Categorie archief: Reisverhalen

GROENE ROMMEL IN DE BLOEMENVALLEI

Irma van Duuren (1967) schrijft al tientallen jaren met veel plezier verhalen en gedichten. Ze studeerde af in amerikanistiek aan de universiteit van Utrecht. Ze woont en leeft al vele jaren in Hongkong en daarvoor in Singapore, China, Taiwan, Duitsland en Nederland. In 1997 vertrok Irma met haar man Harold en hun oudste zoon Tom naar Hongkong. Enkele jaren later kwam Jaap er bij, de tweede zoon. Lange tijd leefden ze in een omgeving omringd door expats. Na een onderbreking in Taiwan en Sjanghai verhuisde het gezin in 2010 terug naar Hongkong, naar een klein Chinees dorpje aan de rand van de jungle. In dit boekje vertelt Irma over haar belevenissen in deze sprookjesachtige omgeving.
.
15. Slangen
Het onderwerp slangen vind ik geen prettig onderwerp om over te schrijven. Maar ze zijn er nu eenmaal, net als kikkers, vlinders en gekko’s. Ze zijn enerzijds belangrijk voor het ecosysteem, maar kunnen anderzijds ook gevaarlijk zijn. Niet alle natuurlijk, maar vele.
De meest voorkomende slangen zijn de bamboeslang, de rattenslang en de red-necked keelback. Soms kom je hier ook nog weleens een Chinese cobra tegen. Afgezien van de rattenslang zijn bovengenoemde slangen giftig. Juist omdat ze niet zo lang en dik zijn en mooie schutkleuren hebben, zie je die giftigen niet zo snel. Gelukkig zijn vrijwel alle slangen net zo bang voor de mens als de meeste mensen voor hen. Zolang ze je maar op tijd in de gaten hebben, zullen ze zich bij voorbaat terugtrekken of schuilhouden. Maar voelen ze zich bedreigd, dan vallen ze aan.
Toen we hier net kwamen wonen, zag onze tuin er bijna hetzelfde uit als de jungle achter het hek: één grote wildernis. Met messen en scharen ging ik aan de slag om het hoge gras en de laag overhangende struiken weg te knippen. Het duurde weken eer ik de tuin onder controle had en het niet langer meer boven mijn krachten uitgroeide. Regelmatig kwam ik slangen tegen. Het is zelfs voorgekomen dat ik er vijf op een dag tegen het lijf liep. Drie daarvan waren rattenslangen, een grote en twee kleintjes. Ik denk dat het een moeder was met haar kroost, maar zeker weten doe ik het niet. Ik was gras aan het knippen dat ongeveer een halve meter hoog stond. Opeens stond ik oog in oog met een van de kleintjes. Deze was minder dan een meter lang. Hij keek me aan met een paar heel vriendelijke donkere oogjes. Echt! We stonden beiden stokstijf stil. Hij viel niet aan, maar gleed plots weg. Even later glipte er een tweede achteraan en daarna de grote. Vliegensvlug. De donkerbruine moeder was minstens anderhalve meter lang en zo dik als mijn arm. Ik zag haar nog over het witte muurtje aan de andere kant van de tuin wegschieten (slangen kunnen prima klimmen). De andere twee die ik die dag tegenkwam, waren trouwens wel giftig.
In de beginperiode van ons verblijf riep ik vaak opa Yip als ik een slang zag. Hij schoot me dan te hulp met zijn lange, buigzame bamboestok en terwijl hij de slang doodsloeg, leerde hij me tegelijkertijd hoe ik het zelf moest doen. Hij vertelde me dat ik in ieder geval rustig moest blijven om de slang de kans te geven te vluchten. Maar wilde de slang dit niet doen, dan moest ik de slang op een bepaalde plek vlak achter zijn kop bewusteloos slaan. Zodra dat was gebeurd, was het de bedoeling zo hard mogelijk te meppen totdat de slang dood was. De slang moest vervolgens weggegooid worden (ergens achter in de jungle) en de bamboestok goed schoongemaakt met zand en water uit het beekje om ervoor te zorgen dat er geen gif aan zou blijven kleven. De volgende keer als ik een slang zou zien, kon ik dan met een gerust hart de stok weer ter hand nemen.
Sindsdien liggen er als ik buiten ben altijd twee bamboestokken van ongeveer anderhalve meter lang en twee centimeter dik binnen handbereik. Ik heb ze regelmatig moeten gebruiken. Maar als een slang langer is dan een meter, begin ik niet eens aan. Dan loop ik heel rustig naar achteren en bel de slangenvanger. Soms is de slang al weg, voordat de slangenvanger komt. Soms ook niet. Dan pakt hij zijn jute zak en zijn lange haakstok en gaat aan de slag. Hij is ontzettend handig en heeft de slang meestal binnen vijf minuten te pakken. Levend stopt hij de slang in zijn zak en gaat er dan op zijn brommertje mee vandoor. Hoe giftiger de slang, des te groter de grijns op zijn gezicht. Want hoe giftiger de slang des te meer hij er voor betaald krijgt bij het restaurant. Slangensoep is heel goed voor de potentie, zeggen de Chinezen.
Tja, slangenverhalen te over. Nog één laatste anekdote, die me leerde hoe belangrijk het is alert te blijven. Zo was ik op een avond even naar buiten gelopen. Mijn bril had ik binnen laten liggen. De lucht voelde zwoel aan. Het begon al te schemeren. Ik liep wat door te tuin te mijmeren, terwijl ik hier en daar onkruid wegplukte. Via het trapje naar het hoger gelegen deel kwam ik aan bij de donkerhouten poort. Het had die dag gewaaid en overal lagen takjes. Zo ook op de klink van de poort. Ik raapte de takjes op en gooide ze op een hoopje. Het takje op de klink leek een beetje vastgedraaid te zitten. Het duurde even eer ik het had los gesjord had. Pas toen ik het dertig centimeter lange dunne takje in mijn handen hield, drong het tot me door hoe vreemd zacht het was. In een flits gooide ik het op de grond en tot mijn grote schrik glipte het takje vliegensvlug weg. Net zo geschrokken als ik…
.
Bamboeslang
Advertenties

DE ONTDEKKING VAN SHETLAND

Jan Bommerson (1950) was docent Nederlands, trad op als cabaretier met ‘Jank’ en ‘Martin, Ton en Bommerson’ en als presentator van theater- en smartlappenavonden. Hij publiceerde gedichten en won er in Nederland en België prijzen mee. Hij reist graag naar noordelijke streken, fotografeert er en schrijft erover. In de zomer van 1979 reist hij naar de Noordkaap in Noorwegen en weer terug. Hij legde zijn ervaringen vast in enkele ‘zonderbare verhalen’ die werden gebundeld in ‘NOORS’, over een tot mislukken gedoemde reis door Noorwegen. Zijn tweede boek heet ‘De ontdekking van Shetland’. In dit boek vertelt hij het verhaal over zijn reizen naar de Shetlandeilanden in de jaren zeventig van de vorige eeuw. De Shetlandeilanden liggen een paar honderd kilometer ten noorden van Schotland. Ze zijn kaal, rotsachtig en onherbergzaam, regenachtig en winderig, maar bieden een schat aan vogelleven, archeologische vindplaatsen en vrolijke pubs met veel muziek. Bommerson bivakkeerde tijdens zijn reizen op een onbewoond eiland met duizelingwekkende kliffen, gidste deftige Engelse toeristen door het noordelijkste natuurreservaat van het Verenigd Koninkrijk en leefde er intensief samen met een groepje jonge Shetlandse en Schotse vrienden. Met hen stak hij turf, dreef hij schapen bijeen en vierde hij feest. De voortekenen tijdens de eerste reis waren slecht. Onderweg, in een Schotse pub, kon een dorpeling zich niet voorstellen dat iemand vrijwillig naar Shetland probeerde te reizen. Voor Bommerson was dat juist aanleiding om alles op alles te zetten om de eilanden te bereiken. Na die eerste reis is hij nog twee maal op Shetland geweest, telkens ongeveer een maand. In zijn heldere beeldende stijl vertelt hij erover. Dankzij het vaak humoristische verhaal van ‘De ontdekking van Shetland’ maakt de lezer kennis met deze afgelegen eilanden en hun bevolking. In het boek staat een kleine selectie van de honderden foto’s die Bommerson op de eilanden maakte.

 

Hoe een schoen verdween
In het noordwesten van Unst, het noordelijkste bewoonde eiland van Shetland, ligt het natuurreservaat Hermaness. Het is een gebied van vijf bij ruim twee kilometer. Aan de oostkant ligt het langs een diepe inham, de Burra Firth. Aan de zuidkant loopt het ongemerkt over in de rest van Unst. De ruige Noord-Atlantische westkust is het meest interessante deel van het gebied. Er zijn hoge rotsen, kliffen, kolonies van zeevogels. De noordelijkste punt geeft uitzicht op Muckle Flugga, het noordelijkste eilandje van het Verenigd Koninkrijk. Er staat een vuurtoren op, die al enige jaren automatisch functioneert en niet meer permanent bemand is. Vanaf de kust van Unst is het eilandje duidelijk te zien.
Voor het gemak heb ik in Lerwick bij Bolt’s Car Hire een auto gehuurd, een Triumph Toledo. Triumph staat bekend om zijn sportieve auto’s en motoren. De Toledo is een tamelijk gewone gezinsauto, maar hij rijdt verrassend pittig over de Shetlandse kronkelende wegen.
Er zijn geen campings op Unst, laat staan in Hermaness. Ik heb mijn tent opgezet langs een stroompje helder water, een eindje van de weg, omdat ik niet in het volle zicht wil staan kamperen. De weg, niet breder dan een meter of drie, houdt hier op. Doorgaand verkeer is er niet. Ook de auto probeer ik buiten beeld te plaatsen, maar ik moet oppassen dat ik hem niet zo parkeer dat hij langzaam in het moerassige gebied wegzakt en dat ik er niet zonder hulp mee weg kom.
Ik maak, als het regent, een paar ritjes over het eiland met mijn Toledo, maar de meeste tijd ben ik aan het rondstruinen door de heide en de moerassen van Hermaness. Ik heb een topografische kaart van het gebied (1:50.000), waarmee ik me aardig kan oriënteren. Vroeger had je de one-inch-to-the-mile-maps, maar het Verenigd Koninkrijk is decimaal geworden. Op mijn kaart staat slechts één pad aangegeven door het onbewoonde gebied. Daar trek ik me niks van aan. Als je een beetje uit je doppen kijkt, kun je hier overal lopen.
Vlakbij mijn tent stroomt een beekje, de Milldale burn. Je bent er met een stap overheen en als je niet goed oplet, zie je het niet eens. Toch stroomt het dag en nacht rustig kabbelend door. Stroomopwaarts zijn geen vervuilende fabrieken of landbouwgif strooiende boeren. Het water is gefilterd door dikke lagen eeuwenoude turf, dus glashelder en bovendien steenkoud. ‘s Morgens poets ik met het water mijn tanden en fris ik mijn gezicht er mee op. En ik schep er water uit voor mijn kop Bovril. Voor ik het drink, kook ik het wel. Je weet nooit wat voor onzichtbaar onheil zich in zo’n heldere beker water verscholen houdt.
Het pad leidt naar de top van Hermaness Hill, een bult van tweehonderd meter hoog, en dan verder naar de noordpunt van het eiland. De wandeling vereist wel de oversteek van de Burn of Winnaswarta Dale. Een stroompje van niks. Maar wat een prachtige naam! Vanaf de top van de heuvel heb ik een fantastisch uitzicht over het hele reservaat. Bijna rondom is zee. Een eindje naar het noorden, in de diepte, ligt Muckle Flugga. Het water stuift hoog op rond de rotsen van het eilandje. Hoe daar ooit mensen aan land zijn gegaan, en op die klomp rotsen een vuurtoren hebben kunnen bouwen, is me een raadsel.
Naar het oosten is, aan de overkant van de Burra Firth, een radarpost van de RAF zichtbaar. Er is een militaire basis, met een grote bolvormige radarinstallatie in de laaghangende bewolking bovenop de heuvel die Saxa Vord heet. Het is een no-go-area voor de normale toerist.
Ook hier zijn, net als op Mousa, grote jagers. Als ik op een middag door de heide loop, zet een stelletje de aanval in. Ze moeten hier een nest hebben en ze vinden duidelijk dat ik veel te dichtbij ben. Uit de bewegingen van de vogels kan ik niet afleiden waar het nest zit. Ik besluit een richting te kiezen en in een rechte lijn die kant uit te lopen. Het gaat niet goed. De vogels vallen me heviger dan ooit aan. Dan zie ik waarom. Vlak voor mijn voeten ligt een jong exemplaar op een minimaal nest in de heide. Er steken al wat echte veren voorzichtig door het dons naar buiten. Het jong kan nog niet vliegen en het heeft alle hulp van zijn ouders nodig als het belaagd wordt.
Ik buk me snel, stel de camera in en maak een foto. De grote jagers vinden het niet leuk. Ik voel de luchtstroom door mijn haren als ze, telkens opnieuw, met z’n tweeën, om de beurt duikvluchten naar mijn hoofd maken. Ik moet hier weg. Nu. Ik loop met een stevig tempo in dezelfde richting, in dezelfde rechte lijn als daarnet, weg van het jong. Ik hoop dat ik de grote vogels zodoende duidelijk maak dat ik wegga en nooit weer terugkom, en dat ik geen bedreiging meer ben voor hun nageslacht. Het werkt. De jagers doen nog een paar aanvallen, maar minder hevig en met weinig overtuiging.
Toch word ik gestraft voor mijn overtreding. Door de haast waarmee ik me verwijder van de jonge grote jager kijk ik niet goed uit waar ik loop. Ik kom in een moeras terecht. De grond wordt nat en natter. De plassen worden dieper. Mijn linkervoet verdwijnt onverwachts in zijn geheel in een diep gat vol zwart moeraswater. Ik verlies bijna mijn evenwicht. Als ik mijn been optrek voor de volgende stap, voel ik dat mijn voet omhoogkomt uit het moeras. Dat wel. Maar mijn schoen heeft zich vastgezogen in de donkere derrie. Mijn voet komt uit het water, met een kletsnatte half uitgetrokken sok. De schoen blijft achter onder de oppervlakte.
Honderd gedachten kolken rond in mijn arme hoofd. Ik ben een schoen kwijt. Ik heb hier één paar schoenen. Hoe kom ik op Shetland aan nieuwe schoenen, in mijn maat achtenveertig? Waar is mijn schoen, in welk gat ligt hij? Kan ik hem terugkrijgen? Dan moet ik op mijn knieën en wordt mijn broek ook kletsnat. Ik probeer de paniek te onderdrukken en rustig na te denken. Dat mijn broek nat wordt, is natuurlijk niet erg. Vervelend, maar een missende schoen is erger. Ik trek mijn windjack uit, leg het op een plek die er een beetje droog uitziet en stroop mijn linkermouw op. Ik laat me op mijn knieën zakken en steek mijn arm in het gat waar ik mijn voet zojuist uit omhoog getrokken heb. Het gat is diep en mijn arm steekt tot voorbij de elleboog in het donkere water. Ik voel van alles, planten, wortels van planten, en dan de rand van een schoen. Mijn schoen!
Ik heb hem. Ik trek hem omhoog en houd hem op de kop, zodat het zwarte modderige water eruit stroomt. Ik sta op en begin te lopen, nauwkeurig kijkend waar ik mijn voeten neerzet. Als ik uit het moeras ben, ga ik op een grote steen zitten. Nadenken, de schade opnemen. Eigenlijk is het niet zo erg. Mijn broek is kletsnat, mijn schoen is kletsnat, maar onbeschadigd. Het zal wat tijd kosten voor hij weer droog is. Als dat het enige probleem is, overleef ik het wel. Omdat ik nog lang niet bij de tent ben, besluit ik de geplaagde schoen aan te trekken. Door dit gebied lopen met alleen een droge schoen rechts en een natte sok links is niet verstandig.
Het duurt nog dagen voor mijn schoen weer droog en soepel is. Elke ochtend is hij wat verder opgedroogd. Het klimaat is hier koud en vochtig, dus het gaat niet snel. ‘s Morgens is de schoen steeds heel stug en hard. In de loop van de dag wordt hij door mijn lichaamswarmte weer soepel. Dat herhaalt zich nog een paar dagen, tot hij echt droog is. Dankzij die vochtige schoen loop ik lang met een klamme linkersok en een heel koude linkervoet rond.

VERSTOPPERTJE IN DE TEMPEL

Nynke Bos (1982) volgde de pabo aan de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (HAN). Tijdens een stage in Thailand werd ze bevangen door een liefde voor Azië. Tien jaar werkervaring in het speciaal onderwijs en vele reizen door Azië verder, vertrok ze met haar gezin voor een jaar naar Laos. Daar werkte ze als leerkracht en docentencoach op een lokale school. Nynke Bos schrijft columns voor het Nederlands Instituut voor Onderwijs- en Opvoedingszaken (NIVOZ) op Hetkind.org en voor KiindMagazine. In ‘Verstoppertje in de tempel’ beschrijft Nynke Bos haar sabbatical in Laos. Een jaar lang woonde en werkte zij in het Zuidoost-Aziatische ontwikkelingsland, met haar drie jonge kinderen. Een jaar waarin haar liefde voor het land groeide, maar waarin zij ook de – vaak harde – omstandigheden ervoer van het dagelijks leven in Laos.
.
Pii Mai
Al weken maakt het land zich op voor het feest der feesten: Pii Mai, oftewel het Laotiaans nieuwjaar. Volgens de boeddhistische jaartelling staat het jaar 2559 voor de deur. Op de markt liggen de kraampjes opeens vol met waterpistolen, opblaasbadjes (reeds opgeblazen), waterdichte tasjes en haarverf in alle kleuren van de regenboog. Langs de weg staan stalletjes met de officiële Pii Mai-kleding: hawaï-achtige bloemenbroeken en felgekleurde shirts, gesponsord door Beerlao. Daags voor het feest zal losbarsten zijn de scooters en songteaws nog voller dan normaal. Behalve extra voedselvoorraad zie ik opgeblazen badjes voorbijrijden en opvallend veel koelkasten die op het dak zijn geknoopt. De grote winkels hebben zomeruitverkoop en het bier moet met Pii Mai natuurlijk goed koud staan. Vier dagen lang zal het land op zijn kop staan. Alle winkels en restaurants zijn wel een week dicht. Geen idee wat we kunnen verwachten, maar ik denk dat ik er klaar voor ben. Kom maar op.
De eerste ochtend laat de buurman ons voor zeven uur weten dat het feest begonnen is. Hij heeft enorme boxen in zijn pick-up gehesen en laat er de grootste Pii Mai-hits uit schallen. Ondertussen spant hij een zeil boven de tafels en stoelen, vult tonnen met water en versiert het geheel met bloemen en palmbladeren. De buurvrouw heeft de was gedaan en zit nu tussen de schone was en het vuile water op de grond. Ze ontdoet een kip van zijn ingewanden en maakt hem klaar om te bakken. De muziek staat inmiddels zo hard dat we elkaar binnen niet meer kunnen verstaan. We proberen dat de buurman subtiel duidelijk te maken. Hij lacht. Het is ook helemaal niet de bedoeling dat we binnen met elkaar gaan praten, we moeten buiten komen en bier drinken. Dus dat is wat we doen. En zo staan we – het ontbijt net achter de kiezen – met een biertje in de hand in de tuin van de buren. De kinderen vermaken zich minstens zo goed. Samen met wat andere kindjes uit de buurt zitten ze in badjes en teilen water elkaar nat te gooien. Happy Pii Mai.
‘We gaan straks naar de tempel’, laat de buurman weten, ‘daarna is er feest.’ Ik denk aan de feesten in de tempel die we in Vientiane hebben meegemaakt. Die begonnen meestal stervensvroeg, de hele buurt kwam in de netste kleren bij elkaar om te eten en om voedsel en geld aan de monniken te doneren. Het is al weer een tijd geleden dat ik een grote groep monniken heb horen shanten, dus ik leg mijn sinh vast klaar: de traditionele rok die door vrijwel alle vrouwen en schoolkinderen wordt gedragen. Maar zoals gewoonlijk loopt hier niets zoals ik verwacht. Ik zie in de uren die volgen niemand aanstalten maken om naar de tempel te gaan, dus ik drink nog maar een biertje.
Mijn glas bier wordt overigens goed in de gaten gehouden. Is het half leeg, dan wordt het bijgeschonken. Drink ik te lang niet, dan komt er ijs bij. Raakt het onverhoopt helemaal uit verhouding, dan wordt het weggegooid en begint het weer van vooraf aan. Ondertussen wordt de kip gebakken op de stenen ronde barbecue, die straks uiteraard met plakrijst zal worden geserveerd.
In ons straatje begint het druk te worden. Er zijn meer mensen die een feestje hebben met muziek en bier. Voorbijgangers worden met gejuich aangehouden en natgegooid. Ik begin er zelf ook lol in te krijgen. Samen met de kinderen gooien we alles en iedereen nat. De muziek schalt over straat en overal wordt gedanst, gelachen en met water gegooid. Er rijden pick-ups vol feestvierders langs om water te gooien of te ontvangen, vaak heerlijk liggend in een opblaasbadje.
Dan opeens komen een paar buurvrouwen in beweging; tijd om naar de tempel te gaan. We wandelen in onze Pii Mai-outfit over straat, de tempel in. Waar je normaal geen blote knie of schouder zult treffen, mag vandaag alles. Het terrein is veranderd in een grote modderpoel, want ook hier wordt water gegooid. In die modderpoel staan tientallen pick-ups vol feestende mensen geparkeerd. Ook in de tempel is het een modderige en glibberige bedoeling. Zo glibberig dat iedereen zijn schoenen aan mag houden. Binnen zit een groepje monniken op een verhoging. Ze knopen armbandjes om terwijl ze de ontvanger alle goeds toewensen. Alle boeddhabeelden die de tempel rijk is staan op een rij en worden door de tempelgangers natgegooid. Happy Pii Mai, Boeddha.
De volgende dag begint rustig. Maar tegen het middaguur hebben verschillende straatgenoten zich weer opgeladen om verder te feesten. De muziek gaat weer aan er wordt gedanst en met water gegooid.
Op dag drie wil ik eigenlijk wel wat te eten halen op de fiets, maar nog steeds wordt er met water gegooid en met tuinslangen gespoten. Toch maar even een blokje om op zoek naar een droge route.
Dag vier is ronduit te veel. De buurman geeft opnieuw een feest en zet alles weer in alle vroegte klaar. Echt? Nog een keer? Jawel. Voorbijgangers draaien op de hoek van de straat om, op zoek naar een andere manier om niet kletsnat hun bestemming te bereiken.

NOORS

Jan Bommerson (1950) was docent Nederlands, trad op als cabaretier met ‘Jank’ en ‘Martin, Ton en Bommerson’ en als presentator van theater- en smartlappenavonden. Hij publiceerde gedichten en won er in Nederland en België prijzen mee. Hij reist graag naar noordelijke streken, fotografeert er en schrijft erover. In de zomer van 1979 reist hij naar de Noordkaap in Noorwegen en weer terug. Hij legt in totaal ruim negenduizend kilometer af. In 2016 schrijft hij het verhaal over wat zo’n lange reis, die iemand in zijn eentje onderneemt, in een mens teweeg kan brengen. Het gaat over verwachtingen, teleurstellingen en euforie, over domme pech en gelukkig toeval.
Middernachtzon
Mijn eerste ochtend op de Noordkaap. Het wordt tijd voor een plan. Wat moet hier gebeuren? Nu ik eenmaal mijn doel heb bereikt, op de plek ben die zo lang aan mijn horizon heeft gelegen, wil ik er alles uithalen wat er in zit. Maar wat zit erin? Ja, het landschap is hier imposant. De rotspartijen aan de kust zijn hoog en ruig. Ondanks mijn verantwoorde bergschoenen, speciaal voor deze reis aangeschaft, durf ik het niet aan om al te veel op die steile brokkelige hellingen rond te klauteren. Bang voor een doodsmak in de diepte. De toendra’s met de sneeuwvelden zijn ook mooi, vooral omdat ze voor mij helemaal nieuw en ongewoon zijn. Ze lijken niet op plekken waar ik eerder ben geweest.
In de diepte van een fjord staat, tweehonderd meter onder mij, een klein roodgeverfd huisje aan het water. Het is onmogelijk het huisje te bereiken op een andere manier dan over zee. Een uitgelezen plek voor als ik me ooit nog eens onvindbaar zou willen maken voor de rest van de grote boze wereld. En als dat niet haalbaar is, kan ik altijd nog uitwijken naar Gjesvaer, dat kleine minivissersdorpje aan het eind van dat slingerende grindpad waar nooit iemand komt.
Het is goed je een beetje te verwijderen van de toeristische hoogtepunten hier. De Noordkaap zelf is natuurlijk een idiote plek. Er zijn hier meer mooie plekken en die zijn een stuk minder idioot. Ik wil maar eens wat rondwandelen en goed om me heen kijken op dit eiland om een plaats vinden waar de middernachtzon goed te zien is. En ik wil een andere plek voor de tent zoeken. Ik ga mijn dagen hier niet steeds op dezelfde plek staan. Het is me te dicht bij het toeristische spektakel.
Onderdeel van het Plan is om in ieder geval, als ik dit eiland verlaat, dat op tijd in de ochtend te doen. Dan ontloop ik de file voor de boot. En als ik die ochtend ook nog minder lang hoef te rijden naar Honningsvåg, door de nacht wat zuidelijker door te brengen, heb ik helemaal grote kans op een vroege boot. Buitengewoon slim vind ik mijzelf. Dit Plan is briljant. Bijna tevreden laat ik mij bij een weids uitzicht over rotsen en zee achterover zakken tegen een keiharde verticale granieten muur van kort na de oerknal.
Die avond rijd ik naar een kleine baai, met vrij zicht naar het noorden, die ik overdag heb ontdekt. Het is de ideale plek om het wonder van de middernachtzon te ondergaan. Ik verheug me op de heerlijke stilte, zonder geleuter van andere toeristen, de zon laag boven de horizon en alleen het geluid van het kabbelende water van de rustige baai. Daar kan ik onder typisch Noorse omstandigheden nadenken over de rest van mijn leven, in ieder geval over de eerstvolgende paar weken ervan.
Het is een fantastische plek. Ik ben er op tijd en ik heb een stukje met mos begroeide rotsen gevonden waar ik prettig kan zitten. De omstandigheden zijn ideaal. De zon schijnt op mijn gezicht. Er komt geen warmte vanaf. De rotsen zijn eigenlijk wel vrij koud. Ik ga op mijn fotokoffer zitten, leun achterover, rug tegen de rotsen. Echt lekker zit het niet. Toch betrap ik mezelf erop dat ik hier, de eerste keer deze reis, oprecht zit te genieten. Dat ik al weer een paar dagen geen gezelschap heb gehad, geen woord gezegd heb, is jammer, maar dit weegt er vooralsnog ruimschoots tegenop. Deze stilte is nieuw, en anders dan de stilte eerder, onderweg, weldadig.
Deze gedachte heeft zich nog maar even geleden in mijn hoofd gevormd, en daar een comfortabel plekje gevonden, als ik een auto hoor. Dat is gek, want deze baai ligt aan het einde van een smal onverhard karrenspoor. En ja hoor, ik hoor dat de auto tot stilstand komt en de motor wordt uitgeschakeld. Ik hoor het openen en het dichtslaan van twee deuren en stemmen, gepraat, geklets, gezwets. Het geluid komt dichterbij. Een ouder echtpaar stelt zich vastberaden op aan de kustlijn om maar niets van het bijzondere schouwspel te hoeven missen.
De zon is inmiddels een eindje verder naar het noorden gedraaid en is een beetje gezakt, maar hij staat nog ruim boven de horizon. Hij is verkleurd naar oranjerood en ik kan er recht tegenin kijken. Het is nog geen twaalf uur. Nog steeds geen wolkje aan de lucht. En hier is verder niemand, alleen verdomme dat oude echtpaar, dat heel toevallig ook deze plek heeft uitgekozen om getuige te zijn van het noordelijke natuurverschijnsel. Ik verman me. Ik moet niet zeuren, niet kinderachtig doen, wat heb ik nou eigenlijk te klagen. Zo’n oud stel, wat heb ik daar nou voor last van. Ze maken niet veel lawaai en ik heb genoeg veerkracht en verbeeldingskracht om ze weg te denken. Als ik een beetje mijn best doe, zijn ze er helemaal niet. Ik zak weer weg in onduidelijke fantasieën.
Ik schrik wakker van het geluid van stemmen. Veel stemmen. Meer dan de twee van die auto kunnen voortbrengen. Er staan inmiddels een stuk of tien mensen in mijn baai naar mijn zon te staren en elkaar daar weer verslag van te doen. Dat is knap, want eigenlijk is er niks bijzonders te zien. Wat moeten die lui hier allemaal? Hoe weten ze van dit plekje?
Er komen nog meer auto’s aan. En er klinkt geronk achter de heuvels. Als ik in de verte een moeizaam manoeuvrerende autobus zie aankomen, stijgt er een kille woede in mij op. Dit kan niet waar zijn! Maar ik weet het zeker. In alle boekjes, folders en gidsen over Noorwegen moet dit baaitje met grote rode hoofdletters aangegeven zijn. Op elke reisleiderscursus besteden ze aan deze plek een complete lesavond. Dit moeten ze uit hun hoofd leren.
De bus stroomt leeg. Er staan nu wel vijftig of zestig overdreven enthousiaste vakantiegangers op het rotsachtige strandje. Ze praten, ze roepen, ze draven luidruchtig heen en weer en de meest toegewijde types stellen zware statieven op met grote dure camera’s. Ook ik vind het tijd worden wat foto’s te maken, hoewel de lol mij inmiddels definitief vergaan is. Ik moet voordringen om een foto te kunnen maken waar geen andere mensen op staan. Ik moet bijna mijn excuses maken aan anderen omdat ik in hun beeld sta.
Eigenlijk heb ik het wel gehad met die middernachtzon en wil ik naar de tent terug, zo snel mogelijk, maar ik gun die anderen niet de pret mij als een van de eersten weg te zien rijden. Ik wacht tot er beweging komt in de bejaarde mensenmassa. Het is inmiddels ver na middernacht en de zon komt al weer een beetje omhoog. Ik kan alleen maar feitelijk constateren dat het inderdaad een bijzonder verschijnsel is; ervan genieten kan ik nu niet. Mensen lopen terug naar hun auto’s en starten de motoren. Het wordt wat leger op de rotsen.
Plotseling besluit ik dat ik niet wil wachten. Ik moet hier weg. Nu. Ik pak mijn fotokoffer, been naar mijn auto, stap in, trek de deur met een woedende klap dicht, start de motor en rijd weg. Ik heb haast. Ik nader een andere auto, kan hem op dit smalle weggetje niet inhalen en moet achter hem blijven. Ik houd onbeleefd, maar weloverwogen, weinig afstand. Eigen schuld.
Het enige bescheiden pleziertje van die nacht beleef ik als ik al die andere auto’s op de driesprong rechtsaf zie slaan, naar het zuiden, en zie hoe ze op die weg in een lange file achter elkaar aan moeten blijven keutelen. Ik draai linksaf, richting Noordkaap. De hobbelige grindweg ligt leeg en verlaten voor mij. Ik geef gas. Veel gas. Met veel te hoge snelheid raas ik naar het noorden, terug naar de Noordkaap, naar mijn tent. Vol gas. Stofwolken in mijn achteruitkijkspiegel.
Straks wel op tijd remmen, anders rijd ik van Europa af.

noors_klein_46

UIT HET NIETS

Hanny van Hoeijen (1948) is schrijfster, kokkin en met haar man Jos eigenaar van Camping Lallé. In haar jonge jaren schreef ze voornamelijk gedichten en later kinderverhaaltjes. In 1990 emigreerde ze naar Frankrijk om een camping en restaurant te beginnen. Daardoor stond het schrijven op een laag pitje. Deze passie heeft ze de afgelopen jaren weer opgepakt en met ‘Uit het niets’ maakt ze haar debuut. Hanny schrijft ook kinderverhalen. Onlangs heeft ze het prentenboek “De legende van Lallé” geschreven, vooral bedoeld voor de jeugdige campinggasten in Lallé.
De laatste der Mohi…kippen
In het decor van een plattelandscamping past wel een kleine veestapel. We zullen beginnen met een paar kakelende kippen om de landelijke sfeer te creëren. Waar kunnen we die beter uitzoeken dan op de grote boerenmarkt in Brive, een middelgrote stad met een gezellige winkelboulevard, een oude kathedraal middenin het historische centrum en twee dagen per week een markt. Het grote plein staat tjokvol kleurige kraampjes. Het ruikt naar verse broden, kip aan het spit en bij de kaasboer prikkelen de doordringende geuren van geitenkaas en blauwschimmel uit de Auvergne onze neusgaten. In de markthal is elke centimeter gevuld met kooien, dozen en kratten met kleine dieren, die luidkeels protesteren tegen hun meestal veel te kleine behuizing. Het oorverdovende geluid van kakelen, blaten, kwaken, knorren en hinniken doet denken aan een orkest waarvan de leden ieder een ander deuntje spelen. Het zware ronde dak trilt tussen de houten spanten.
We banen ons een weg door de chaos van druk gebarende boeren en marktkooplui, die op hun eigen manier zaken doen met elkaar. Om de beurt schreeuwen ze bedragen, waarbij ze elkaar tegelijkertijd fors op de binnenkant van de handen meppen. Bij alle kraampjes liggen stukken stokbrood met hompen kaas en worst tussen flessen wijn en thermoskannen koffie. Als een aankoop goed afgesloten is, gaan direct twee glazen wijn de lucht in en wordt er geklonken op de goede afloop. Het valt ons op dat geen enkele koop afgesloten wordt met de prijs die op het kaartje staat. Daarna worden de kippen, eenden, duiven, geiten en zelfs kleine pony’s afgevoerd naar de vaak gammele vervoermiddelen, die roestig blinkend in de zon de wacht houden.
We hebben al snel een paar vrolijk gekleurde kipjes op het oog. Uit beleefdheid en omdat we de taal nog niet voldoende beheersen, durven we niet af te dingen en geven de prijs die gevraagd wordt. Ons vee krijgt een veel te kleine doos als reiskoffer. De kakelende kopjes worden hardhandig naar beneden geduwd en terwijl de veren in de rondte vliegen en aan onze truien blijven hangen, vouwt de kordate boerin de deksel stevig dicht en drukt de levende have in onze handen. We hebben het sterke vermoeden dat we veel te veel betaald hebben. Zo snel we kunnen, rijden we naar huis om de arme dieren uit hun ongemakkelijk positie te bevrijden.
Van het grote weiland naast het kampeerveld hebben we een flink stuk met paaltjes en gaas afgezet. Het kleine grut voelt zich binnen de kortste keren helemaal thuis. Vertederd kijken we toe hoe ze elk stukje van het terrein verkennen en ruzie maken om de vette regenwormen. Kleine kipjes worden snel groot en we hebben er niet aan gedacht dat kippen ook, zij het minder goed dan vogels, kunnen en willen vliegen. Het gebeurt regelmatig dat de buurman ons boos belt als de kippen hun vertrouwde leefruimte verruilen voor zijn groentetuin met heerlijke malse slakropjes. De vliegpennen moeten worden geknipt volgens onze buurvrouw, de koeienhoedster. We hebben geen enkel idee waar die zitten en ook al hadden we dat wel gehad, dan nog zou niemand van ons het aandurven om ze te knippen.
We kijken het nog een poosje aan, verhogen het gaas, maar er komt geen verbetering. De kippen hebben het duidelijk op de sla van de buurman gemunt en ze hebben nog een andere interesse. Bij de buurvrouw van de koeien scharrelen ook kippen… en een haan. Om praktische redenen hebben wij geen haan aangeschaft. Wat zouden we moeten beginnen met alle kuikentjes die dan automatisch komen? Onze kippen denken daar anders over, de natuur moet haar beloop hebben. Ze nemen ’s nachts de benen om de verleidelijke Don Juan een bezoek te brengen en marcheren op de terugweg hongerig van het liefdesspel door de groentetuin van de buurman. Langzaam maar zeker verliezen we onze goede naam bij de andere bewoners van Lallé. In het begin vinden de campinggasten de loslopende kippen geweldig, vooral de kinderen hebben er geen bezwaar tegen als een van hen een eitje laat vallen op hun luchtbed. Sommige kampeerders worden verrast met een slapende kip achter het stuur als hij de deur van de auto per ongeluk niet dicht gedaan heeft. Ze nemen het voor lief dat er zo nu en dan wat eten ‘gepikt’ wordt en dat aan de zolen van hun slippers weleens iets blijft kleven.
Even lijkt alles goed te gaan in onze hof van Eden, maar als we op een zonnige middag een kip voorbij zien fladderen met een grote cornetto in haar snavel, gevolgd door een hevig snikkend kind, is de maat vol. De opdringerige dames moeten nu echt in hun eigen leefruimte blijven. Nog eens verhogen de mannen het gaas, deze keer een flink stuk. Hier kan geen kip meer tegenop, de rust keert weer. Onze triomfantelijke gevoelens van overwinning duren maar kort. Op een mistige ochtend na een nacht van heftige onweersbuien vinden we een leeggeplunderd weiland. Hier en daar ligt alleen nog een bosje met bloed besmeurde veren. Ook onze buurvrouw mist enkele dieren. Volgens haar hebben de marter en de vos gezamenlijk van het slechte weer geprofiteerd om hun slag te slaan. In de afrastering zitten grote gaten en om het weiland heen vinden we verstopt onder de struiken de resten van wat eens onze vrolijk kakelende veestapel was. De enige die na enkele uren, sprankelend van gezondheid en luid tokkend, uit de bosjes tevoorschijn trippelt is de dikste van het stel, onze Minette.
Van blijdschap geven we haar de volledige vrijheid. Met veel flair schrijdt ze elke dag als een vorstin naar de haan, die nu veel minder te doen heeft en alle aandacht aan haar besteedt. IJverig bezoekt ze de gasten op het veld, laat zich verwennen met etensresten en nestelt zich als een ware diva in een stoel onder de parasol of ligt voldaan tokkend op de bank in ons huis. Als ze zo doorgaat wordt ze zeker de oudste kip van de Corrèze, tenminste als ze goed uitkijkt bij het oversteken van de landweg op weg naar haar ‘Don Juhaan’. Vaak horen we piepende remmen, maar meestal gaat het goed. Tot die ene dag. De buurvrouw van de koeien klopt met een vrolijk gezicht op de deur.
‘De auto kon niet meer remmen’, lacht ze. Ze steekt haar arm in de lucht en daar bungelt onze Minette. ‘Dat wordt een lekker soepje vanavond’.
Met een smak smijt ze onze geliefde huiskip op de tafel. Minette wordt niet opgegeten. Jankend begraven we haar onder de grote beukenboom.

 

MohikipjeWEB

 

 

MUZIEK VAN WIND EN WATER

Angeline Schoor, geboren en opgegroeid in Haarlem, woont met haar zoon en twee ratten op een van de Zuid-Hollandse eilanden. In het dagelijks leven is zij leidinggevende binnen de gemeente Rotterdam. Daarnaast is zij singer/ songwriter en treedt zij zo nu en dan op, met haar harp of met gitaarbegeleiding van haar zoon. In de tijd die overblijft, reist zij zo veel mogelijk.
Fragment uit Muziek van wind en water: Dag 15 in Dunvegan, Oldest Bakery of Skye
Omdat mijn kamer op het oosten ligt, kan ik tegen vijf uur vaststellen dat de zon schijnt. Hé, dat is leuk. Ik vond de regendag helemaal niet vervelend, maar met droog weer en een beetje zon kan ik Leana weer eens mee op pad nemen. Ik ben een wandeling van plan op een uitsteeksel van Waternish. Als ik Stuart daarover informeer bij het dagelijkse doornemen van de plannen, zegt hij dat in een dorpje daar vlakbij een pub is waar regelmatig jamsessies zijn met aanvliegende muzikanten. Hij zal eens even kijken of dat vandaag ook zo is. Even later komt hij me stralend vertellen dat er vanavond een sessie is. Dat moet dan zo zijn. Ik weet nog niet of ik er ga landen, maar Leana gaat in ieder geval mee.
De echte fairy pools liggen min of meer op de route. Het zou toch jammer zijn er vlak langs te rijden zonder een poging te ondernemen om ze te zien. Ik kan het altijd proberen en als het te druk is, ben ik zo weer weg. Bovendien gaat de weg een eindje de Cuillin Mountains in en die wil ik graag zien, al kom ik er vandaag niet toe ze te bewandelen. Als ik bij de fairy pools kom, staan er wel wat auto’s op de parkeerplaats, maar het is niet vol. Het pad is tot aan de pools helemaal te overzien. Verlaten is het niet, maar ook niet afgeladen met de drommen mensen waar ik zo slecht tegen kan. Laat ik maar eens gaan kijken dan. Het duurt een dik half uur om er te komen, met een steile afdaling en daarna weer omhoog. Ook dit natuurverschijnsel bestaat uit een rivier die met watervallen trapsgewijs van de Cuillin Mountains af komt. De poelen die daarbij zijn ontstaan, zijn talrijker en dieper dan die ik gisteren heb gezien en inderdaad van een indrukwekkende schoonheid. Feeën zie ik niet, daarvoor zijn er net even te veel mensen. Maar dat geeft niet, die heb ik gisteren al ervaren. Vanavond, als iedereen weg is, komen ze vast terug. Dat kan haast niet anders op een plek als deze. Ik volg het pad omhoog langs de poelen. Hoe hoger ik kom, hoe minder mensen er zijn. Ik ben toch blij dat ik gekomen ben. Deze plek mist weliswaar door de bezoekers de magie die ik graag opzoek, maar is toch te mooi om overgeslagen te worden.
Als ik omkeer om aan de terugtocht te gaan beginnen, zie ik dat de parkeerplaats mudvol gelopen is. De auto’s stromen er zelfs overheen, tot op de smalle weg. Dat heb ik dan weer mooi uitgekiend, wegwezen nu. Als ik er bijna ben, komt me een ontzettend dikke mevrouw tegemoet. Ze is gehuld in een weinig flatteuze broek en felgekleurde trui. Ze heeft een hoedje met een slappe rand en een grote zonnebril op. Haar armen rinkelen van de armbanden. Aan een lijn voert ze twee Yorkshire terriërs met zich mee. Het is zo’n lijn die zich een meter voor het einde splitst en dan verder loopt naar een tuigje in stemmig Schots ruitpatroon voor ieder slachtoffer, zodat ze wel min of meer vrij kunnen bewegen maar steeds tot elkaar veroordeeld blijven. De hondjes zijn netjes geborsteld en het haar op hun kop zit met een strik vastgebonden. Ach Jezus! Ik ben juist bij een overstapplaats met grote stapstenen over een stroom en ik wacht om haar voor te laten gaan. Achter haar staat ook een rijtje mensen te wachten, want dit gaat een hele onderneming worden. De mevrouw komt zelf met enige moeite aan de overkant. Nu haar kameraadjes nog. Beverig staan ze op de stapsteen. De afstand die ze al springend moeten overbruggen, is tweemaal hun lichaamslengte. Ik vermoed dat dit niet gaat lukken, zeker niet aan die lijn. De mevrouw ziet dit ook in. Moeizaam positioneert ze zichzelf zodanig dat ze met één been op de stapsteen en met één been op de kant staat. Met een ferme ruk aan de lijn zwaait ze de beide hondjes over de stroom heen, alsof ze in de zweefmolen zitten. Gelaten ondergaan ze het. Het gaat allemaal erg snel en bijna goed, alleen de landing is niet helemaal soepel. Met een plons belanden ze in de stroom. Met behulp van de lijn worden ze door de mevrouw op de kant gehesen, waarna ze zich heftig uitschudden. Hun kapsels zijn helemaal bedorven. De schater die al een tijdje in mij aan het opborrelen is, kan ik met geen mogelijkheid meer tegenhouden en hij knalt eruit. De wachtenden aan de overkant hebben zichzelf beter in de hand. Een van hen, een flegmatieke jongeman, voegt de mevrouw in het voorbijgaan op vlakke toon toe: ‘Well, they certainly look like they are enjoying themselves.’

33 - Fairy Pools, Skye

PRINSEN OP WITTE SCOOTERS

Angeline Schoor, geboren en opgegroeid in Haarlem, woont met haar zoon en twee ratten op een van de Zuid-Hollandse eilanden. In het dagelijks leven is zij leidinggevende binnen de gemeente Rotterdam. Daarnaast is zij singer/ songwriter en treedt zij zo nu en dan op, met haar harp of met gitaarbegeleiding van haar zoon. In de tijd die overblijft, reist zij zo veel mogelijk.
Fragment uit Prinsen op witte scooters: Dag 12 in Hué
Omdat ik vanmiddag met het meisje van het hotel op de scooter meega op een stadstoer langs alle oudheden en ik vanavond in de nachtbus naar Hanoi stap, wil ik de ochtend rustig houden. Ik blijf in bed tot een schandelijke zeven uur. Na de stoepsoep wandel ik kalm door de verzengende zon over een van de bruggen en strijk neer op een bankje in een park aan de westelijke oever. Het bankje staat onder een grote boom die vol zit met trossen groene vruchten, ongeveer als trostomaatjes, dicht tegen de stam. Twee grote hagedissen achtervolgen elkaar over de takken. Er komt een jongeman op een scooter aangereden. Aan zijn stuur hangt een pak waarover een zwarte doek hangt. Hij stapt af, neemt het pak voorzichtig van het stuur en verwijdert de doek. Er zit een houten kooitje met een kleine zangvogel in. Er hangen bakjes met eten en water aan de tralies en het geheel ziet er verzorgd uit. Met het kooitje in de hand klimt hij in de boom en hangt het aan een van de takken. Dan vertrekt hij weer. Ik begrijp de bedoeling van deze handeling niet. Misschien is het een religieus ritueel. Ik hoop in ieder geval niet dat het arme vogeltje hier nu moet blijven hangen en verkommeren. Een goed half uurtje later is de jongen terug. Hij klimt weer in de boom, haalt het kooitje eruit, plooit de zwarte doek er zorgzaam omheen en hangt het aan het stuur van zijn scooter. En dan gaat hij weer. Vogel uitlaten? Het dagelijkse luchtuurtje van de huiskanarie? Hoe dan ook, ik vind zijn tedere omgang met het vogeltje ontroerend. Voor ik moet uitchecken, geniet ik nog eventjes van de koelte en het comfort van de hotelkamer. Het is een zonnige en zeer hete dag en ik zal de hele middag buiten zijn. Dat wordt heel plakkerig de bus in gaan, vrees ik. Dus nu nog snel een koude douche en airco en ventilator eventjes aan.
De hoteljuffrouw is er al als ik beneden kom. Mijn bagage wordt voor me bewaard en ik krijg thee aangeboden. Dan is het tijd voor de toer door de stad. Ze heeft een klein dames-stadsscootertje maar we passen er samen op. Ze rijdt me door stille wijken en parken en laat me vele soorten pagodes zien. Ze variëren in stijl en staat van onderhoud maar zijn allemaal mooi, verlaten en liggen in fraaie, verstilde tuinen. Het mooist en meest indrukwekkend vind ik een pagode die helemaal van kaneelhout gemaakt is. Het donkere balkendak wordt geschraagd door dikke houten pilaren en de parketvloer is glanzend gewreven tot bijna zwart. Met een sobere versiering van goud is dit werkelijk een adembenemend gezicht. Na de pagodes brengt ze me naar een wierookmaakster. Ik heb nooit geweten hoe dat gaat, maar nu zie ik dat de bamboe stokjes met een soort troffel door een stroperige massa worden geplet, terwijl er strooisel van de kaneelboom doorheen gemengd wordt. De aldus gefabriceerde wierookstokjes zijn te lang om in mijn rugzak te vervoeren, maar een pakje wierookkegeltjes past er nog wel in. Voor thuis, om bij te mijmeren in mijn tuin en me een paar momenten terug te wanen in Hué. Als afsluiter rijden we langs de westoever van de Song Huong, het deel buiten de drukte van de binnenstad. De aanblik van de rivier, verlicht door de zich naar de westelijke einder verplaatsende middagzon, onder een blauwe, met dikke cumuluswolken gewatteerde lucht, is onvergetelijk. Dat worden foto’s waar ik kaarten van kan maken. De rit eindigt bij de wereldberoemde Thien Mu pagode, een sierlijke toren die is opgebouwd uit zeven lagen met gewelfde daken die naar boven toe steeds smaller worden. Een bouwstijl die je in Nederland vaak ziet op schilderijen of parelmoerlakwerk aan de muren van Aziatische restaurants. Het is voor het eerst dat ik er een in het echt zie. De aanblik ontroert me. Wat ben ik toch een mazzelaar dat ik zo veel mag reizen en beleven.
1809 IMG_3496b, libellen boven de Song Huong (Parfumrivier) in Hué
Op weg naar het hotel deelt mijn charmante gids mij mee dat ik, voordat ze me naar de bus brengt, gebruik kan maken van de privé-badkamer van het hotel om nog even te douchen. Als ze niet aan het scooteren was, had ik haar omhelsd. Ik plak aan alle kanten en mijn kleren voelen verre van fris. Een douche voor ik de bus in ga, zal de nacht in de bus veel comfortabeler maken. Maar ze is nog niet klaar met haar dienstverlening. Tijdens mijn verblijf hebben we het over mijn reisplannen in het noorden gehad. Een bezoek van een paar dagen aan de minderheden in de omgeving van Sapa staat hoog op mijn lijstje, evenals een jungletrek. Ze heeft wat voor me zitten zoeken en kan voor een zeer schappelijke prijs vast het een en ander voor me regelen. Haar collega in Hanoi kan me daar weer verder helpen. Ik vind het een goed idee. Het scheelt me veel zoek- en uitzoektijd en ik heb vertrouwen in haar en haar connecties. Dus gaat ze voor me aan de slag. Onderweg hebben we informatie uitgewisseld over onze leef- en familieomstandigheden. Ze heeft twee jonge dochters. De oudste zit op kostschool en haar moeder zorgt voor de jongste. Zelf werkt ze zeven dagen per week. Het is niet gemakkelijk om in Hué werk te vinden en als je een baan hebt, wordt er van je verwacht dat je non-stop keihard werkt, anders kun je gaan. Voor jou tien anderen. Haar man, een oud-klasgenoot van haar, heeft geen werk in Hué kunnen vinden en werkt in Hanoi, ruim zeshonderd kilometer ver. Ze zien elkaar eens in de twee of drie maanden. Een hard leven. En dan toch zo zonnig zijn. Ik hoop dat ze commissie krijgt voor het boeken van mijn trip.
Ik verwacht dat ze me met de auto naar de bus zal brengen, gezien mijn bepakking. Maar er staat mij een zeer Aziatische ervaring te wachten. Ze reikt me de helm weer aan, we gaan op haar scootertje. Zij zit aan het stuur, mijn rugzak staat tussen haar knieën. Ik draag mijn dagrugzakje, mijn camera en een tas met bus-eten. Haar dochtertje, dat ze inmiddels hij haar moeder heeft opgehaald, zit tussen ons in. Een hele vracht voor dat kleine scootertje. Maar het gaat best goed. Handig laveert ze door de drukte en levert me ter plaatse af. Daar nemen we afscheid met de belofte dat ik een mooie recensie op de website van haar hotel zal plaatsen. De bus is maar een uur te laat. Maar de passagiers staan warm en droog op de stoep. Niemand maakt zich druk. Dit is Azië.

OP ZOEK NAAR MAGIE

Angeline Schoor, geboren en opgegroeid in Haarlem, woont met haar zoon en twee ratten op een van de Zuid-Hollandse eilanden. In het dagelijks leven is zij leidinggevende binnen de gemeente Rotterdam. Daarnaast is zij singer/ songwriter en treedt zij zo nu en dan op, met haar harp of met gitaarbegeleiding van haar zoon. In de tijd die overblijft, reist zij zo veel mogelijk.
Fragment uit Op zoek naar Magie: Dag 6 in Ennistimon
Het is me de avond wel. Ik heb gehoord dat de muziek om half tien begin en bedenk dat het een goed idee is om een kwartier ervoor Leana al vast te halen, zodat ik me met haar ergens verdekt op kan stellen. Zodra ik met haar aan mijn schouder binnenkom, gaat er in de pub een licht gejuich op: ze denken dat de muzikanten binnen komen. Dat was niet de bedoeling. Ik trek me zo onopvallend mogelijk terug in een hoek en frommel Leana snel onder de tafel. Ondanks dat zijn er toch een paar mensen die hoopvol komen informeren of ik zo dadelijk ga optreden. Ik blijf er wat vaag over en zeg dat je het maar nooit weet. Als de muzikanten beginnen, schuifel ik onopvallend naar voren, voor zover dat mogelijk is met Leana. Ik stel haar verdekt op en verstop haar onder mijn jas. Maar lang duurt het niet, want verschillende omstanders dringen er zachtjes maar toch met enige klem op aan dat ik meedoe. Juist op dat moment schuiven twee andere dames uit het publiek bij de band aan, met gitaar en fluit. Er wordt door de omstanders zeer hoopvol naar mij gekeken. Vooruit dan maar. Ik heb Leana tenslotte meegenomen om mee te spelen en dan zou het nu dom en laf zijn om het niet te doen. Dus vraag ik de gitarist en de toetsenvrouw of ze nog een zangeres/harpiste kunnen gebruiken en dat kunnen ze. Op het moment dat ik Leana uit de tas haal, gaat er in het publiek een luid gejuich op en op het moment dat ik mijn vingers op de snaren zet, heb ik mijn eerste applaus al binnen. Een kinderhand is gauw gevuld. Ik kies een eenvoudig drie akkoordenlied en vertel in welke toonsoort het staat. Ik begin te zingen. Leana hoor ik niet of nauwelijks, maar de gitarist komt dichtbij zitten en ondersteunt. Het publiek is lyrisch. Ik snap niet waarom, want het is een enorme herrie in de pub en ik ben nauwelijks te horen. Daarna gaat de band verder met wat Ierse reels. Ik kijk en luister een tijdje en hoor dat het allemaal twee of drie akkoordennummers zijn. Dat moet lukken, dus ik pak Leana weer. Opnieuw gaat er in het publiek een gejuich op en beginnen alle fototoestellen te flitsen en videocamera’s te draaien. Misschien ligt het aan de fraaie vormgeving van Leana of anders aan de grote hoeveelheid Guinness die hier geschonken wordt. Maar het maakt niet uit, de stemming zit er goed in. Voor ieder nummer vraag ik in gebarentaal aan de gitarist wat de akkoorden zijn en ik pingel wat mee. Het is in deze pestherrie niet te horen of ik de juiste akkoorden te pakken heb, de gitarist gebruikt een capo dus ik weet niet of hij het door hem aangegeven akkoord met of zonder verhoging bedoelt, of dat Leana zelfs maar goed gestemd staat. Het enige wat je nog een beetje kunt horen zijn de tinwhistles, maar die hoor je volgens mij nog als er een F-16 overvliegt. Later die avond zingt de oude man die in de band de trekzak bespeelt nog een prachtig Gaelic lied, met een mooi en gevoelig timbre en die typische Keltische stembuiging. Daarna gaat er nog een dikke meneer uit het publiek zingen. Niet slecht, maar wel lang en liederen met heel veel coupletten. Ik moet maar eens opstappen, morgen wil ik vroeg wandelen. Ik zeg dag tegen de muzikanten en het publiek knikt me vriendelijk toe. Nu kan ik straks thuis tegen iedereen vertellen dat ik in Ierland heb opgetreden.
Leana bij Beaghmore StonecirclesCopyright foto: Angeline Schoor

DE JUNGLE-JINGLE VAN ECUADOR

Angeline Schoor, geboren en opgegroeid in Haarlem, woont met haar zoon en twee ratten op een van de Zuid-Hollandse eilanden. In het dagelijks leven is zij leidinggevende binnen de gemeente Rotterdam. Daarnaast is zij singer/songwriter en treedt zij zo nu en dan op, met haar harp of met gitaarbegeleiding van haar zoon. In de tijd die overblijft, reist zij zo veel mogelijk.
Fragment uit De Jungle-Jingle van Ecuador: Dag 9 in Yarina
Voor Amazonasbegrippen is het een koele en frisse ochtend. Het heeft dan ook de hele nacht ferm geregend. Het is hooguit een graad of dertig en mijn kleren zijn minder klam en stinkerig dan gisteren. Of ik begin aan de stank te wennen, dat kan natuurlijk ook. Voor het ontbijt lig ik nog wat in de hangmat, zachtjes wiegelend in het gazige ochtendlicht. Damp stijgt op uit de boomkruinen. In een grote boom recht tegenover mijn veranda is het een gekwetter van jewelste. Er huist een grote groep toekans en ik zie ze steeds, die enorme slabak voor zich uit dragend, sierlijk door de bomen zweven.
Na het ochtendvoederen gaan we opnieuw met zijn vijven ter kano. We volgen de Rio Manduro nu stroomopwaarts, op zoek naar slangen en kameleons. Die zien we vooralsnog niet. Wel veel vogels en een paar apen. Hemelsblauwe vlinders, zo groot als mijn beide handen, fladderen in groten getale vlak langs de kano. We komen bij een splitsing van de Rio Manduro en de Rio Pandaro. Het water van deze rivier is donkerder dan dat van de Rio Manduro en de duidelijk zichtbare scheiding van beide kleuren water ziet er fascinerend uit, alsof je op een glas café macchiato vaart. Na een uurtje van geruisloos glijden over de rivier meren we aan voor een wandeling. Het pad is goed begaanbaar, al moeten we zo nu en dan uitwijken voor spinnenwebben als wagenwielen, waarin spinnen van handformaat hangen. Eén keer let ik niet goed op en kom ik toch in de draden terecht. Tot mijn verbazing breken ze niet, maar veer ik terug. Met deze spin ga ik geen ruzie zoeken. Jammer genoeg duurt de wandeling niet lang, want Mike, de jonge Amerikaan uit ons groepje, voelt zich niet lekker en moet vreselijk overgeven. Het is maar goed dat ik, als doorgewinterd moeder zijnde, altijd natte doekjes bij me heb. Die zijn nu zeer welkom. We achten het niet verstandig om met een groepslid in die gesteldheid verder te wandelen, dus keren we op onze schreden terug om de ongelukkige terug te brengen naar de lodge. Misschien helpt een uurtje rust en iets kalmerends voor de maag. Het goede nieuws is dat Deniz en Pauline mij nu alleen meenemen de rivier op, om vogels te kijken. We zien er erg veel. En niet alleen dat. Vlakbij de oever, op een grote struik met donkergrijze takken en groen blad, zit een kameleon van ruim een meter lang. Ondanks zijn enorme afmeting en een kop die zo groot is als de grootste van mijn twee ratten, duurt het even voordat ik hem zie, want hij heeft exact de kleur van de takken aangenomen. Een indrukwekkende broeder. Eenzelfde truc wordt uitgevoerd door een grote uilachtige vogel die in een boom met een lichte stam zit. Zijn verenkleed heeft dezelfde kleur en tekening als de bast. Hij beweegt niet of uiterst langzaam en is bijna niet te zien. Dat maakt deel uit van zijn plan, want hij loert op insecten die argeloos te dichtbij komen. Hap! Ik zie het hem doen. Boven de rivier scheren grote ani’s, blauwe vogels die qua vlucht een beetje op papegaaien lijken en de bomen zitten vol met oropendolo’s. Dit zijn favorieten van mij. Ze zijn ongeveer zo groot als een flinke ekster en hebben zwart met gele veren. Als ze vliegen, spreiden ze hun gele staart wijd uit. Maar het leukste van deze vogels vind ik het klokkende, viertonige wijsje dat ze voortbrengen. Je hoort het overal en de hele dag door, als een soort jungle-jingle.
013 - 12 juni Coca; eerste blik op de Rio NapoCopyright foto: Angeline Schoor
Het is nog geen lunchtijd als we weer afmeren aan de steiger. Ik wil best het bos nog even in en vraag Deniz of ik het pad van gisteravond veilig alleen kan bewandelen. Volgens hem is het meestal veilig, kan ik er op komen door achter de apenboom het bos in te gaan en steeds links te houden. Best spannend, zo in je eentje. Ik ga niet al te ver, want er zijn toch andere zijpaden en ik wil niet verloren lopen. Verder goed uitkijken natuurlijk waar ik mijn voeten zet en als ik steun zoek, controleer ik eerst of ik niet per ongeluk iemand vastgrijp die mij de hand af zou kunnen bijten. Het gaat allemaal goed en met een aardige buit aan foto’s, vooral van exotische bloemen en paddenstoelen, kom ik weer veilig bij de apenboom het bos uit.
Rond het middaguur barst de regen weer los en als het 15.00 uur is, het tijdstip waarop we naar een observatietoren hoger op de berg gaan wandelen, regent het nog steeds. Ik vertrouw echter op de goede relatie die ik doorgaans met lokale weergoden heb en dat is terecht, want na een klein half uurtje is het droog genoeg om te vertrekken. Voor deze ene keer laat ik Kenny, mijn trouwe spiegelreflexcamera die meegaat op al mijn reizen, achter. De stakker heeft het al zo zwaar in al het vocht en dan neem ik hem niet mee in een regenbui die nog niet helemaal over is en misschien nog terugkomt. Alleen met Deniz en Pauline – Mike en Niza zijn na de lunch vertrokken – glibberen we weer het modderige oerwoud in. Ook vandaag heeft Deniz van alles te vertellen over wat het bos levert. Er is een boom waarvan de schors te gebruiken is tegen malaria en eentje waarvan je het binnenste van de bast kunt kloppen tot vezels waar je kleding van kunt maken. Een andere boom levert noten die zo hard zijn dat je er knopen van kunt snijden. Je kunt hier je hele garderobe bij elkaar verzamelen. Deniz wijst op een niet al te grote boom, meer een struik eigenlijk, en vertelt dat dit een limoenmierenboom is. Met zijn machete hakt hij een tak af waar een verdikking in zit. Hij snijdt het dikke stuk open en kijk, er blijken inderdaad mieren in te huizen. Hij haalt zijn vinger er door, steekt er een paar in zijn mond en biedt Pauline en mij de tak aan. Pauline heeft het al eens geprobeerd en zegt dat het meevalt. Ach, veel niet-Nederlanders gruwen van drop en haring, dus waarom zou ik mijn neus ophalen voor dit lokale gerecht? Het is maar net wat je gewend bent. Ik veeg wat mieren op mijn vinger en eet ze op. De smaak verrast me volkomen. Die is sterk en zoetzuur. Heel lekker, als een zuurtje van goede kwaliteit. Ik lust best nog wat. Samen snoepen we de tak leeg.
Het is ongeveer anderhalf uur soppen naar de observatietoren. Inmiddels is het helemaal droog en zelfs zonnig geworden, dus ik heb erge spijt dat ik Kenny niet bij me heb. Dat wordt nog erger als ik bovenop de toren sta. Het uitzicht is op zijn minst indrukwekkend te noemen. Rondom en onder de toren, die Deniz overigens in zijn eentje gebouwd heeft, strekken de kruinen van de oerwoudreuzen zich uit, sommige vol met bloemen. Het bos dampt hevig na de recente regenval. In de verte is de Rio Napo te zien. Dit schreeuwt gewoon om een fotoserie. Pauline en Deniz leven mee met mijn cameraleed en beloven me morgen weer hier te brengen voor een herkansing. Vogels zien we wel, maar niet veel. Kennelijk zitten ze nog in hun regenschuilplaatsen te wachten tot ze zeker weten dat het nu echt even droog blijft. Deniz heeft inmiddels beneden een palmblad en wat losse vezelbladen gehaald. Binnen tien minuten knutselt hij hiervan een rugzakje. De Kichwa gebruiken dit soort draagzakken om geschoten wild in te vervoeren zodat ze de handen vrij hebben voor de voortzetting van de jacht. Het is zo verschrikkelijk knap gemaakt dat al onze westerse fabrieksspullen hier kaal tegen afsteken. Ik krijg de rugzak ten geschenke en neem me voor er heel zuinig op te zijn en mee naar huis te nemen.
Bergafwaarts, op de terugweg, tref ik op de grond een soort bloemachtige vruchten aan, met een stervorming hart en ronde punten vanuit het midden. Ik vraag naar eetbaarheid en gebruik ervan. Eetbaar zijn ze niet, maar wel bruikbaar voor versiering van kleding. Deniz snijdt met zijn machete het bovenste deel van de vrucht af en wacht even. Een vuilwit vocht verschijnt op de snijvlakken. Hij vraagt mij op welke plaats hij een stempel op mijn kleren kan zetten en vertelt erbij dat het er waarschijnlijk nooit meer uit zal gaan. Ik wijs op mijn oude tuinbroek. Die is inmiddels zo smerig en verspreidt zo’n ranzige lucht dat je er een dikke, voedzame soep van kunt koken en kan dus wel wat versiering gebruiken. Op beide benen komt een stempel die er uit ziet als een bloem. Heel mooi en bijzonder origineel. Als straks thuis modder, vuil en stank er uitgewassen zijn, is deze broek een prachtstuk!
Omdat we hebben gewacht tot het droger werd, zijn we later vertrokken dan we van plan waren en begint het nu al wat te schemeren. Ik vind dat niet erg, want ik hou wel van wandelen in een schemerig oerwoud en ik vertrouw blindelings op Deniz. Dat blijk terecht als we de weg naar huis versperd vinden door de Rio Manduro, die door de regenval van de afgelopen nacht en middag razendsnel is gestegen. Deniz kent een alternatieve route. We moeten wel een flink stuk door vrij diep water waden, maar dan stijgt de grond weer en wordt het pad beter begaanbaar. Niet ver van de lodge treffen we in de modder het spoor van een anaconda aan. De veroorzaker ervan zien we helaas niet, al geloof ik dat Deniz dat niet zo erg vindt. Hij heeft het niet zo op anaconda’s, omdat ze gevaarlijk en onberekenbaar zijn. Ik geloof hem natuurlijk op zijn woord, maar stiekem vind ik het toch een beetje jammer. Ik had er graag een ontmoet.
017 - 14 juni Amazonas; een van de huisgenotenCopyright foto: Angeline Schoor