten als dieptepunten. .
De Franse eerste divisieclub Metz hengelt al een tijdje naar de diensten van Henk Vos en gaat in de winterstop met hem in gesprek. FC Metz geeft aan snel zaken te willen doen en zoals gewoonlijk is Vos meteen enthousiast. Bij Standard komt hij momenteel toch minder aan spelen toe en zo’n Frans avontuur ziet hij wel zitten. Hij belt zelf meteen de voorzitter van Standard en meldt hem dat Metz hem graag wil overnemen en dat ze contact gaan opnemen.
Een journalist krijgt hier lucht van en wil er het fijne van weten. Hij belt trainer Kessler en vraagt of Henk Vos Standard gaat verlaten en gaat tekenen bij FC Metz. Kessler schrikt van dit bericht en antwoordt dat hij daar niets van af weet. Hij ontkent alles. Diezelfde avond om tien uur wordt Kessler echter gebeld door de heer Henrotay met de vraag of hij even langs mag komen. Kessler begrijpt op dat moment meteen waar het over gaat. Op de vraag van Henrotay of hij er moeite mee heeft dat Henk Vos Standard gaat verlaten antwoordt Kessler heel resoluut: ‘Daar heb ik grote moeite mee, ja!’ Vos komt namelijk nog steeds voor in de plannen van Kessler. Hij wil er eerst goed over nadenken voordat hij ergens mee instemt waar hij later spijt van krijgt. Hij wil hierover ook met Henk zelf praten. Henk gaat al in gesprek met Metz en Kessler probeert nog laat telefonisch contact met Henk te zoeken. Die durft echter de telefoon niet op te nemen, omdat hij van Kessler altijd vroeg op bed moet liggen. Daags daarna spreekt Kessler hem wel en zondert zich daarna af. Hij gaat urenlang wandelen om een en ander op een rijtje te zetten. Na veel wikken en wegen belt hij Henrotay om te zeggen dat hij toch akkoord gaat. Kessler: ‘Maar ik ontken niet dat ik er erg mee in mijn maag zat. Ik heb alles tegen elkaar afgewogen en kwam tot de conclusie dat één van onze andere spitsen, Tikva, in de tweede competitiehelft waarschijnlijk meer zou kunnen betekenen dan Vos. Maar als ik bij mijn standpunt gebleven was, zou Vos nooit vertrokken zijn.’
Vos: “Bij Metz zijn mijn vooruitzichten veel beter. Ik weiger te zeggen dat ik bij Standard gefaald heb, ik heb er simpelweg nooit voldoende kansen gekregen als gevolg van die verdomde buitenlandersregel.”
H11 - Standaard4Het vierjarig contract van Henk Vos wordt binnen enkele dagen aangepast en Vos tekent in het bijzijn van zijn echtgenote en zijn manager een verhuurcontract bij FC Metz tot het einde van het seizoen. Metz maakt bekend dat het de bedoeling is dat hij op 16 december 1990 al zijn debuut maakt tegen de Franse kampioen Olympique Marseille.
Er gaat voor Vos weer een totaal andere wereld open. Hij betrekt in zijn nieuwe pleisterplaats een gemeubileerd appartement, pal tegenover het stadion van Metz. Hij gaat het komende half jaar spelen tegen alle grote Franse clubs zoals Marseille, Paris St. Germain, St. Etienne, Nice en Bordeaux. De reisafstanden zijn, in tegenstelling tot in België en Nederland, erg groot en FC Metz verplaatst zich dan ook standaard op de dag van de wedstrijd per vliegtuig vanaf R.V. Aeroport Metz-Frescaty. Relatief snel is men dan op de plaats van bestemming. Omdat men ’s nachts niet te laat mag landen, vliegt men steeds onmiddellijk na de wedstrijd terug. Slechts een enkele keer reist men per bus. Henk Vos speelt tegen Marseille de gehele wedstrijd (met nummer 11). Meestal links aan de buitenkant om zijn directe tegenstander, de vaak mee opkomende Boli, af te stoppen. Tegen Marseille, met Waddle en Papin, is FC Metz kansloos en verliest met 3-0.
“Mijn gevoel na de eerste partij was erg dubbel. Ik wist Boli volledig uit de wedstrijd te spelen, maar ik voelde me in deze rol niet echt lekker. Ik ben nu eenmaal een spits en geen linkshalf. De nederlaag deed me ook pijn. Na de wedstrijd zat ik minutenlang met een handdoek over mijn hoofd. De trainer kwam vragen wat er scheelde. Hij zei dat ik het me niet aan moest trekken, want dat er weer een nieuwe wedstrijd op het programma stond. Voor die lui was er niets aan de hand. Daar keek ik wel van op. In Frankrijk heerst een heel andere mentaliteit. Alles gaat daar ‘doucement’, rustig aan.”
De kranten hebben Vos na enkele wedstrijden ook ontdekt en in de maandagkranten prijkt bijna standaard steeds een ‘Henk Vos actiefoto’. Het commentaar, na de met 2-1 gewonnen thuiswedstrijd tegen Toulouse FC, mag er ook best zijn: ‘Henk Vos maakt duidelijk vorderingen en gaat steeds beter spelen. Alleen jammer dat deze atleet en begaafd technicus het doel nog niet vindt.’
FC Metz trekt met onmiddellijke ingang nog een nieuwe aanvaller aan, Francois Calderaro. Het is de bedoeling dat hij samen met Henk Vos het spitsenduo vormt. Op 24 januari 1991 verslaat FC Metz thuis FC Nantes met 2-0 en Henk Vos scoort voor 6.000 toeschouwers de 1-0, zijn eerste goal voor Metz. Mede hierdoor bezet FC Metz een fraaie vijfde plaats op de ranglijst. In de kranten staan naast de wedstrijdverslagen ook enkele kleine, aparte katernen met wat wetenswaardigheden over het begin van zijn carrière. Vos blijft goed presteren en wordt in de pers geprezen om zijn exceptionele snelheid, zijn tempoversnellingen, zijn beweeglijkheid en het feit dat hij steeds op de goede plaats opduikt. Men noemt hem in een ‘koptekst’ na een overwinning zelfs ‘de held van het feest’!
Hij wint ieders sympathie en men ziet hem als de ‘aansteker van het vuurtje’. Hij gaat voorop in de strijd en men noemt hem een eerlijke speler, omdat hij voetbalt vanuit zijn hart. Vos lijkt zijn draai in Metz gevonden te hebben: “Ik heb het hier uitstekend naar mijn zin. Ik heb nu al zo’n tien wedstrijden gespeeld en scoorde al vier keer. Niet slecht. Ik vind de competitie hier minder zwaar dan in België. Hier speelt men meer op techniek in plaats van op fysiek. Het maakt me niet zoveel uit waar ik speel, als ik me maar kan laten gelden. Hoe het straks aan het einde van het seizoen moet, weet ik niet. Terugkeren naar Sclessin is zeker een optie, maar ik moet dan wel meer kansen krijgen om te bewijzen dat ik in het eerste elftal thuis hoor.”

Privé krijgt Henk een klap te verwerken als hij het bericht krijgt dat zijn opa is overleden. Opa is toch de man die in het begin van zijn carrière zijn steun en toeverlaat was. Henk is hierdoor aardig van slag en heeft tijd nodig om dit te verwerken. Meteen na het trieste nieuws rijdt hij naar Roosendaal en blijft daar een volle week.
H12 - MetzOp uitnodiging speelt FC Metz een vriendschappelijke wedstrijd om de Memorial Albert Stoltz (de oud- voorzitter van Union Luxembourg) bij Union Luxembourg. FC Metz wint gemakkelijk met 0-4 en Henk Vos blinkt uit door het missen van diverse doelrijpe kansen. Dit zwakke optreden zorgt er mede voor dat hij op de bank terecht komt. Hij krijgt nog slechts invalbeurten. FC Metz bezet na 31 wedstrijden een zesde plaats, samen met nog vier andere ploegen. In de middenmoot van de ranglijst is het dus dringen geblazen. Een wedstrijd verliezen kan zo maar een vrije val betekenen. Trainer Joël Muller wil dit voorkomen en kiest voor een meer offensieve speelstijl. Tegen SC Toulon (18e op de ranglijst) speelt hij dan ook met de spitsen Calderaro en Vos. Ze spelen in Toulon voor slechts 3.000 toeschouwers een ongelukkige wedstrijd en verliezen met 2-1. Als Metz, met Vos in de gelederen, de weken erna ook verliest van Lyon en Auxerre, maakt men zich in Metz geen enkele illusie meer over een hoge klassering. Het seizoen wordt als verloren beschouwd en FC Metz besluit de optie tot verlenging in het contract met Henk Vos niet te lichten. Na zestien wedstrijden en slechts twee goals is Vos aan het einde van het seizoen 1990-1991 weer selectiespeler van Standard.
“Jammer dat ik na een aantal redelijke wedstrijden niet meer in de basis verscheen. De trainer koos definitief voor Calderaro alleen in de spits. Ik moest het uiteindelijk gaan doen met invalbeurten en kwam steeds minder aan de bak. Toen wist ik al dat mijn carrière hier geen lang leven beschoren was. Wel weer een grote levenservaring rijker. Diverse clubs informeerden bij mijn zaakwaarnemer, maar het deed me deugd dat ik hoorde dat Standard me niet wilde doorverhuren en dat ze me eigenlijk graag terug wilde hebben. Dat was ook wel te zien aan het feit dat men een erg hoog transferbedrag op mij plakte. De liefde kwam duidelijk van twee kanten. Eén en één was dus twee en sneller dan ik verwacht had keerde ik met veel ambitie terug naar Standard. Ik wilde me daar gaan bewijzen en trainde tijdens de vakantie in mijn eentje de gehele zomer door.”

ALS JE DE TOUR NIET HEBT GEREDEN, DEEL 2

Fred van Slogteren begon in 1996 na een carrière als copywriter en bedrijfsjournalist een tweede leven in de wielerjournalistiek. Hij werkte voor diverse kranten en tijdschriften, zoals Wieler Revue en Wielerland Magazine. Verder is hij dagelijks actief op internet met de populaire site wielersport.slogblog.nl. Van zijn hand verschenen eerder gedetailleerde biografieën van wielergrootheden als Peter Post (1998), Jan Janssen (2001), Joop Zoetemelk (2005) en Jan Raas (2009). In 2003 verscheen Wielerhelden van Oranje, het door hem geschreven jubileumboek van de toen 75-jarige KNWU.
135 – Jos Schipper
* Baarn, 10-06-1951
* Tourresultaat: 1980 –  83e op 1u59’29” van winnaar Joop Zoetemelk
1982 – opgave in de zeventiende etappe
ps135 - Jos SchipperTussen 1935 en 2013 slaagden negen Nederlanders er in bij de eerste vijf in de einduitslag van de Ronde van Spanje te horen. Op één na leverden die mannen ook grote prestaties in de Tour de France. Die uitzondering is Jos Schipper, die in Spanje een keer als vijfde eindigde, maar in twee Tourstarts niet verder kwam dan een 83ste plaats. In de Vuelta van 1978 werd hij vijfde op bijna vierenhalve minuut van Bernard Hinault, destijds de beste renner ter wereld. Het verschil met de als derde geëindigde Jean-René Bernaudeau, een andere Franse topper uit die tijd, was slechts 41 seconden. Dat had Jos misschien goed kunnen maken in de laatste tijdrit, maar die werd helaas afgelast omdat de Baskische terreurorganisatie ETA had aangekondigd die dag een aanslag te zullen plegen. De renner uit Baarn liet in die editie van de Spaanse ronde ook erkende klimgeiten als José Nazabal, Gonzalo Aja, Vicente Lopez-Carrill en Andrès Gandarias achter zich. Daar stonden de kenners in Nederland toch even van te kijken.
Ze kenden Jos Schipper van de criteriums en de Vlaamse voorjaarskoersen als een rappe en echte prijsrijder. Hij had eerder dat jaar de semi-klassieker Dwars door Vlaanderen gewonnen en ze herinnerden zich ook nog dat hij een jaar eerder in de Amstel Gold Race er in de finale vandoor was gegaan en toen Knetemann in zijn wiel kreeg. Even later sloten ook Kuiper en Raas aan. Dat drietal voerde een onvergetelijk schouwspel op, terwijl Schipper door kramp moest lossen. Hij liet zich terugzakken in de achtervolgende groep, voelde tussen de wielen de kramp wegtrekken en versloeg in de sprint om de vierde plaats het hele pak met Merckx, Maertens en alle andere groten van die tijd. Dat was knap, maar dat hij ook in de Vuelta tussen de grote klimmers uit de voeten kon, was volslagen onbekend. Ook bij de grote ploegbazen van toen. Peter Post, Fred De Bruijne en Piet Libregts maakten echter geen aanstalten hem in te lijven. De witblonde coureur heeft nooit kunnen aantonen dat die vijfde plaats in de Vuelta geen toevalstreffer was. Marc Zeepcentrale en Wickes, de ploegen waarvoor Schipper indertijd reed, waren wel redelijke ploegen maar geen topformaties. Bovendien moest hij daar volledig in dienst rijden van de Planckaerts en Criquielion. Later, als lid van de kleine Nederlandse HB Alarm-ploeg, won hij in 1981 een etappe en het eindklassement in de Ruta del Sol, een pittige Spaanse rittenkoers.
We kunnen niet anders concluderen dan dat Jos Schipper een zwaar onderschatte renner is geweest en dat zijn reputatie hem in de weg zat. Hij was een aardige gozer, maar ook een renner die in elke ploeg waarvoor hij heeft gereden een vrije rol afdwong, die bij voorkeur zijn eigen weg ging en dus geen teamspeler was. Nooit zat hij met iemand in de slag en overal reed hij voor wat hij waard was. Jos was een tikkie eigenwijs en tactisch geen uitblinker. Hij was rap, maar geen supersprinter. Om dan toch een veelwinnaar te worden, moet je uitgekookt zijn en in staat zijn in het gedrang van de laatste kilometers het goede wiel kiezen. Theo Smit en Gerben Karstens waren er meesters in, maar Jos miste het gogme om in het juiste gat te duiken om de sprint in zijn voordeel te kunnen beslissen. Hij had meer kunnen winnen als hij wat uitgekookter was geweest. Dat is althans zijn eigen conclusie over de twaalf jaar dat hij beroepsrenner was.
Wie het verloop van zijn wielercarrière nagaat, begrijpt ook wel waarom. De provincie Utrecht was in zijn tijd geen wielergebied, zoals Brabant en Limburg dat waren. Er zijn in de geschiedenis van de Tour de France inclusief Jos Schipper maar vier echte Utrechtse Tourrenners geweest. Jos was lid van de wielervereniging Tempo uit Soest. Dat was een gerenommeerde wielerclub, die landelijk goed stond aangeschreven, maar toch heeft hij net als zoveel renners van zijn generatie veel zelf uit moeten zoeken. In zijn woonplaats Baarn woonden geen andere renners met wie hij in zijn eerste jaren kon trainen om iets van elkaar op te steken. Baarn was een chique dorp met lommerrijke lanen, met binnen de gemeentegrenzen de koninklijke familie, veel omroepmedewerkers en inwoners die meer deden aan hockey, tennis en paardensport, sporten die er veel populairder waren dan een volkssport als wielrennen.
Jos Schipper was het jongste kind in een arbeidersgezin met vijf kinderen, twee jongens en drie meisjes. Vader Schipper werkte bij de Koninklijke De Ruijter, fabrikant van allerlei zoetigheid voor op de boterham en om er wat bij te verdienen was hij in zijn vrije tijd behanger. In het gezin had men veel belangstelling voor sport. Dat kwam door Jan van Gooswilligen, een oudere neef van Jos die in de jaren zestig 58 keer voor het Nederlands hockeyteam uitkwam, waarvan vele malen als aanvoerder. Van Gooswilligen maakte twee maal de Olympische Spelen mee en werd een keer wereldkampioen, prestaties die in de hele familie met groot enthousiasme werden gevolgd. Jos meldde zich aan bij een voetbal- en atletiekvereniging; zijn broer zat op voetballen bij andere club. Vader en moeder vonden het prachtig dat hun twee jongens aan sport gingen doen zo lang het maar niet ten koste ging van de school. Jos zat op de lts om voor timmerman te leren, vond het prachtig werkstukken te maken en kwam daarom met hoge cijfers thuis. Hij was een pietje precies en leverde zijn werkstuk pas in als het naar zijn inzicht helemaal tot in de puntjes was. Later was hij als wielrenner net zo perfectionistisch op zijn materiaal. In zijn eerste jaren stond zijn fiets in de wintermaanden blinkend schoon onder een dekentje in de kast op zijn kamertje.
Diascans wielrennen
Jos Schipper (rechts) tijdens het Nederlands kampioenschap met achter hem vlnr Ad Wijnands, Johnny Broers, Hennie Stamsnijder en Johan van der Velde. (Foto: Cor Vos)
Hij was met het hardfietsen in aanraking gekomen omdat er in Baarn ieder jaar door de winkeliers een wielerronde werd georganiseerd voor schooljongens. Jos wilde graag meedoen, maar had geen fiets. Gelukkig kon hij er een lenen van de zoon van de paardenslager. Met honderden mensen langs het parcours weerde hij zich als een leeuw. Hij won niet, maar de wielerbacil had zich in hem genesteld en samen met zijn broer, die ook enthousiast was geworden, kocht hij van het geld uit hun spaarpotten een nieuwe Gazelle racefiets bij een fietsenmaker in Hilversum. Vader en moeder vonden het maar niks, bang als ze waren dat het ten koste van de schoolprestaties zou gaan. Broerlief hield het na korte tijd voor gezien, maar Jos had de smaak te pakken. Hij meldde zich bij Tempo en op zijn achttiende vroeg hij zijn eerste licentie aan. Hij had toen bij Toon de Jonge in Hilversum, in wielerkringen bekend als Rooie Toon, al een betere fiets gekocht. Dat was een tweedehands Joco, type Ronde van Nederland. In die tijd een fiets waar je onder wielrenners mee voor de dag kon komen.
“De fiets was beter dan de berijder”, herinnert Jos zich ruim veertig jaar later. “Ik zat er als een zoutzak op, het zag er niet uit. Dat zei iedereen, maar ik reed ze wel allemaal het snot voor de ogen. Ik was een knokker, een doordouwer en ging altijd in de aanval. Tactisch stelde het niks voor, want als de finale begon was ik meestal uitgepierd. Toch won ik in mijn eerste jaar bij de nieuwelingen vijftien koersen en behaalde ik veel ereplaatsen, nadat ik door Rooie Toon goed op de fiets was gezet. Toen ik amateur werd, ben ik voor halve dagen als timmerman bij een carrosseriebedrijf in Hilversum gaan werken. ’s Ochtends werken, ’s middags trainen en verder zo veel mogelijk koersen. Ik kon er goed van rondkomen, want met mijn sprint pakte ik elke week wel een paar honderd gulden. Na dat carrosseriebedrijf heb ik nog andere baantjes gehad, steeds voor halve dagen. Ik heb ook nog bij een verhuizer gewerkt, want van dat sjouwen met zware meubels werd ik sterker. Een soort krachttraining, toen niemand dat nog deed.”
Jos behaalde in de vier jaar dat hij bij de amateurs reed zo’n veertig overwinningen. Het waren allemaal criteriums waarin hij zegevierde, want hij bleef ver weg van de amateurklassiekers. Daar had hij niks te zoeken, want hij kon niet waaierrijden. Wel nam hij een keer deel aan een etappekoers in de Ardennen en ontdekte daar dat hij bergop goed mee kon. De beste Nederlandse amateurs van toen werden er af gereden, maar Jos werd keurig zevende in de eindstand. In Limburg won hij nog een klimkoers in Voerendaal, maar de bondscoach zag hem over het hoofd. Jos maalde er niet om, want hij had een mooi leven. Hij verdiende goed geld en wat kon het hem nou schelen dat hij bijna niet voor buitenlandse wedstrijden werd gevraagd. Alles wat hij kon had hij zich zelf geleerd. Meestal met schade en schande, maar hij werd er wel een betere wielrenner van. Wist hij veel over training en voeding, zonder die kennis reed hij ook prijs en verdiende hij met zijn baan erbij genoeg om zich goed te kunnen redden.
De enige goede raad die hij zich kan herinneren kwam van Gerrit Schulte. Hij had eens gelezen dat de Bossche Reus voorstander was van het rijden met een klein verzet en dat het goed voor een renner was om bij het trainen op een doortrappertje te rijden om gewend te raken aan een hoog beentempo en het ontwikkelen van stuurmanskunst. Op een doortrapper kun je niet remmen en dus moet je sturend uit de problemen zien te blijven. Op de vlakke weg was dat best te doen, maar in het trainingsgebied van Jos soms uiterst gevaarlijk. De Utrechtse heuvelrug zit vol met klimmetjes. Erop was geen probleem, maar omlaag ging Jos steeds harder. Er zijn geen ernstige ongelukken gebeurd, maar het heeft soms maar weinig gescheeld. Elk nadeel heb z’n voordeel en na verloop van tijd kon de autodidact uit Baarn sturen als de beste, had hij de souplesse van een baanrenner en was hij een van de betere spurters in het amateurpeloton. Hij werd opgemerkt door Herman Krott en met diens Amstel Bierploeg reed hij diverse klassiekers in het buitenland. In Nederland leerde hij eindelijk ook waaierrijden en toen achtte hij zichzelf rijp om beroepsrenner te worden.
Hij werkte in zijn laatste jaar bij de amateurs bij een bedrijf in Maartensdijk, waarvan de eigenaar een goede bekende van de familie De Moor was. Ger de Moor was eigenaar van Ormas BV in Bilthoven, een handelsonderneming in kantoormachines, die een bescheiden profploeg wilde opzetten. In een truitje van Ormas Sharp debuteerde Jos in 1974 bij de beroepsrenners met ploeggenoten als Harrie van Leeuwen en Piet de Wit. Hans de Moor, de zoon van de baas, was zijn ploegleider. Die wist niet wat hij zag toen Jos in zijn eerste koers bij de profs uit het peloton demarreerde en in luttele minuten naar de kopgroep reed. “Ik kon geweldig gaten dichtrijden, maar was ook wel eens te veel onder de indruk van grote namen. Ik zat in dat jaar in een criterium eens voorop met Harm Ottenbros. Die was wereldkampioen geweest, wist ik, en dus dacht ik die nooit kwijt te raken. Hij bleef maar in mijn wiel hangen en ik maar kop doen. Hij klopte me in de sprint en zegt: ‘Ik begrijp je niet Jos, als je drie trappen had gedaan was ik er af geweest.’ Ik kende mijn eigen kracht niet.”
Na vier jaar bij kleine ploegen criteriums en kermiskoersen te hebben gereden kreeg hij in 1978 een contract bij Marc Zeepcentrale, een formatie die een groot programma reed. Een jaar eerder had hij al voor de Belgische ploeg Ebo gereden en zijn debuut in de Ronde van Spanje gemaakt. Het werd niks, want toen hij er aan begon had hij al zoveel wedstrijdkilometers op zijn teller staan dat het lijf niet wilde wat Jos in zijn hoofd had. De ploeg reed op Superia-fietsen, de fabrikant ervan werd een jaar later de materiaalsponsor van Marc Zeepcentrale. Het was geen topploeg, maar wel een formatie met sterke renners in de gelederen. Met namen als Herman Vanspringel, Patrick Sercu en Ferdi Vandenhaute kwamen de uitnodigingen voor de grote wedstrijden vanzelf en zo ging Jos andermaal naar de Vuelta. Ook dit keer zag hij er weinig in. Hij had alle voorjaarsklassiekers gereden, plus nog een reeks andere Vlaamse koersen. Na Luik-Bastenaken-Luik reisde de ploeg direct naar Zaventem om er naar Spanje te vertrekken.
Jos ging met enige tegenzin mee om twee dagen later tijdens de proloog te merken dat in topsport alles mogelijk is. Met de negende tijd voltooide hij de korte openingsrit om een dag later de etappe Gijon-Gijon te winnen en in het klassement op te rukken naar de tweede plaats. De rangschikking is tijdens het verloop van de ronde nog enkele malen flink opgeschud, maar ondanks het feit dat zijn kopman Vandenhaute enkele dagen in de leiderstrui reed, handhaafde Jos zich steeds in de top. De Nederlander stak in supervorm en wist die drie weken lang vast te houden. Samen met de grote Spaanse klimmers ging hij de bergen over, mede dankzij de superlichte fiets die hem speciaal voor die etappes was aangemeten. “Dat ding was zo licht, dat ik er in de afdalingen bijna afwaaide.”
Tour de France 1980
Jos Schipper krijgt tactische aanwijzingen van zijn ploegleider (Foto: Cor Vos)
Met zijn prestaties in Spanje begon Jos aan de Tour de France te denken. “Als ik in de Vuelta bij de eerste vijf kan rijden, dan moet een uitslag bij de eerste veertig in de Tour mogelijk zijn.” Pas twee jaar later mocht hij het proberen. In de ploeg Marc-VRD, waarvan Lucien Van Impe – de Tourwinnaar van 1976 – de kopman was. Ook nu weer was Jos slecht voorbereid. Hij had in het voorjaar al zoveel koersdagen op zijn conto staan dat het lijf aan alle kanten kraakte en de moraal ver te zoeken was. “Ik was helemaal op en het was ook nog eens kloteweer. De eerste twee weken heeft het bijna elke dag geregend. Toch had ik er een succes van kunnen maken als ik in de tweede etappe was meegesprongen, toen drie Fransen demarreerden en de Belg Pevenage er achteraan ging. Met twee trappen had ik er bij gezeten, maar ik bleef zitten met m’n stomme kop. Pevenage heeft daarna geloof ik tien dagen in de gele trui gereden. Dat is het moeilijkste van wielrennen. Wanneer ga je? Ik ben toen niet gegaan en kon me wel voor m’n kop slaan. Wat Pevenage kon, had ik misschien ook wel gekund en ik was bovendien rapper, hoewel je dat altijd weer op de meet moet bewijzen. Ik heb die Tour wel uitgereden, maar kwam volkomen leeg in Parijs aan.”
Twee jaar later was Jos weer van de partij, nu als lid van de Belgische Wickes-ploeg.
De kopman was ditmaal Johan De Muynck, die veel steun aan Jos had in de ritten in het hooggebergte. Daar lag voor Jos ook zijn Waterloo, want vier dagen voor het einde in de beklimming van de Colombière kreeg de Nederlander twee kilometer voor de top ineens een verschrikkelijke dreun van de man met de hamer. “Ik zat in een groep met Hinault, Zoetemelk, Alban, Bernaudeau, Winnen, Van der Velde en nog een paar van die klassementsmannen en stond ineens geparkeerd. Ik weet niet hoe ik gefinisht ben, maar wel dat het vijf minuten voor sluitingstijd was. Ik ben die avond strontziek geworden en de volgende dag niet meer vertrokken. Ik had alles gedronken wat vloeibaar was en het maakte niet uit waar het vandaan kwam. Daardoor kreeg ik buikloop en was het voor mij einde verhaal.”
Ook in de voorjaarsklassiekers was Jos vaak in de voorste linies te vinden. In 1979 reed hij met een andere renner lang voorop in de Ronde van Vlaanderen, maar ze werden net voor de Bosberg teruggepakt door een groep met Raas, Demeyer, Willems, Kuiper en Godefroot. Jos kon aanklampen en eindigde uiteindelijk als zesde. Zijn vierde plaats in 1980 in Gent-Wevelgem mocht er ook zijn, evenals de al gememoreerde vierde stek in de Amstel Gold Race.
Na 1982 was er geen ploeg meer in hem geïnteresseerd. Het was vanwege de economische crisis een moeilijke tijd voor alle beroepsrenners die tegen de top aanzaten en Jos kon niet anders dan voor kleine ploegen zoveel mogelijk criteriums rijden om van start- en prijzengelden te leven. Eind 1984 kreeg hij tot zijn verrassing ineens vier aanbiedingen. Eén uit Spanje, één uit België en één van de Nederlandse ploeg PDM. Plus een aanbieding van de vestiging voor Zuid-West Nederland in Yerseke van Intervries Den Haan, een groothandel die de horeca beleverde met verse groenten, vlees, vis en alles wat een goed restaurant zijn klanten voorzet. Hij kon er vertegenwoordiger worden in het rayon Zeeland.
De keus was niet moeilijk, want Jos was met zijn 34 jaar een sportman op leeftijd geworden en met de verantwoording voor vrouw en dochtertje zag hij die baan als een kans om op een goede manier het bedrijfsleven in te stromen. Hij hoefde er niet voor te verhuizen, want hij woonde al tien jaar in Kwadendamme. Toen hij als beginnend prof veel in België koerste, logeerde hij daar regelmatig bij iemand die hem adviseerde daar iets te huren. Jos stond op het punt van trouwen en er was daar genoeg te huur. Het werd een mooie hoekwoning en toen hij die met zijn vrouw aan het inrichten was stonden er ineens twee renners in trainingsoutfit voor de deur. Het waren niemand minder dan Kees Bal en Jan Raas met de vraag of Jos meeging. Zo werd hij direct opgenomen in het Zeeuwse wielerwereldje dat voor buitenstaanders nog wel eens gesloten lijkt. Maar niet voor Jos, want die liep er bij de training nooit de kantjes af en kon zijn metgezellen regelmatig verrekte pijn doen.
Op die manier leerde hij de provincie tot in alle uithoeken kennen en met die kennis wist hij als buitendienstverkoper ook de meest afgelegen horecagelegenheid te vinden. Het bedrijf veranderde enkele malen van naam en eigenaar, maar Jos bleef om zijn klanten te bezoeken en staat nog steeds dag en nacht voor ze klaar. Er is eigenlijk niet zoveel veranderd, het bedrijf heet nu VHC Kreko Groep maar het leveringsprogramma en het klantenbestand zijn ongeveer gelijk gebleven.
In zijn privéleven vond wel een grote verandering plaats, toen zijn huwelijk met een meisje uit Bilthoven na vele jaren strandde. Na een periode als onwennige vrijgezel liep hij Arèke tegen het lijf, die toen als manager in een hotel in Domburg werkte en later zelfstandig ondernemer werd met een Bed & Breakfast in die populaire badplaats. Drie jaar geleden gaven ze elkaar het jawoord. Jos kreeg toen weer last van die wielerbacil die zich ooit in zijn lijf had genesteld. Als nieuwe activiteit binnen het bedrijf van zijn vrouw richtte hij Jos Schipper Adventures op, waarmee hij in de weekenden fietstochten door de provincie organiseert. Het heeft nog geen grote bekendheid, maar zijn fietsavonturen krijgen steeds meer aanhangers. Sportieve fietsers die van het toeren op de Zeeuwse dijken genieten, met de kop in de wind en een voldaan gevoel als ze na gedane arbeid in de Dorsvloer, de Bed & Breakfast van Arèke, verwend worden als in het duurste hotel ter wereld.
Jos Schipper was een goede renner, die in zijn beste jaren tegen de top aanzat, maar niet het geluk had in een echt grote ploeg te mogen rijden. Maar dat heeft hem nooit verdriet gedaan. Hij vindt dat hij er uit heeft gehaald wat er in zat en kijkt terug op een mooie periode in zijn leven. Als hij niet was gaan wielrennen, was hij waarschijnlijk timmerman in de bouw geworden of had hij zijn arbeidzaam leven in de hagelslagfabriek van De Ruijter gesleten. Net als zijn vader. Daar is niks mis mee, maar het wielrennen heeft hem veel meer gebracht. Zoals een schat aan mooie herinneringen aan de tijd dat hij met respect werd bejegend door de groten van het internationale wielerpeloton. Bernard Hinault, Joop Zoetemelk, Jan Raas, Freddy Maertens en Roger De Vlaeminck hebben allemaal geweten waartoe Jos Schipper in staat was.

TOEN FOOTBALL VOETBAL WERD

Kees van der Waerden is filosoof en neerlandicus. In 1995 debuteerde hij met het boek Filosofen over het ik. Momenten uit de geschiedenis van de westerse filosofie. Op het gebied van de Nederlandse taal- en letterkunde publiceerde hij artikelen in o.a. Spektator, Forum der Letteren, Levende Talen en NRC-Handelsblad. Ook verscheen de toneeltekst Socrates van zijn hand. Als co-auteur werkte Van der Waerden mee aan enkele lesmethodes voor het mbo. In 2006 schreef hij het Groot Voetbalwoordenboek van de Nederlandse Taal.
Fragment uit Hoofdstuk 3 over de regels van het voetbalspel
Time (1889 – 1900)
Evenals ‘half-time’ was ‘time’ in de jaren negentig van de 19e eeuw een veelvoorkomende uitdrukking. In de voetbalverslagen van de sportbladen maakte ‘time’ deel uit van het vaste corps Engelse leenwoorden: “Als het bijna time is ontstaat er nog eenmaal een scrimmage voor de Wageningsche goal, Ferf schiet, teruggeslagen, wederom een scrimmage, Eijken schiet weer, teruggeslagen, getrap, geloop, aanmoediging der half-backs en juist voor time is de laatste goal gemaakt.” (De Athleet 03-02-1894) De scheidsrechter kon voor ‘time’ fluiten als de speeltijd voorbij was. Daarnaast werd er bij het naderend einde van de wedstrijd door spelers en publiek vaak “time, time!” geroepen, waarmee geprobeerd werd de scheidsrechter te verleiden af te fluiten: “ ‘Time’ wordt geroepen, maar daar het reglement luidt, dat wanneer een vrije schop op tijd wordt toegestaan, de duur der match verlengd wordt, wordt de penalty-kick nog door Stokvis genomen.” (De Athleet 2-12-1893) In de beginjaren van de competitie werd de fluit nog niet gebruikt om het duel te beëindigen, maar riep de scheidsrechter dat het ‘time’ was: “Toen dan ook ‘time’ werd geroepen, stond de score nog altijd 1-1. Een ‘three cheers’ voor beide partijen weerklonk en spelers en toeschouwers verdwenen langzamerhand van het terrein.” (Ned. Sport 12-10-1889) Ook behoorde de fluit niet altijd tot de standaarduitrusting van een scheidsrechter. Zo is er een voorbeeld bekend van een referee die in 1889 tijdens een voetbalwedstrijd met een jachthoorn over het veld liep: “…Jasper Warnar, die scheidsrechterde en met een misthoorn van zijn jacht rond liep…” (Groothoff 1947, 139) Begin jaren negentig werd als vertaling van ‘time’ ook sporadisch gesproken van ‘tijd’, dat vanwege zijn onwennigheid vaak tussen aanhalingstekens werd geplaatst: “Dan is het ‘tijd’.” (Mulier 1894, 188) / “…als vier minuten voor ‘tijd’ Sparta een hoekschop ten deel valt.” (De Athleet 7-03-1894) / “…toen ‘tijd’ werd gefloten.” (De Athleet 17-02-1897) / “…kort daarop is het ‘tijd’.“ (De Athleet 24-03-1897). Pas vanaf 1900 was de term ‘tijd’ in de voetballerij voldoende ingeburgerd om de aanhalingstekens weg te laten: “…wordt tijd gefloten.” (Het Sportblad 27-09-1901)

27 - pagina 75
‘A trip’ (tekening uit het boek ‘Football’ van 1897

Out (1889 – 1900)
Zoals al eerder gememoreerd waren de meeste voetbalverslagen tot 1900 doorspekt met Engelse voetbaltermen. Een van die terugkerende woorden was ‘out’, dat begin jaren negentig in vertaling terug is te vinden als ‘uit’: “Het wordt knoeien en de bal is herhaaldelijk uit.” (De Athleet 07-03-1894) Als de bal over de zijlijn ging werd dit vaak geassocieerd met slecht voetbal: “De eerste oogenblikken kreeg men geen mooi spel te zien, herhaaldelijk was de bal ‘out’, doch spoedig gaf men geregelder spel te aanschouwen en bleef de bal een tijdlang op Zutfen’s terrein.” (De Athleet 2-12-1893) ‘Out’ is in dit laatste citaat tussen aanhalingstekens geplaatst als referentie naar de uitroep ‘out!’, die klonk als de bal de zijlijn was gepasseerd.
Spelers waren gewoon ‘out’ te roepen als ze daarmee een ingooi konden forceren: “Zij schijnen goed geoefend te zijn in het uittrappen en cornertrappen, want onophoudelijk hoort men: ‘out’ of ‘corner’.” (De Athleet 6-01-1897) Ging de bal over de achterlijn dan werd er door de aanvallende partij ‘corner’ geroepen. Deze spreektaaluitingen beperkten zich niet alleen tot competitiewedstrijden, maar waren ook te horen op de veldjes en pleintjes van de Nederlandse dorpen en steden: “Zwolle’s straatjeugd leeft ook reeds mee in het edele voetbalspel; men ziet hen in kleine clubjes op pleinen en straten achter een gewonen knikker of bal loopen, terwijl een vreeselijk geschreeuw van out en hands weerklinkt.” (De Athleet 16-12-1893)
Als een bal zichtbaar over de zijlijn was gegaan, riep de grensrechter naar de scheidrechter dat de bal ‘out’ was, waarbij hij de partijdige spelers en toeschouwers soms moest overschreeuwen. Dat dit wel eens tot misverstanden kon leiden blijkt uit het volgende schouwspel: “De grensrechter roept duidelijk hardop out. De bal wordt daardoor onmiddellijk als dood beschouwd en de heer Van Woude neemt den bal op. De referee geeft voor dit feit ongerechtigd een free-kick voor hands, omdat volgens zijne meening de bal nog in het spel was. Hierover ontstaat discussie. De heer Van Woude houdt de bal dralend bij zich, niet wetende aan wien hij zich te houden heeft en voldoet niet onmiddellijk aan den eisch van den referee, die, sterk falend, zonder uitlegging den bal uitgetrapt wenscht te zien. Enkel en alleen om dit feit, zonder eenige beleediging uitgelaten te hebben, wordt Van Woude van het veld verwijderd, (ongeveer een kwartier voor half-time) iets wat bij het publiek en bij enkele loyale Hagenaars in slechte aarde viel en meerdere omstanders den referee voor kwajongen deed uitmaken.” (De Athleet 24-03-1897) Scheidsrechters waren in die dagen wat flexibeler dan nu en de regels boden daartoe ook ruimte, want na “…veel tumult in de pauze…” mocht de heer Van Woude na ‘half-time’ weer meedoen van de scheidsrechter.

AMARCORDSNEEUW

Amarcordsneeuw is de derde roman van Joep Scholten. Eerder verschenen van hem Jongens voor onbepaalde tijd (2000), een Achterhoekse sfeerroman, en Het meisje met de blauwe bloemen (2008), een thrillerachtige roman over een Bosnische vluchteling. Ook zijn derde boek lardeert hij rijkelijk met kritische aantekeningen over de heden-daagse maatschappij.

Girl from the North Country

Soms lees je een bericht waarbij de verbazing paarsgewijs de revue passeert. Dubbele verbazing dus en wel omdat je niet wil geloven dat een wielrenner, weliswaar van het type vedette, zich tijdens een training op de openbare weg meende te kunnen permitteren te bepalen wie er wel of niet in zijn kielzog mocht meefietsen. Die andere verbazing is om wielrenners die zich dit lieten aanleunen. Oké, van Peter Post gaan wilde verhalen. Zijn verdeel- en heerszucht is legendarisch. Bovendien praten we over de jaren vijftig, uitlopend tot eind jaren zestig. Een tijd waarin gezag nog amper ter discussie stond. Het maakt de verbazing er nauwelijks minder om. Ik vroeg me af hoe dat ging, als een of andere wielrenner het in zijn hoofd zou krijgen mij te vertellen of ik wel of niet in zijn wiel mocht springen. Rij me er maar af, zou de standaardreactie zijn. Niet in Amsterdam en omgeving rond die tijd, begrijp ik uit dat bericht. Daar wachtte men deemoedig tot de vedette zijn goedkeuring geeft of tijdens het voorbijrijden het verdict ‘niet aanpikken’ uitspreekt. Onwillekeurig denk ik dan terug aan mijn eerste dagen op een racefiets. De Achterhoek was leeg toen. Andere wielrenners kwam je nauwelijks tegen of achterop. Ik trainde meestal alleen en kon me verkneukelen bij het geluid van een brommer in wiens spoor je jezelf onmiddellijk stortte zodra hij voorbijreed. Nee, wielrennen deed je alleen. Kwam je per ongeluk toch iemand tegen; was het een bekende. Je wist op welk merk fiets hij reed, zelfs de maat ervan, toen nog vooral in inches uitgedrukt. In de weekenden streed je tegen elkaar in wedstrijden.
Rond Amsterdam was het anders, begrijp ik uit een reactie van een oud-journalist en ooit wielrenner. Daar kon je zomaar voorbij gestoken worden door een vedette en was je overgeleverd aan de goedertierenheid van Tsaar Peter. Je zeeg bijna in devotie ter aarde als de grootheid op twee wielen zijn zegen uitsprak over jouw aanwezigheid achter zijn kont. Vijftig jaar na dato kun je daar nog verguld over schrijven. Voilà, mijn tweede verbazing. Van Achterhoekers heerst de karikatuur dat ze onderdanig door het leven gaan en als boer op klompen, met de pet in de hand, wachten tot hen een gunst wordt verleend. In Amsterdam, begrijp ik sinds kort, zaten ze op een racefiets. Natuurlijk maakte al snel het gevoel van je meester dat een gewone fietser of trimmer geen gezicht was in het wiel van de wedstrijdrijder die jezelf was. Reden om onmiddellijk te versnellen zodra zich zo’n exemplaar aan jouw achterwiel wilde nestelen. Met het ouder worden en de toenemende aantallen toerfietsers, kwam je soms van die sterke buffels tegen. Op meestal een veel te grote versnelling wisten ze zich ongemakkelijk lang in het wiel te handhaven. Je moest je letterlijk uit de naad jakkeren om ze kwijt te raken. Steeds vaker had je daar trucs voor nodig, omdat snelheid alleen niet meer toereikend was. Ik herinner me zo’n exercitie.
We reden met zijn drieën. Ik bevond me in gezelschap van vader en zoon, beide topcrossers waarvan de zoon net had besloten zijn talent in zaken te steken in plaats van wielrennen. Ergens op de stille wegen rond Steenderen en Bronkhorst kregen we hem in het vizier en passeerden hem. Hoewel we al enigszins versnelden, haakte hij zijn wagonnetje aan. Zonder een woord werd het tempo opgevoerd. Hoewel we al snel dik veertig op de teller hadden staan, gaf hij geen krimp. Puur op snelheid zou het moeilijk worden, begrepen we. Uiteindelijk waren wij al een hele tijd geen veertig meer. Er zat niets anders op dan hem te verdragen in ons wiel. Tot we afstevenden op een bocht die we kennen als een uitermate technische bocht. Zo’n links-rechts combinatie die je op volle snelheid alleen overleeft wanneer je precies op de schuine binnenrand weet te sturen en die op het juiste moment weer verlaat door de weg over te steken naar precies zo’n randje asfalt naar rechts. Op de Nürburgring bestaat zo’n situatie voor raceauto’s. De Karoussel van de Nordschleife is berucht omdat menig racer in de dop daar in de vangrails klapt. Onze Karoussel had aan beide zijden een brede sloot. De oude vos crosser had hetzelfde idee als ik en gaf bij het passeren binnensmonds een signaal aan zijn zoon: ‘Pal in ’t wiel’. Daar in die bocht ging het gebeuren. De snelheidsmeter bleef ook in de bocht dichtbij de vijftig. Na de bocht lag de sterke buffel plotseling op ruim twintig meter. Een gat, te groot om dicht te rijden. Kop over kop koersend zorgden wij dat hij zich zienderogen stuk reed. Toen hij uit het zicht verdwenen was, spraken we lovend over hem. Hij had toch maar een kilometer op tien overleefd met snelheden die nooit onder de veertig per uur raakten. Met achter brommers rijden hebben we allemaal ervaring, maar zo bont als die ene figuur het maakte, hoorde ik nooit van anderen. Dat niet iedereen even gelukkig is met zo’n wielrenner achter je, kan ik me voorstellen. Zeker als het regent, zie je dat de sproeiregen van de wielen een raar spelletje speelt. Geleidelijk wordt de gangmaker net zo nat terwijl er aan zijn spatborden niets mankeert. Maar de vijandigheid die ik eenmaal trof, was buitencategorie.
Ik was negentien en reed in het vroege voorjaar op de parallelweg van Doetinchem van Doesburg. Net buiten de bebouwde kom haalde een brommer me in. Er zat een man op die sprekend leek op de karikatuur die André van Duin later van hem zou maken: type Willempie. Net zo’n leren jas en net zo’n dophelm. Alleen de brommer was veel sneller; merk Zündapp en lichtelijk gekieteld. We vlogen over het asfalt; kortom, een ideale gangmaker. In perfecte harmonie naderden we het eerste tussenstation Langerak. Voor de ijzergieterij daar keek hij plotseling achterom en maakte zonder aarzelen een noodstop. Via een halsbrekende toer en een hoop mazzel wist ik hem te ontwijken en begon de ellende. Terwijl ik gebaren makend uiting gaf aan mijn misnoegen, deed hij net of hij niets zag of hoorde. Maar toen ik langszij kwam, haalde hij even onverwacht schoppend naar me uit. Zijn linkerlaars – jawel, hij was helemaal in het leer – landde op de scheden van mijn voorvork. Weldra zouden in de grote steden van de wereld studenten de straat op gaan om het gezag uit te dagen. In mij school geen Rudi Dutschke of Daniel Cohn-Bendit wist ik, de anonimiteit van een schreeuwende massa staat me tegen, maar ik liet me verdorie niet door een idioot in het leer van de fiets trappen. Pal voor het metaalbedrijf sloegen we aan het knokken. Hij trapte en ik sloeg. Tenslotte ramde ik mijn handpomp op zijn helm aan stukken. Dat maakte indruk. De strijd eindigde onbeslist. Geen jurylid in velden noch wegen, wel toeschouwers. Het kantoorpersoneel van de Langerakse Hut, een toen vuilspuitende ijzergieterij, had een topdag. Op de eerste verdieping hadden ze zich verzameld voor de ramen. Toen ik omhoog keek, zag ik ze staan. Beslist nette mensen. Mannen met stropdassen en dames met mantelpakjes herinner ik mij nog levendig. Die andere rare brommer was minder gewelddadig, maar ook gevaarlijk. Begon ook zomaar te remmen toen hij in de gaten had dat ik achter hem fietste. Hij schudde voortdurend ‘Nee’. Hoezo, nee? Ik probeerde hem uit te leggen dat de openbare weg voor iedereen is. Steeds remde hij zodra ik in zijn wiel zat. Je gaat anticiperen. Tot het verveelde. Ik besloot voor hem te gaan rijden, net zo langzaam als sprinters op de baan tijdens de opmaat voor een finale. Toen hij bijna omdonderde, leek me dat op een mooie beloning. Nooit daarvoor en ook niet daarna heb ik de weg van Zeddam naar Etten in zo’n traag tempo afgelegd.
JOEPMaar er zijn ook mooie ervaringen. Zo mooi dat ze vergeten bijna misdadig te noemen is. Daarom schreef ik het op. Rare gewoonte misschien, maar met mooie herinneringen kan je niet zorgvuldig genoeg zijn. Ik kan niet leven met de gedachte dat ze voortijdig zouden verdampen in een Alzheimerbrein of stom worden door de woordloosheid van een TIA of gewelddadig trauma. Nooit wil ik daarin afhankelijk zijn van foute gangmakers. Mooie herinneringen moet je uit eerste hand horen, vanzelfsprekend klinkt er muziek bij. Van dat lied zijn een heleboel uitvoeringen, ontdekte ik in de loop der tijd. Kijk op YouTube en het feest lijkt onbeperkt. Het origineel van de zanger-componist is verlokkelijk, minstens zo verrassend vond ik een uitvoering van Joni Mitchell en Johnny Cash. Toch kies ik altijd weer voor die ene kortdurende schoonheid, ooit ergens gezongen in een park en sindsdien een baken van hoe mooi popmuziek kan klinken. Tevens een prachtig voorbeeld van hoe een onverwachte cocktail van stemmen registers van gevoel kunnen opentrekken, die je voordien niet kende. Nee, die mevrouw op haar brommer had geen idee wat ze allemaal losmaakte. Willoos liet ik me meezuigen in het mooiste abri denkbaar.
Ergens in de bossen van Les Landes in Frankrijk. Dagelijks verdwijn ik peddelend in het landschap. De weg loopt kaarsrecht naar het zuiden en is dertig km lang. Rechts de duinen met daar achter de Golf van Biskaje en links alleen maar bossen overgaand in net zo eindeloze wijngaarden. Het is de Bordeauxstreek en dronken worden is hier een deugd. Corsicaanse dennen, denk ik hardop terwijl ik om me heen kijk. Ooit waren ze geplant om een ziltig moeras droog te leggen. Ik ruik de hars die ze van de bomen tappen. Ze maken er terpentijn van. De zon staat bijna loodrecht en rondom me klinkt een licht knisperend geluid. Openbrekende dennenappels. Bijna ritmisch begeleiden ze mijn pedaaltred. In mijn hoofd zingt het.
Mijn racefiets is bij voorkeur een plaats waar ik onderduik in gedachten, het blijkt een onuitputtelijke bron voor oplossingen van wereldproblemen. Ik heb er politici en andere zwetsfiguren leren doorzien en daarmee mijn eigen tekortkomingen. Als ik in het zadel in gesprek raak met de engelen, wordt duidelijk hoe de mens werkelijk in elkaar zit, en … bij engelen klinkt muziek. Mijn hoofd zit er vol van. Op het ene moment is het achtergrondkoor bij zo maar gedachten, dan weer dicteert het dwingend de cadans van mijn omwentelingen. Zo ver ik kijken kan, is de weg leeg. Iedereen is verstandig. Op dit uur van de dag zoekt iedereen de schaduw op en houdt zich koest. De zon heeft zich vastgebeten in mijn nek. Mooier kan fietsen niet zijn. Hoe lang ik al fiets wens ik op zulke momenten te vergeten. Tot er vanuit het niets een brommer aan mij voorbij rijdt. De reflex, hij is er nog steeds, nooit kom je af van die reflex. Ook de meest zieke leeuw zal zijn poot uitslaan. Zolang het maar beweegt, al is het een vlo.
Wielrenners, ook als hun tijd al lang geweest is, versnellen instinctief zodra ze worden gepasseerd. Is het angst om de slag te missen? Ik weet het niet. In ieder geval slijt het nooit. Zonder nadenken nestel ik me in het wiel. Dan pas kijk ik achter wie ik me in het zweet rijd. Het eerste wat me opvalt is haar rug. Op slag weet ik: dit is de mooiste rug die ik me kan herinneren. Gelukkig is er veel van te zien. Ik laat mijn blik er langs glijden. Van boven naar beneden en dan weer omhoog, om te eindigen in een wapperende dos van vuurrode haren. Ze draagt een wijde trui van grofmazig weefsel. Op haar schouders houdt een simpel koord alles op zijn plaats. Niet fanatiek, de rijbeweging en de wind laten haar dansen van links naar rechts. De diepe V wordt losjes wapperend in de wind aan beide zijden schaars afgebakend. Het lijkt nergens te eindigen, maar simpelweg over te gaan tot waar haar billen moeten zijn. Niemand weet van het hoe, realiseer ik me, of bekommert zich om de noodzaak van het waarom. Eén ding wordt hier zonneklaar: daar ergens bevindt zich de poort van een hemel, terwijl ik een glimp opvang van een klein bikinibroekje met daarin haar perfecte rondingen. Haar huid is blank, bijna doorschijnend. Een soort schoonheid waarvoor fantasie ontoereikend is. De overdadige zomer heeft er een geheimzinnige blos op getoverd. Door de rijwind danst de losse trui heen en weer en laat links en dan weer rechts veel te raden over. In mijn hoofd klinkt plots andere muziek. Even droom ik dat mijn blik om een hoek kan kijken. Ondertussen klinkt het geluid van winderige kusten, ver weg, hoog in het noorden, want alleen daar is haar zo rood en huid zo blank.
Well, if you’re travelin’ in the north country fair,
Where the winds hit heavy on the borderline.
In aangenaam tempo zoeven we door het landschap. Ik vraag me af wie in godsnaam de term pijnbomen ooit heeft bedacht. Een heel bos vol en nergens ook maar een gevoel dat in de buurt komt. Ondertussen wapperden haar krullen en ik stel me voor dat met zo’n uitzicht het beloofde land niet ver weg meer kan zijn. Dan draait ze zich om en roept: ‘Ça va, monsieur?’ Ik antwoord: ‘Oui madame. Merci.’ We passeren een bord, Biarritz 200 km. Lijkt me een mooie plek voor het beloofde land. Om de zoveel kilometers vraagt ze: ‘Ça va, monsieur?’ En ik antwoord: ‘Oui madame, très bien. Merci.’ Het zingt nu luid in mijn hoofd. Ik ken die muziek, de woorden komen als vanzelf:
Well, if you go when the snowflakes storm,
When the rivers freeze and summer ends,
Please, see if she’s wearing a coat so warm,
To keep her from the howlin’ winds.
‘Ça va, monsieur?’ Ik realiseer me dat ik altijd van meisjes met rode haren heb gehouden. Ze kwamen en gingen in mijn leven en later hoorde ik dat het slecht met hen afliep. We rijden op ideale mijmersnelheid. Zonovergoten en met een hemels uitzicht op haar achterzijde rollen de zinnen:
Please see for me if her hair hangs long,
If it rolls and flows all down her breast.
Please see for me if her hair hangs long,
That’s the way I remember her best.
En dan na opnieuw een ‘Ça va, monsieur?’ gevolgd door al bijna een automatisch ‘Oui madame’ weet ik het. Niet één seconde twijfel. Abrupt beëindig ik mijn droom. Dit lied verdraagt geen happy end, dit verhaal zal het moeten doen met de weemoed om wat ooit was. Terwijl ik me dit realiseer, roep ik: ‘Au revoir madame, merci beaucoup. Vous étiez une société très agréable.’ Ik heb mijn steven gewend, ben op weg richting noorden. Daar, waar zij ooit vandaan kwam. In de verte zwaait ze nog een keer en ik stel ik me voor hoe die trui zal wijken, naar links of rechts en in al zijn albasten schoonheid haar geheimen prijs zal geven. Woorden, wat blijft dat zijn de woorden. Als een fietsende gek tussen eindeloze dennen schreeuw ik ze uit:
I’m a-wonderin’ if she remembers me at all.
Many times I’ve often prayed.
In the darkness of my night,
In the brightness of my day.
Bob Dylan schreef het, zong het, maar aan de uitvoering van Joe Cocker en Leon Russell van Mad Dogs & Englishmen kan niemand tippen. Misschien ook omdat het heerlijk kort is, bijna net zo kort als onze ontmoeting. Net zo wonderschoon ook. Als alle wielrenners zo’n rug hebben, weet ik zeker, rijd ik nooit meer op kop. Ongegeneerd laat ik mijn zomerkolder galmen over eenzaam asfalt ergens tussen Montalivet en Arcachon.
So if you’re travelin’ in the north country fair,
Where the winds hit heavy on the borderline.
Remember me to one who lives there.
She once was a true love of mine.

ALS JE DE TOUR NIET HEBT GEREDEN, DEEL 1

Fred van Slogteren begon in 1996 na een carrière als copywriter en bedrijfsjournalist een tweede leven in de wielerjournalistiek. Hij werkte voor diverse kranten en tijdschriften, zoals Wieler Revue en Wielerland Magazine. Verder is hij dagelijks actief op internet met de populaire site wielersport.slogblog.nl. Van zijn hand verschenen eerder gedetailleerde biografieën van wielergrootheden als Peter Post (1998), Jan Janssen (2001), Joop Zoetemelk (2005) en Jan Raas (2009). In 2003 verscheen Wielerhelden van Oranje, het door hem geschreven jubileumboek van de toen 75-jarige KNWU.
005 – John Braspennincx
* Hoogstraten (B), 24-05-1914
† Zundert, 07-01-2008
* Tourresultaat: 1937 –  opgave in de vijfde etappe
006a John BraspennincxIn het Belasting & Douane Museum in Rotterdam is nog te zien met welke attributen beroepssmokkelaars in de jaren veertig en vijftig hun vak uitoefenden. Dat was niet misselijk en het wordt je daar duidelijk dat het echte criminelen waren die dat duistere beroep uitoefenden. In de jaren tachtig is een speelfilm gemaakt over zo’n smokkelaar met de titel De Zwarte Ruiter. Die film laat zien dat de smokkelbendes en de douaneteams van toen elkaar regelmatig naar het leven stonden en dat er van beide kanten zware middelen werden gebruikt om de tegengestelde doelen te bereiken.
In die periode, die werd beëindigd toen in het kader van de Europese samenwerking afspraken tussen buurlanden werden gemaakt, hebben nogal wat wielrenners in die bloeiende business een actieve rol gespeeld. Dat viel meestal onder het kopje ´kruimelwerk´, want tien pakjes boter in je plusfour verbergen zal niemand een criminele actie willen noemen. De douaneambtenaren hadden er zelfs lol in om zo’n zogenaamd trainende wielrenner aan te houden en de verdachte in het kantoortje een half uurtje voor de roodgloeiende kachel te laten staan. Na korte tijd liep de boter in straaltjes uit de broekspijpen en lag er een plasje op de vloer waarin je zo een biefstuk kon braden.
Een man als John Braspennincx kun je niet tot die categorie rekenen, want hij droeg de naam Koning der Smokkelaars met ere. Hij was een grote vis, waar de douane permanent jacht op maakte. Bij hem ging het niet om een paar pakjes boter of tabak, maar om grote partijen met gepantserde vrachtwagens, kraaienpoten en scherpschietend wapentuig als gereedschappen. Naar de letter van de wet was D´n Bras een crimineel, die door zijn grote aanpak de Staat der Nederlanden voor tonnen en misschien wel miljoenen heeft benadeeld en daar ook een aantal malen voor heeft gezeten. In latere jaren, toen zijn grensoverschrijdende illegale activiteiten tot het verleden behoorden, is de oud-wielrenner diverse keren geïnterviewd en altijd werd er in een sfeer van romantisch kwajongenswerk nogal lacherig over zijn verleden als smokkelkoning geschreven. De ongekroonde majesteit raakte zelf niet uitgepraat over zijn toenmalig smokkelrijk.
Terwijl toch ook over zijn wielercarrière heel wat te vertellen was, want ook hier verwierf hij zich een vorstentitel: De Koning der Kermiskoersen. In Vlaanderen werden in die jaren enkele van die wedstrijden per week georganiseerd, met vaak meer dan tweehonderd man aan de start en vele Nederlandse beroepsrenners waren daar voor hun inkomsten van afhankelijk. Een kermiskoers is niet hetzelfde als wat in Nederland een criterium wordt genoemd, want alleen de te rijden afstand was al twee keer zo groot. Weliswaar was de draaimolen of de kerk in het dorp ook het middelpunt van het evenement, maar het parcours ging tevens met grote lussen over de slecht onderhouden boerenweggetjes in de omgeving. Met kasseien belegde smalle wegen die door tractoren kapot waren gereden en waar diepe regenplassen kuilen en andere obstakels onzichtbaar maakten. Een parcours voor bikkels en menige coryfee van Parijs-Roubaix heeft in de kermiskoersen het vak geleerd.
Er kwam altijd veel volk op af en voor de coureurs was er veel geld te verdienen. Als je althans in staat was bij de eersten te rijden, want als je na één ronde als honderdste doorkwam, kwam je er niet meer bij en kon je beter afstappen. De uitslagen van al die koersen werden nauwgezet door een krant in een klassement bijgehouden en aan het eind van elk seizoen werd de winnaar bekendgemaakt. Die mocht zich dan een jaar lang Koning der Kermiskoersen noemen. Twee Nederlanders is die eer ooit te beurt gevallen en dat waren John Braspennincx in 1938 en Theofiel Middelkamp in 1950. Beide talentrijke en handige coureurs, die vanwege die laatste capaciteit ook in het smokkelvak tot de elite behoorden.
D´n Flap, zo genoemd vanwege zijn wijd afstaande oren, was een klasbak die twee maal kampioen van Nederland op de weg is geweest. Hij was ook een echte prof en heeft daarom altijd daar gereden waar het meest te verdienen was. Dat waren niet de klassiekers en evenmin de Tour de France. In de sportief weinig aansprekende kermiskoersen verdiende hij daarentegen bakken met geld. Hij was doorgaans een vrolijke man, maar in de koers had beroepsernst prioriteit. Overal waar hij reed stond het zwart van de mensen en om die tevreden naar huis te laten gaan, sloeg de vlam regelmatig in de pan. Het liefst had hij alleen maar dit soort koersen gereden, maar als kampioen van Nederland kon hij het in 1937 niet maken Joris van den Bergh weg te sturen toen die hem uitnodigde voor zijn Tourploeg.
006c John BraspennincxHet werd een deceptie, want al in de eerste etappe werd de explosieve kermiskoerser geconfronteerd met een heel ander wedstrijdverloop dan hij gewend was. Hij paste zich snel aan en eindigde in die openingsrit zelfs als beste Nederlander, maar wel al met negen minuten achterstand. Een gevolg van lekke banden en andere malheur en iedere keer als hij een verse tube moest omleggen, daalde zijn moraal. Hij sukkelde nog enkele dagen door, maar in Genève zakte de moed hem definitief in de schoenen. Vanuit zijn hotelkamer zag hij aan de horizon de Alpenreuzen waar ze de volgende dagen overheen moesten. Nog diezelfde dag spoorde hij met twee van zijn ploegmakkers richting Nederland. Het Touravontuur van D’n Bras had precies vijf dagen geduurd.
Omdat hij eigenlijk geen geldig excuus kon bedenken voor het opgeven van drie van zijn renners, publiceerde de in Nederland achtergebleven ploegleider daags daarna een fantasierijk verhaal in de krant. Volgens Joris van den Bergh was Braspennincx zwaar gehandicapt door een val in de etappe van Lille naar Charleville, waardoor hij ernstig gewond was geraakt aan beide armen en een been. Bovendien, zo schreef de vader van de Nederlandse sportjournalistiek, had D’n Bras in die rit zeven keer een lekke band gekregen en het ernstig met zijn onwillige zadel te verduren gehad.
Terug in Nederland werd de ‘zwaargewonde’ uitvaller door andere journalisten dan ook direct ondervraagd. Omdat hij geen zichtbare verwondingen had en ook niet dik in de zwachtels zat, kon hij niet anders dan het een onzinverhaal noemen, mede omdat hij zich niet kon herinneren Van den Bergh in die vijf Tourdagen te hebben gezien of gesproken. Dat schoot uiteraard bij de ploegleider in het verkeerde keelgat en hij maakte de kampioen van Nederland in zijn volgende artikel met de grond gelijk. Het is niet meer goed gekomen tussen de twee en de naam Braspennincx heeft dan ook nooit meer op de deelnemerslijst van de Tour de France gestaan.
Die naam was al voor hij met wielrennen begon beroemd in de wielerwereld, omdat diverse familieleden hem als coureur waren voorgegaan. Als we de hele dynastie in ogenschouw nemen, was D’n Flap verreweg de meest talentvolle en ongetwijfeld ook de meest kleurrijke. Toen hij in 1937 voor de eerste maal kampioen van Nederland werd, was het die dag drie maal feest bij de familie uit Rijsbergen. Vader Jan Braspennincx werd op diezelfde dag kampioen van Nederland bij de veteranen en Jan Theuns, een weeskind dat op jonge leeftijd in het gezin werd opgenomen en er opgroeide, werd kampioen bij de onafhankelijken. Naast John is ook zijn oom Janus een beroemdheid geweest, zowel als wegrenner als zesdaagsencoureur. Diens glorietijd speelde zich af in de late jaren twintig en de vroege jaren dertig. D’n Ouwe Bras heeft daardoor niet de gelegenheid gehad de Tour de France te rijden, maar zijn rennerskwaliteiten waren groot, dat toont zijn erelijst met maar liefst 544 overwinningen ondubbelzinnig aan.
In de oorlogsjaren raakte D’n Jonge Bras voor het eerst bij het smokkelen betrokken en hoewel dat veel van zijn tijd vergde, reed hij overal waar er koers was. Hij had ook bijna altijd prijs en daarmee bezorgde hij zichzelf een uitstekende dekmantel voor zijn nachtelijke activiteiten. Zijn tweede nationale kampioenschap in 1942 was voor de douane zelfs een overduidelijk bewijs dat hij nooit die Koning der Smokkelaars kon zijn, omdat een kampioen als hij toch zeker elke dag een uurtje of acht moest trainen. Hij gebruikte die dekmantel tot ver na de oorlog tot hij in 1951 op 37-jarige leeftijd met wielrennen stopte. Hij ging daarna gewoon door met zijn smokkelactiviteiten en toen dat door bilaterale afspraken tussen België en Nederland niet lucratief meer was, ging hij verder als handelaar in allerlei goederen.
Hij moest wel, want hoewel hij in die oorlogsjaren kapitalen moet hebben verdiend, raakte hij dat allemaal kwijt door de naoorlogse geldsanering. John Braspennincx is heel oud geworden, want pas op 93-jarige leeftijd passeerde hij de eindstreep van het leven. De laatste jaren was hij geketend aan zijn stoel, maar altijd nog bereid over zijn opmerkelijke verleden te vertellen. Een deels dubieus verleden, maar laten we hem daar zoveel jaar later niet te hard om vallen. Hij was een kind van zijn tijd, waarin het vooral in zijn geboortestreek armoe troef was en velen honger kenden. Als je dan zo dicht bij België woont en je kent alle bospaadjes die naar de andere kant van de grens leiden, dan is de keus niet moeilijk. ‘Erst kommt das Fressen, dann kommt die Moral’, dichtte Bertolt Brecht en dat zou de Koning der Smokkelaars uit het hart gegrepen zijn.