Auteursarchief: fvdmlobith

MUZIEK VAN WIND EN WATER

Angeline Schoor, geboren en opgegroeid in Haarlem, woont met haar zoon en twee ratten op een van de Zuid-Hollandse eilanden. In het dagelijks leven is zij leidinggevende binnen de gemeente Rotterdam. Daarnaast is zij singer/ songwriter en treedt zij zo nu en dan op, met haar harp of met gitaarbegeleiding van haar zoon. In de tijd die overblijft, reist zij zo veel mogelijk.
Fragment uit Muziek van wind en water: Dag 15 in Dunvegan, Oldest Bakery of Skye
Omdat mijn kamer op het oosten ligt, kan ik tegen vijf uur vaststellen dat de zon schijnt. Hé, dat is leuk. Ik vond de regendag helemaal niet vervelend, maar met droog weer en een beetje zon kan ik Leana weer eens mee op pad nemen. Ik ben een wandeling van plan op een uitsteeksel van Waternish. Als ik Stuart daarover informeer bij het dagelijkse doornemen van de plannen, zegt hij dat in een dorpje daar vlakbij een pub is waar regelmatig jamsessies zijn met aanvliegende muzikanten. Hij zal eens even kijken of dat vandaag ook zo is. Even later komt hij me stralend vertellen dat er vanavond een sessie is. Dat moet dan zo zijn. Ik weet nog niet of ik er ga landen, maar Leana gaat in ieder geval mee.
De echte fairy pools liggen min of meer op de route. Het zou toch jammer zijn er vlak langs te rijden zonder een poging te ondernemen om ze te zien. Ik kan het altijd proberen en als het te druk is, ben ik zo weer weg. Bovendien gaat de weg een eindje de Cuillin Mountains in en die wil ik graag zien, al kom ik er vandaag niet toe ze te bewandelen. Als ik bij de fairy pools kom, staan er wel wat auto’s op de parkeerplaats, maar het is niet vol. Het pad is tot aan de pools helemaal te overzien. Verlaten is het niet, maar ook niet afgeladen met de drommen mensen waar ik zo slecht tegen kan. Laat ik maar eens gaan kijken dan. Het duurt een dik half uur om er te komen, met een steile afdaling en daarna weer omhoog. Ook dit natuurverschijnsel bestaat uit een rivier die met watervallen trapsgewijs van de Cuillin Mountains af komt. De poelen die daarbij zijn ontstaan, zijn talrijker en dieper dan die ik gisteren heb gezien en inderdaad van een indrukwekkende schoonheid. Feeën zie ik niet, daarvoor zijn er net even te veel mensen. Maar dat geeft niet, die heb ik gisteren al ervaren. Vanavond, als iedereen weg is, komen ze vast terug. Dat kan haast niet anders op een plek als deze. Ik volg het pad omhoog langs de poelen. Hoe hoger ik kom, hoe minder mensen er zijn. Ik ben toch blij dat ik gekomen ben. Deze plek mist weliswaar door de bezoekers de magie die ik graag opzoek, maar is toch te mooi om overgeslagen te worden.
Als ik omkeer om aan de terugtocht te gaan beginnen, zie ik dat de parkeerplaats mudvol gelopen is. De auto’s stromen er zelfs overheen, tot op de smalle weg. Dat heb ik dan weer mooi uitgekiend, wegwezen nu. Als ik er bijna ben, komt me een ontzettend dikke mevrouw tegemoet. Ze is gehuld in een weinig flatteuze broek en felgekleurde trui. Ze heeft een hoedje met een slappe rand en een grote zonnebril op. Haar armen rinkelen van de armbanden. Aan een lijn voert ze twee Yorkshire terriërs met zich mee. Het is zo’n lijn die zich een meter voor het einde splitst en dan verder loopt naar een tuigje in stemmig Schots ruitpatroon voor ieder slachtoffer, zodat ze wel min of meer vrij kunnen bewegen maar steeds tot elkaar veroordeeld blijven. De hondjes zijn netjes geborsteld en het haar op hun kop zit met een strik vastgebonden. Ach Jezus! Ik ben juist bij een overstapplaats met grote stapstenen over een stroom en ik wacht om haar voor te laten gaan. Achter haar staat ook een rijtje mensen te wachten, want dit gaat een hele onderneming worden. De mevrouw komt zelf met enige moeite aan de overkant. Nu haar kameraadjes nog. Beverig staan ze op de stapsteen. De afstand die ze al springend moeten overbruggen, is tweemaal hun lichaamslengte. Ik vermoed dat dit niet gaat lukken, zeker niet aan die lijn. De mevrouw ziet dit ook in. Moeizaam positioneert ze zichzelf zodanig dat ze met één been op de stapsteen en met één been op de kant staat. Met een ferme ruk aan de lijn zwaait ze de beide hondjes over de stroom heen, alsof ze in de zweefmolen zitten. Gelaten ondergaan ze het. Het gaat allemaal erg snel en bijna goed, alleen de landing is niet helemaal soepel. Met een plons belanden ze in de stroom. Met behulp van de lijn worden ze door de mevrouw op de kant gehesen, waarna ze zich heftig uitschudden. Hun kapsels zijn helemaal bedorven. De schater die al een tijdje in mij aan het opborrelen is, kan ik met geen mogelijkheid meer tegenhouden en hij knalt eruit. De wachtenden aan de overkant hebben zichzelf beter in de hand. Een van hen, een flegmatieke jongeman, voegt de mevrouw in het voorbijgaan op vlakke toon toe: ‘Well, they certainly look like they are enjoying themselves.’

33 - Fairy Pools, Skye

ED PIELKENROOD – IN DIENST VAN HARE MAJESTEIT EN DE PAARDEN

Publicist Ed Pielkenrood schrijft voor magazines en bedrijfsbladen. Als ghostwriter schrijft de eigenaar van een communicatiebureau ook columns, inleidingen en speeches uit naam van anderen. In zijn vrije tijd organiseert Pielkenrood evenementen en zet hij zich in voor verschillende organisaties, onder andere op het gebied van erfgoed en historie. Vanaf zijn jeugd rijdt hij paard. Bij een bezoek aan het Cavaleriemuseum in Amersfoort raakte hij onder de indruk van de officieren die voor de Tweede Wereldoorlog op hippisch gebied mondiaal een hoofdrol speelden. Met name de grote hoeveelheid materiaal van en over Charles Henri Labouchere trok zijn belangstelling. Bij het doornemen daarvan ontstond als vanzelf het beeld van ruiter, militair en mens Labouchere, dat er om vroeg om opgeschreven te worden.
Eerder schreef Pielkenrood onder andere de boeken Maison d’Essence, een huis met een luchtje over de geschiedenis van het geur- en smaakstoffenbedrijf Polak & Schwarz (IFF), Specerijenmolen de Huisman, samengesteld volgens kruidig recept over de geschiedenis van deze molen in Zaandam en Zaken in Zaandijk over de geschiedenis van een Zaanse ondernemersfamilie.

 

DE REIS (1912)
Over de gezondheid van zijn paarden aan boord van het schip maakt Charles Labouchere zich wel een beetje zorgen. Een jaar eerder was het weer tijdens de reis zo slecht geweest dat de paarden weinig op het dek konden worden uitgestapt en de meeste dagen in hun box moesten blijven. Het mag een wonder heten dat hun conditie bij aankomst in New York nauwelijks bleek te hebben geleden onder de zeereis. Ondanks zijn zorgen stemt Labouchere direct in met het voorstel van de Koninklijke Militaire Sportvereniging om nogmaals deel te nemen aan het concours dat jaarlijks wordt georganiseerd door de National Horse Show Association of America. De Koninklijke Militaire Sportvereniging, die in 1886 is opgericht om officieren aan te moedigen hun bedrevenheid in onder andere paardrijden en schermen te bevorderen, regelt deelname aan nationale en internationale concoursen en heeft uit New York een uitnodiging gekregen om, net als in 1910 en 1911, ook in 1912 een team af te vaardigen. Samen met ritmeester Van Gellicum en de luitenants Mathon en Coblijn zal Labouchere de Nederlandse driekleur hoog houden in New York.
Hij bewaart uitstekende herinneringen aan zijn avontuur van vorig jaar. Want een avontuur is het geweest. Alles was anders in Amerika. In Nederland worden alle concoursen in de openlucht en bij daglicht gehouden en kunnen ruiters hun paarden in de losrijbaan in alle rust voorbereiden op het parcours. Maar in New York moesten de ruiters ’s avonds rijden bij kunstlicht. In de enorme ovale hal van Madison Square Garden was bovendien geen losrijbaan. De paarden moesten vanuit de stallen onder de hal direct de ring in zonder zich warm te hebben gelopen. Deze omstandigheden waren de ruiters vooraf bekend en daarom hadden ze voor vertrek enige keren geoefend door hun paarden ’s avonds ‘koud’ van stal en bij kunstlicht in de manege van de Militaire Rijschool in Amersfoort te laten springen. Maar of dat genoeg zou zijn, wist geen van de afgevaardigde ruiters toen. Gelukkig bleek het voldoende, want de Nederlanders wonnen niet alleen verschillende individuele prijzen. Ook de landenwedstrijd werd een overwinning voor Labouchere en zijn teamgenoten. Hij hoorde nog het oorverdovend gefluit van het publiek na elke foutloze rit. Dat was geen teken van afkeuring, zoals dat in Nederland gebruikelijk is, maar een beloning en aanmoediging. Sommige paarden werden gek van het geklap, gestamp en gefluit van het enthousiaste publiek. Maar Labouchere had geen moeite gehad om zijn paarden onder controle te houden en dat leken de Amerikanen extra te waarderen. Elke keer als hij de ring binnen reed, werd hij al begroet met dat kabaal. Hij was een van de favorieten van het publiek.
De prijs van de landenwedstrijd, de felbegeerde America Cup, moesten de ruiters helaas achterlaten, want het betrof een door het New Yorkse Hotel Martinique beschikbaar gestelde wisselprijs. De grote zilveren bokaal kan pas mee naar huis als een land twee achtereenvolgende jaren de overwinning behaalt.
1911 Haaren met HonvedLabouchere geniet van het rijden van internationale concoursen en hij bereidt zich daar steeds nauwgezet op voor. Naast zijn werk als cavalerieofficier en het rijden van dienstpaarden, rijdt hij dagelijks zijn wedstrijdpaarden. Dressuur vormt daarbij de basis en die basis moet steeds worden bijgehouden, elke dag weer. Zo worden zijn paarden niet alleen gehoorzaam, maar vooral ook lenig en sterk. Dat is nodig om in een parcours hoogte en breedtesprongen te kunnen afwisselen en om scherpe wendingen en tempowisselingen te kunnen rijden. Daarnaast moet de conditie van zijn wedstrijdpaarden worden opgebouwd, want je kunt een paard niet een zwaar parcours voorzetten waarvoor hij misschien wel de capaciteit heeft maar niet de conditie. Labouchere wil zijn paarden helemaal klaar hebben voordat hij er wedstrijden mee gaat rijden. Natuurlijk begint hij met eenvoudige parcoursen als de paarden nog jong zijn, want ook een springpaard moet langzaam groeien in de sport. In dit leerproces kiest hij zorgvuldig de concoursen, waarbij hij steeds iets meer kan vragen van zijn paarden totdat ze de zwaarste parcoursen aan kunnen. Alles draait bij Labouchere om wederzijds vertrouwen tussen hem en zijn paarden. Hij weet precies wat hij wel en niet van zijn viervoeters kan en mag vragen en zal het langzaam gewonnen vertrouwen van een paard nooit beschamen.
Als autodidact in de paardensport met een aangeboren gevoel voor paardrijden leidt Labouchere zijn wedstrijdpaarden zonder veel hulp op. Bij de cavalerie zijn weliswaar veel instructeurs, maar zij kunnen Labouchere weinig leren. De militaire instructeurs laten hun leerlingen voor en op de sprong als vanouds rechtop in het zadel zitten, waarbij zij de teugels door hun handen moeten laten glijden als het paard zijn hals strekt boven de sprong. Labouchere weet echter dat een paard op de sprong niet alleen over zijn hals moet kunnen beschikken, maar ook over zijn rug. Daarom brengt hij bij het springen intuïtief zijn bovenlijf naar voren, waarbij zijn zit uit het zadel komt, zijn gewicht in de beugels steunt en zijn knieën het scharnierpunt vormen. Deze stijl wordt wel de Italiaanse stijl genoemd, omdat kapitein Frederico Caprilli deze in de militaire rijschool van Pinerolo in Noord-Italië heeft geïntroduceerd en ontwikkeld. Veel buitenlandse officieren gaan naar Pinerolo om zich het ‘springen in verlichte zit’ eigen te maken. In Nederland is Labouchere vanuit zijn gevoel al begonnen met de verlichte zit voordat hij ook maar van Caprilli en zijn methode heeft gehoord. Hij rijdt zijn paarden bovendien altijd volledig verzameld en gecontroleerd naar de sprong, waarmee de kans een foutloos parcours te rijden veel groter is. Door zijn wedstrijdrijdende collega-officieren wordt hij daarom enorm bewonderd. Zij proberen zijn stijl te imiteren, maar dat valt niet mee als je niet hetzelfde ruitergevoel hebt. Toch hebben inmiddels ook enkele andere talentvolle ruiters de weg naar de verlichte zit en controle over hun paard gevonden. Samen met Labouchere vormen zij de top van de cavalerieruiters en vertegenwoordigen zij Nederland op internationale concoursen. Niettemin blijft Labouchere een klasse apart. Zijn ritten zijn niet alleen effectief, maar ook heel mooi om te zien. Beheerst, gecontroleerd en alsof het paard en ruiter geen enkele moeite kost. Zijn talent wordt op alle Nederlandse concoursen door het publiek gewaardeerd en ook in het buitenland krijgt hij veel erkenning. Labouchere is altijd en overal de lieveling van het publiek.
1912 Op de bootDe paarden staan wijdbeens om niet te vallen als de trein langzaam op gang komt. Links en rechts van de grote schuifdeur in het midden van de wagon staan de zes paarden naast elkaar opgesteld in de lengterichting van de wagon. De speciale wagons, die de Nederlandse Spoorwegen inzet voor het transport van paarden, zijn berekend op wel twaalf paarden. De rijdieren van de Nederlandse equipe hebben dus alle ruimte op het eerste traject van de reis naar Amerika. Bij het verlaten van station Amersfoort passeert de trein een aantal wissels waardoor de wagon schokt. Telkens verstappen de paarden om hun evenwicht te bewaren. Als er een zou vallen in het dikke bed van stro zijn er twee oppassers om het paard weer overeind te helpen. Het is geen lange rit naar Rotterdam, waar de SS Noordam ligt te wachten om de leden en paarden van de equipe naar New York te brengen. Toch duurt het enkele uren voordat de trein via het Centraal Station naar de Wilhelminakade in Rotterdam wordt doorgerangeerd. Bij aankomst moeten de paarden nog enige tijd wachten totdat ze kunnen overstappen van de wagon in houten boxen, die op de kade gereed staan voor hun zeereis. Vervolgens worden de houten boxen op het achterdek van de Noordam gehesen en daar vastgesjord. Nadat de boxen gereed zijn en voorzien van een dikke laag stro, mogen de paarden aan boord. Gadegeslagen door de volledige ruiterequipe en vele andere passagiers worden de paarden in hun boxen aan boord gehesen. De wedstrijdpaarden zijn gelukkig heel wat gewend en maken zich niet druk als zij door de lucht zweven. Op het achterdek van het schip worden de boxen stevig vastgesjord om te voorkomen dat ze bij zwaar weer gaan schuiven. Ze zijn bovendien helemaal af te sluiten zodat de paarden niet nat en koud worden als er bij storm zeewater over het dek slaat.
De equipe bestaat uit zes paarden, vier ruiters, twee oppassers en enkele begeleidende militairen. Labouchere is de enige ruiter, die ook in 1911 deel uitmaakte van de springploeg. Hij neemt net als vorig jaar zijn trouwe Ierse ruin Dreadnought mee, waarmee hij ook toen al zeer succesvol was. Bovendien rijdt hij nu Spes, het dienstpaard van collega luitenant Colenbrander die thuis blijft. Spes is eveneens een Iers springpaard, maar wel met een flinke scheut hackneybloed ofwel tuigpaardenbloed. Dat is vooral te zien aan zijn hoge hoofd- en halshouding. Het is een talentvol paard met goede springmanieren, dat internationale ervaring moet opdoen. De zeer betrouwbare Dreadnought is Laboucheres troef. Dit lang gelijnde paard, met een krachtige galop en enorme springcapaciteit, lijkt in de ring wel eens te kalm en laconiek. Toch weet Labouchere hem meestal foutloos naar de finish te sturen. Een snelle tijd maakt de combinatie nooit, maar een nulscore in het basisparcours én in de barage is meestal goed voor een hoge placering.
Amerikaanse officieren maken alleen gebruik van volbloedpaarden en daarom waren de pers en het publiek in de Verenigde Staten het eerste jaar van hun deelname wel lovend over de ruiters uit Holland, maar niet over hun paarden. Men vindt ze lomp en stijf. Dat beeld wordt bijgesteld als de Nederlandse ruiters in 1911 de landenwedstrijd winnen. Vooral Labouchere en Dreadnought maken indruk. Trapman en Van Voorst tot Voorst waren toen zijn teamgenoten, waarbij de laatste met de Ier Black Paddy sprong, die in 1910 nog werd gereden door Coblijn. Nu, in 1912, zijn Coblijn en Black Paddy weer een combinatie. Je zou dus kunnen zeggen dat deze Ierse ruin het meest ervaren paard en de betrouwbaarste factor is in het team. Ook Mathon en Van Gellicum, die al in 1910 deelnamen, zijn weer van de partij. Inmiddels is Van Gellicum bevorderd tot ritmeester en is zijn paard Powerful een stuk sterker geworden. Mathon en zijn dienstpaard Held vormen de reservecombinatie. De ruiters zijn optimistisch over hun kansen bij de landenwedstrijd in New York, maar ten opzichte van de Amerikaanse ruiters beginnen zij met een achterstand. De Nederlandse paarden hebben een lange reis achter de rug voordat ze aan start komen.
Labouchere geniet van de zeereis en het leven aan boord van het varende hotel. Hij heeft op het schip van de Holland Amerika Lijn, net als zijn collega’s, de beschikking over een comfortabele eersteklas hut, waarin voldoende ruimte is voor zijn grote koffers. Daarin zitten onder andere zijn altijd onberispelijke uniformen met bijbehorende petten en laarzen. Bovendien heeft hij kleding mee voor de verschillende officiële lunch- en avondontvangsten die de ruiters in New York staan te wachten. Trouwens, ook aan boord verkleden de leden van de equipe zich enkele malen per dag. Ze worden ’s avonds in ieder geval in vol ornaat aan het diner verwacht. Natuurlijk bemoeit Labouchere zich aan boord het meest met zijn collega’s. Maar hij begeeft zich ook graag onder de andere eersteklas passagiers. Hij geniet van de aandacht die hij krijgt als wedstrijdruiter die zijn land vertegenwoordigt. Het ontspant hem bovendien om ook eens met andere mensen te praten, hoewel die gesprekken ook heel vaak over het leger en de paarden gaan.
Over de verzorging en het uitstappen van de paarden hoeven de ruiters zich niet druk te maken. Dat is een taak van de oppassers Jan Wiersema en Thijs Vrind. Zij delen aan boord een derde klas hut, maar zijn zoveel mogelijk bij de paarden. Het achterdek van de Noordam, waarop de boxen staan en de paarden worden uitgestapt, is taboe voor de passagiers. Alleen de leden van de equipe hebben er toegang. Zij bezoeken de paarden dagelijks en bespreken dan het wel en wee van hun viervoeters met de oppassers. Na acht dagen meert de Noordam af in New York en gaan de paarden in goede conditie van boord.

HENK VOS – ENFANT TERRIBLE

Eddy Janssen publiceerde eerder het boek ‘Alles is Remy’ over het onverwachtse overlijden op negentienjarige leeftijd van zijn zoon Remy en ‘Het floepte er zomaar uit’, een boek vol mooie anekdotes uit de tijd dat hij nog voor de klas stond. Het is een bundeling van columns die eerder van hem verschenen en bevat behalve die leuke anekdotes ook tal van ervaringen en bedekte tips over kinderen en de rol van ouders en het onderwijs. Hij is al zijn levenlang sportliefhebber en heeft Henk Vos uitgekozen als hoofdpersoon voor zijn derde boek. Die keuze was niet zo moeilijk. Niet eens zo zeer omdat Henk een streekgenoot van hem is, maar vooral omdat het een voetballer is die tot de verbeelding spreekt en die een uitzonderlijk lange en veelzijdige carrière kende, met even veel glorierijke momenten als dieptepunten. .
De Franse eerste divisieclub Metz hengelt al een tijdje naar de diensten van Henk Vos en gaat in de winterstop met hem in gesprek. FC Metz geeft aan snel zaken te willen doen en zoals gewoonlijk is Vos meteen enthousiast. Bij Standard komt hij momenteel toch minder aan spelen toe en zo’n Frans avontuur ziet hij wel zitten. Hij belt zelf meteen de voorzitter van Standard en meldt hem dat Metz hem graag wil overnemen en dat ze contact gaan opnemen.
Een journalist krijgt hier lucht van en wil er het fijne van weten. Hij belt trainer Kessler en vraagt of Henk Vos Standard gaat verlaten en gaat tekenen bij FC Metz. Kessler schrikt van dit bericht en antwoordt dat hij daar niets van af weet. Hij ontkent alles. Diezelfde avond om tien uur wordt Kessler echter gebeld door de heer Henrotay met de vraag of hij even langs mag komen. Kessler begrijpt op dat moment meteen waar het over gaat. Op de vraag van Henrotay of hij er moeite mee heeft dat Henk Vos Standard gaat verlaten antwoordt Kessler heel resoluut: ‘Daar heb ik grote moeite mee, ja!’ Vos komt namelijk nog steeds voor in de plannen van Kessler. Hij wil er eerst goed over nadenken voordat hij ergens mee instemt waar hij later spijt van krijgt. Hij wil hierover ook met Henk zelf praten. Henk gaat al in gesprek met Metz en Kessler probeert nog laat telefonisch contact met Henk te zoeken. Die durft echter de telefoon niet op te nemen, omdat hij van Kessler altijd vroeg op bed moet liggen. Daags daarna spreekt Kessler hem wel en zondert zich daarna af. Hij gaat urenlang wandelen om een en ander op een rijtje te zetten. Na veel wikken en wegen belt hij Henrotay om te zeggen dat hij toch akkoord gaat. Kessler: ‘Maar ik ontken niet dat ik er erg mee in mijn maag zat. Ik heb alles tegen elkaar afgewogen en kwam tot de conclusie dat één van onze andere spitsen, Tikva, in de tweede competitiehelft waarschijnlijk meer zou kunnen betekenen dan Vos. Maar als ik bij mijn standpunt gebleven was, zou Vos nooit vertrokken zijn.’
Vos: “Bij Metz zijn mijn vooruitzichten veel beter. Ik weiger te zeggen dat ik bij Standard gefaald heb, ik heb er simpelweg nooit voldoende kansen gekregen als gevolg van die verdomde buitenlandersregel.”
H11 - Standaard4Het vierjarig contract van Henk Vos wordt binnen enkele dagen aangepast en Vos tekent in het bijzijn van zijn echtgenote en zijn manager een verhuurcontract bij FC Metz tot het einde van het seizoen. Metz maakt bekend dat het de bedoeling is dat hij op 16 december 1990 al zijn debuut maakt tegen de Franse kampioen Olympique Marseille.
Er gaat voor Vos weer een totaal andere wereld open. Hij betrekt in zijn nieuwe pleisterplaats een gemeubileerd appartement, pal tegenover het stadion van Metz. Hij gaat het komende half jaar spelen tegen alle grote Franse clubs zoals Marseille, Paris St. Germain, St. Etienne, Nice en Bordeaux. De reisafstanden zijn, in tegenstelling tot in België en Nederland, erg groot en FC Metz verplaatst zich dan ook standaard op de dag van de wedstrijd per vliegtuig vanaf R.V. Aeroport Metz-Frescaty. Relatief snel is men dan op de plaats van bestemming. Omdat men ’s nachts niet te laat mag landen, vliegt men steeds onmiddellijk na de wedstrijd terug. Slechts een enkele keer reist men per bus. Henk Vos speelt tegen Marseille de gehele wedstrijd (met nummer 11). Meestal links aan de buitenkant om zijn directe tegenstander, de vaak mee opkomende Boli, af te stoppen. Tegen Marseille, met Waddle en Papin, is FC Metz kansloos en verliest met 3-0.
“Mijn gevoel na de eerste partij was erg dubbel. Ik wist Boli volledig uit de wedstrijd te spelen, maar ik voelde me in deze rol niet echt lekker. Ik ben nu eenmaal een spits en geen linkshalf. De nederlaag deed me ook pijn. Na de wedstrijd zat ik minutenlang met een handdoek over mijn hoofd. De trainer kwam vragen wat er scheelde. Hij zei dat ik het me niet aan moest trekken, want dat er weer een nieuwe wedstrijd op het programma stond. Voor die lui was er niets aan de hand. Daar keek ik wel van op. In Frankrijk heerst een heel andere mentaliteit. Alles gaat daar ‘doucement’, rustig aan.”
De kranten hebben Vos na enkele wedstrijden ook ontdekt en in de maandagkranten prijkt bijna standaard steeds een ‘Henk Vos actiefoto’. Het commentaar, na de met 2-1 gewonnen thuiswedstrijd tegen Toulouse FC, mag er ook best zijn: ‘Henk Vos maakt duidelijk vorderingen en gaat steeds beter spelen. Alleen jammer dat deze atleet en begaafd technicus het doel nog niet vindt.’
FC Metz trekt met onmiddellijke ingang nog een nieuwe aanvaller aan, Francois Calderaro. Het is de bedoeling dat hij samen met Henk Vos het spitsenduo vormt. Op 24 januari 1991 verslaat FC Metz thuis FC Nantes met 2-0 en Henk Vos scoort voor 6.000 toeschouwers de 1-0, zijn eerste goal voor Metz. Mede hierdoor bezet FC Metz een fraaie vijfde plaats op de ranglijst. In de kranten staan naast de wedstrijdverslagen ook enkele kleine, aparte katernen met wat wetenswaardigheden over het begin van zijn carrière. Vos blijft goed presteren en wordt in de pers geprezen om zijn exceptionele snelheid, zijn tempoversnellingen, zijn beweeglijkheid en het feit dat hij steeds op de goede plaats opduikt. Men noemt hem in een ‘koptekst’ na een overwinning zelfs ‘de held van het feest’!
Hij wint ieders sympathie en men ziet hem als de ‘aansteker van het vuurtje’. Hij gaat voorop in de strijd en men noemt hem een eerlijke speler, omdat hij voetbalt vanuit zijn hart. Vos lijkt zijn draai in Metz gevonden te hebben: “Ik heb het hier uitstekend naar mijn zin. Ik heb nu al zo’n tien wedstrijden gespeeld en scoorde al vier keer. Niet slecht. Ik vind de competitie hier minder zwaar dan in België. Hier speelt men meer op techniek in plaats van op fysiek. Het maakt me niet zoveel uit waar ik speel, als ik me maar kan laten gelden. Hoe het straks aan het einde van het seizoen moet, weet ik niet. Terugkeren naar Sclessin is zeker een optie, maar ik moet dan wel meer kansen krijgen om te bewijzen dat ik in het eerste elftal thuis hoor.”

Privé krijgt Henk een klap te verwerken als hij het bericht krijgt dat zijn opa is overleden. Opa is toch de man die in het begin van zijn carrière zijn steun en toeverlaat was. Henk is hierdoor aardig van slag en heeft tijd nodig om dit te verwerken. Meteen na het trieste nieuws rijdt hij naar Roosendaal en blijft daar een volle week.
H12 - MetzOp uitnodiging speelt FC Metz een vriendschappelijke wedstrijd om de Memorial Albert Stoltz (de oud- voorzitter van Union Luxembourg) bij Union Luxembourg. FC Metz wint gemakkelijk met 0-4 en Henk Vos blinkt uit door het missen van diverse doelrijpe kansen. Dit zwakke optreden zorgt er mede voor dat hij op de bank terecht komt. Hij krijgt nog slechts invalbeurten. FC Metz bezet na 31 wedstrijden een zesde plaats, samen met nog vier andere ploegen. In de middenmoot van de ranglijst is het dus dringen geblazen. Een wedstrijd verliezen kan zo maar een vrije val betekenen. Trainer Joël Muller wil dit voorkomen en kiest voor een meer offensieve speelstijl. Tegen SC Toulon (18e op de ranglijst) speelt hij dan ook met de spitsen Calderaro en Vos. Ze spelen in Toulon voor slechts 3.000 toeschouwers een ongelukkige wedstrijd en verliezen met 2-1. Als Metz, met Vos in de gelederen, de weken erna ook verliest van Lyon en Auxerre, maakt men zich in Metz geen enkele illusie meer over een hoge klassering. Het seizoen wordt als verloren beschouwd en FC Metz besluit de optie tot verlenging in het contract met Henk Vos niet te lichten. Na zestien wedstrijden en slechts twee goals is Vos aan het einde van het seizoen 1990-1991 weer selectiespeler van Standard.
“Jammer dat ik na een aantal redelijke wedstrijden niet meer in de basis verscheen. De trainer koos definitief voor Calderaro alleen in de spits. Ik moest het uiteindelijk gaan doen met invalbeurten en kwam steeds minder aan de bak. Toen wist ik al dat mijn carrière hier geen lang leven beschoren was. Wel weer een grote levenservaring rijker. Diverse clubs informeerden bij mijn zaakwaarnemer, maar het deed me deugd dat ik hoorde dat Standard me niet wilde doorverhuren en dat ze me eigenlijk graag terug wilde hebben. Dat was ook wel te zien aan het feit dat men een erg hoog transferbedrag op mij plakte. De liefde kwam duidelijk van twee kanten. Eén en één was dus twee en sneller dan ik verwacht had keerde ik met veel ambitie terug naar Standard. Ik wilde me daar gaan bewijzen en trainde tijdens de vakantie in mijn eentje de gehele zomer door.”

MEISJES UIT VERVLOGEN DAGEN

Meisjes uit vervlogen dagen is de vierde publicatie van Joep Scholten, waarin hij de vriendschap reconstrueert van zijn moeder met Coba van den Broek, die bij het bombardement op Doetinchem in de laatste weken van de oorlog (21 maart 1945) om het leven komt. Hij doet dat door niet alleen de vriendschap tussen beide jonge vrouwen te beschrijven, maar er tegelijkertijd een fascinerende beschrijving van het vooroorlogse Doetinchem van te maken en de onderlinge relaties binnen zijn familie te ontleden. Eerder verschenen van Joep Scholten het verhaal Amarcordsneeuw, waarin hij op kritische toon zijn liefde voor de wielersport beschrijft (zie elders op deze site) en bij andere uitgevers Jongens voor onbepaalde tijd (2000), een Achterhoekse sfeerroman, en Het meisje met de blauwe bloemen (2008), een thrillerachtige roman over een Bosnische vluchteling. Ook zijn vierde boek lardeert hij rijkelijk met kritische aantekeningen over de hedendaagse maatschappij.
Vele jaren later, oom Gert is dan net overleden, lees ik Grebbelinie 1940 en Residentie 1940 van Lt. Kol. E.H. Brongers. Hoewel over het boek een zweem van nationale trots hangt en het gedrag van hoge militairen als het ware met meel in de mond wordt beschreven, geeft het wel een behoorlijk compleet strategisch beeld van die vroege meidagen. Allerlei getuigenverklaringen en militaire rapporten zijn erin opgenomen. Zelfs op afstand en gelauwerd door de tijd raak je al gauw geïrriteerd door de onwaarachtigheid van het militaire toontje dat er vaak in doorklinkt. Wie het boek ‘De Greb’ van Koen Aarts en Hans Pols leest, krijgt een ander en meer onverbloemd beeld van hoe beroerd de verhoudingen tussen hoge officieren en manschappen toen vrijwel standaard waren. Maar terug bij het boekwerk van Lt. Kol. Brongers: als oom Gert het gelezen had, zou hij nog harder gevloekt hebben. Dat vanwege de schier bewonderende frasen die hij besteedt aan de acties van kapitein Gelderman. Ze klinken op zijn zachtst gezegd bevreemdend. Toch levert het boek ook iets bijzonders op: ik lees er voor het eerst iets over ene vaandrig Evertse. Jammer genoeg is er geen foto van hem geplaatst, maar het verhaal is me vertrouwd. Ik voel een soort opluchting. De man bestond echt, hij blijkt geen verzinsel van mijn vader. Natuurlijk zijn er een paar verschillen. Details weliswaar,,maar wel details waarbij ik me afvraag wie van de twee bewust of onbewust een paar stappen naast de werkelijkheid is gaan staan? Vaandrig Evertse of mijn vader? Ter illustratie citeer ik een passage uit de getuigenis die de vaandrig op 24 februari 1947 aflegt. Hij vertelt over zijn tocht van de Grebbeberg via Wageningen naar Arnhem. Bij Renkum stokt het: ‘… Hier liep ik bij het eerste huis tegen de bajonet van een Duitse schildwacht. Deze voerde mij het huis in waarna ik door een volslagen dronken Duitser werd verhoord en van al mijn bezittingen werd ontdaan. Hierna werd ik naar buiten gevoerd met een pistool in mijn hals gedrukt. Plotseling besefte ik dat het bittere ernst was en geen bangmakerij. Ik draaide mij vliegensvlug om en gaf de man een slag in zijn gezicht, waarna ik zig-zag terug rende in de richting Wageningen. De schildwacht schoot tweemaal mis. Toen de achtervolging gestaakt werd trok ik verder richting Rijn en verborg mij op de tekenkamer van de papierfabriek Van Gelder. Hier heeft een arbeider mij de volgende dag aan kleding en een fiets geholpen. Ik ben naar Arnhem gegaan waar ik onderdook…’
In plaats van een tweetal bezopen Duitse soldaten doodschieten, deelt hij een klap uit met zijn blote hand en vlucht. In plaats van op een Duitse motor in Duitse militaire outfit pontificaal richting Arnhem rijden, fietst hij onopvallend in burgerkleding. Zie hier de verschillen tussen de orale geschiedenis van een vader aan zijn zoon en de getuigenverklaring van een militair aan de officieren die hem verhoren. In ieder geval weet ik wel welke versie het voor mij zou worden, mocht ik een scenario voor een film willen schijven. Mijn vader schreef echter nooit verhalen, wel vertelde hij ze graag en dat deed hij terwijl hij met zijn kleine hamer blauwkopjes in een houten romp van een nog kaal bankstel spijkerde. Blauwkopjes zijn van die kleine scherpe spijkertjes. Altijd nam die als een handvol pillen in zijn mond om ze daarna één voor één tussen de lippen beschikbaar te houden voor verwerking. Zelfs met een mond vol blauwkopjes was hij wonderwel verstaanbaar. Johan was meubelstoffeerder en wat voor één!
Als ik dat verhaal van Evertse een aantal keren herlees, denk ik: ‘Hoe dapper of misschien wel, hoe onverantwoord roekeloos vinden je superieuren je als je aangeeft dat je twee beschonken Duitsers overhoop hebt geschoten?’ Misschien is het wel verstandig om je heldendom enigszins te doseren, want je zit tegenover superieuren die zelf geen ander heldendom in de aanbieding hebben dan een krijgsgevangenschap, dat ze gewillig ergens in een kamp voor hoge officieren hebben ondergaan. Is het dan niet verstandiger om melding te maken van een vlucht in de nacht? Natuurlijk zigzaggend lopend, je bent tenslotte militair of niet! Het kan een veiliger optie zijn voor een eventuele voorspoedige militaire carrière in vredestijd wanneer je niet te nadrukkelijk de held uithangt. We zullen het nooit weten wat er in het hoofd van vaandrig Evertse omgaat als hij zijn versie van het verhaal laat optekenen door een militaire commissie. In de ogen van mijn vader maakt het allemaal niet uit. Vaandrig Evertse kan niet meer stuk, zijn leven lang niet.
De man en zijn verhaal worden nog even aangeraakt als we samen naar de Grebbeberg rijden. Het is ergens begin jaren negentig en er is een herdenking op de Grebbeberg. Ik stel voor dat het misschien een goed idee is daar eens te gaan kijken. Het wordt een teleurstelling. Hij herkent niets. Alles is zo veranderd. Dat geldt niet alleen voor de omgeving, maar ook voor de oude mannen die er rondlopen. Een paar keer is er iemand die kijkt en dan nog een keer kijkt. Even lijkt er een zweem van herkenning, maar de stap maken van die jonge man van net in de twintig tot de man van dik in de zeventig blijkt te groot. Dat geldt wederzijds. Na een uur houdt hij het voor gezien. In stilte rijden we terug. Onderweg probeer ik hier en daar nog een aanknopingspunt te vinden. De aanblik van het landschap echter correspondeert nergens met wat er in zijn hoofd nog rest aan beelden. Je kunt erop wachten tot ook hij zich bedient van de zin waarin spijt zich verschuilt achter berusting: ‘Ach, het is allemaal al zo lang geleden.’
80 - Johan en een dienstmakker op soort van statiefoto tijdens hun militairenummer in 1937Het heeft iets onwerkelijks, die eerste dagen in mei 1940. Zeker als je dat legt naast de kennis van nu. Hoewel verwacht, komt het toch nog onverwacht. Vroeg in de morgen op 10 mei 1940 verschijnen de eerste Duitse soldaten in Doetinchem. Kort daarvoor klinkt er een knal. De brug over de Oude IJssel is ondermijnd en wordt eruit geblazen. Nederland geeft zich niet zomaar gewonnen. Niet zelden gebeurt dat ronduit knullig. Hoewel er in die eerste dagen geen Duitse militair de oversteek via ’s Heerenberg naar Doetinchem maakt, moet toch die brug eruit. De explosie levert ook het eerste en voor zover bekend enige slachtoffer op dat in Doetinchem valt. Het betreft reservekapitein Voltelen. Een brug opblazen is niet ongevaarlijk, zeker ook niet voor degene die daar de leiding over heeft. Vijf jaar later en op nagenoeg dezelfde plek doen rondvliegende scherven en puin hetzelfde met Coba. Ondertussen trekken de Duitse troepen via Terborg en Gaanderen richting Doetinchem. Daar rijden ze door de stad en komen zo op de Keppelseweg, die leidt naar Doesburg. Daar zal de eerste confrontatie plaatsvinden. In het boek ‘Doetinchem in oorlogstijd’ beschrijft Inge Volker verschillende reacties van ooggetuigen. Die zijn vooral verbaasd over de voorbodes van het Duitse leger op de straten. De vroege vogels horen op die 10e mei op weg naar hun werk allerlei ongewone geluiden. Het blijken explosies. Tegelijkertijd zien ze hoe boeren op hun land onverstoorbaar doorgaan met hun werk. Rond zeven uur in de ochtend trekken de eerste gemechaniseerde troepen door Doetinchem. Duitse officieren zouden verbaasd zijn geweest dat er geen juichende massa’s staan die hen verwelkomen. Dat is althans de conclusie die Inge Volker trekt. Net als zij was ik er niet bij. Maar interessant is vooral dat die mensen zich zo onbeschermd aan de kant van de weg begaven. Wat je niet kent, boezemt kennelijk ook nog geen angst in. De onbekendheid met het fenomeen oorlog zal zeker meegespeeld hebben. Maar nieuwsgierigheid is sterker dan de eventuele angst. Het zorgt ervoor dat mensen van elders in Doetinchem wonen, speciaal hiernaar toe komen om te kijken naar het voorbijtrekkende circus. Alsof het een wielerkaravaan betreft. Hebben we hier te maken met een eerste variant van bermtoerisme! Staat ook Sientje daar aan de weg? Als ze die dag aan het werk is, hoeft dat niet. Het huis van de familie Van Zadelhoff aan de Keppelseweg staat al eerste rang. Na de stoottroepen volgt een onafzienbare stoet aan materieel en mensen, vaak vervoerd op paard en wagens. Het duurt tot diep in de nacht. Ook vanwege de paar uur oponthoud dat de troepen lopen bij Doesburg. Daarna trekt de meute door richting Grebbeberg.
Ik stel me voor hoe de discussie diezelfde ochtend verloopt in het huis aan de Cronjéstraat. Oom Henk Keizer hoort van de Duitse inval en pakt onmiddellijk zijn plunjezak. Hij wil zo snel mogelijk op de trein richting Den Helder. Als enige zoon van de familie Keizer zat hij ergens rond 1923 in militaire dienst. Hij was er matroos op een marineschip. Echtgenoot Hentje en zoon Henk, dan 9 jaar oud, maken hem echter duidelijk dat hij niet ver zal komen. Er zullen vast geen treinen rijden, zeggen ze en ze hebben daarmee een vooruitziende blik. De brug bij Westervoort ligt eruit en ook op verschillende andere plekken is het spoor geblokkeerd.
Heeft Coba die ochtend de reis van Arnhem naar Doetinchem gemaakt? Vrijwel zeker van niet. Waarschijnlijk zal ze onverrichter zake naar huis zijn teruggekeerd. Het kan ook zijn, daar zijn namelijk aanwijzingen voor, dat ze op dat moment op een adres in Doetinchem woonde. Gedurende verschillende periodes tijdens de oorlog woont ze zelfstandig op een kamer in de stad. Dat bespaart haar het heen en weer reizen naar Arnhem. Makkie kan zich niet herinneren of dat ook op 10 mei 1940 het geval is geweest. Wel weet ze nog steeds dat je in hun wijk Heijenoord, waarin de Hertshoornstraat ligt, niets merkte van Duitse troepenbewegingen. Die trekken om Arnhem heen. Kort daarna kom je in de stad overal Duitse soldaten tegen. Ze vieren daar hun verlof en zijn vooral uit op contact met de Nederlandse meisjes. Kennelijk ligt Arnhem ver genoeg weg van het front, want het geluid van vuurwerk en kanongebulder weet die twintig kilometer niet of nauwelijks te overbruggen. Met dank aan de bossen en het heuvelachtige landschap. Ze wekken de illusie van een geluidloze bezetting. Nee, dan ruim vier jaar daarna. Toen werd het pas echt oorlog.
In Doetinchem heerst in de zomer van 1940 een vergelijkbaar gevoel, zeker als in juni van dat jaar de eerste krijgsgevangenen terugkeren van hun verblijf uit de Duitse kampen. In de toenmalige sociëteit is het een drukte van belang. Van daaruit worden de voormalig Nederlandse soldaten in hun plotseling te ruim zittende uniform vrijgelaten in hun bezette vaderland. De thuis wachtende familie en geliefden zijn er niet minder blij om. Ze hebben het overleefd. De opluchting daarover laat hen even die paar maanden ellende die achter hen ligt vergeten. De Grebbeberg was geen pretje, kamp Neubrandenburg evenmin. Maar het leven gaat verder, met of zonder krassen op hun ziel.

PRINSEN OP WITTE SCOOTERS

Angeline Schoor, geboren en opgegroeid in Haarlem, woont met haar zoon en twee ratten op een van de Zuid-Hollandse eilanden. In het dagelijks leven is zij leidinggevende binnen de gemeente Rotterdam. Daarnaast is zij singer/ songwriter en treedt zij zo nu en dan op, met haar harp of met gitaarbegeleiding van haar zoon. In de tijd die overblijft, reist zij zo veel mogelijk.
Fragment uit Prinsen op witte scooters: Dag 12 in Hué
Omdat ik vanmiddag met het meisje van het hotel op de scooter meega op een stadstoer langs alle oudheden en ik vanavond in de nachtbus naar Hanoi stap, wil ik de ochtend rustig houden. Ik blijf in bed tot een schandelijke zeven uur. Na de stoepsoep wandel ik kalm door de verzengende zon over een van de bruggen en strijk neer op een bankje in een park aan de westelijke oever. Het bankje staat onder een grote boom die vol zit met trossen groene vruchten, ongeveer als trostomaatjes, dicht tegen de stam. Twee grote hagedissen achtervolgen elkaar over de takken. Er komt een jongeman op een scooter aangereden. Aan zijn stuur hangt een pak waarover een zwarte doek hangt. Hij stapt af, neemt het pak voorzichtig van het stuur en verwijdert de doek. Er zit een houten kooitje met een kleine zangvogel in. Er hangen bakjes met eten en water aan de tralies en het geheel ziet er verzorgd uit. Met het kooitje in de hand klimt hij in de boom en hangt het aan een van de takken. Dan vertrekt hij weer. Ik begrijp de bedoeling van deze handeling niet. Misschien is het een religieus ritueel. Ik hoop in ieder geval niet dat het arme vogeltje hier nu moet blijven hangen en verkommeren. Een goed half uurtje later is de jongen terug. Hij klimt weer in de boom, haalt het kooitje eruit, plooit de zwarte doek er zorgzaam omheen en hangt het aan het stuur van zijn scooter. En dan gaat hij weer. Vogel uitlaten? Het dagelijkse luchtuurtje van de huiskanarie? Hoe dan ook, ik vind zijn tedere omgang met het vogeltje ontroerend. Voor ik moet uitchecken, geniet ik nog eventjes van de koelte en het comfort van de hotelkamer. Het is een zonnige en zeer hete dag en ik zal de hele middag buiten zijn. Dat wordt heel plakkerig de bus in gaan, vrees ik. Dus nu nog snel een koude douche en airco en ventilator eventjes aan.
De hoteljuffrouw is er al als ik beneden kom. Mijn bagage wordt voor me bewaard en ik krijg thee aangeboden. Dan is het tijd voor de toer door de stad. Ze heeft een klein dames-stadsscootertje maar we passen er samen op. Ze rijdt me door stille wijken en parken en laat me vele soorten pagodes zien. Ze variëren in stijl en staat van onderhoud maar zijn allemaal mooi, verlaten en liggen in fraaie, verstilde tuinen. Het mooist en meest indrukwekkend vind ik een pagode die helemaal van kaneelhout gemaakt is. Het donkere balkendak wordt geschraagd door dikke houten pilaren en de parketvloer is glanzend gewreven tot bijna zwart. Met een sobere versiering van goud is dit werkelijk een adembenemend gezicht. Na de pagodes brengt ze me naar een wierookmaakster. Ik heb nooit geweten hoe dat gaat, maar nu zie ik dat de bamboe stokjes met een soort troffel door een stroperige massa worden geplet, terwijl er strooisel van de kaneelboom doorheen gemengd wordt. De aldus gefabriceerde wierookstokjes zijn te lang om in mijn rugzak te vervoeren, maar een pakje wierookkegeltjes past er nog wel in. Voor thuis, om bij te mijmeren in mijn tuin en me een paar momenten terug te wanen in Hué. Als afsluiter rijden we langs de westoever van de Song Huong, het deel buiten de drukte van de binnenstad. De aanblik van de rivier, verlicht door de zich naar de westelijke einder verplaatsende middagzon, onder een blauwe, met dikke cumuluswolken gewatteerde lucht, is onvergetelijk. Dat worden foto’s waar ik kaarten van kan maken. De rit eindigt bij de wereldberoemde Thien Mu pagode, een sierlijke toren die is opgebouwd uit zeven lagen met gewelfde daken die naar boven toe steeds smaller worden. Een bouwstijl die je in Nederland vaak ziet op schilderijen of parelmoerlakwerk aan de muren van Aziatische restaurants. Het is voor het eerst dat ik er een in het echt zie. De aanblik ontroert me. Wat ben ik toch een mazzelaar dat ik zo veel mag reizen en beleven.
1809 IMG_3496b, libellen boven de Song Huong (Parfumrivier) in Hué
Op weg naar het hotel deelt mijn charmante gids mij mee dat ik, voordat ze me naar de bus brengt, gebruik kan maken van de privé-badkamer van het hotel om nog even te douchen. Als ze niet aan het scooteren was, had ik haar omhelsd. Ik plak aan alle kanten en mijn kleren voelen verre van fris. Een douche voor ik de bus in ga, zal de nacht in de bus veel comfortabeler maken. Maar ze is nog niet klaar met haar dienstverlening. Tijdens mijn verblijf hebben we het over mijn reisplannen in het noorden gehad. Een bezoek van een paar dagen aan de minderheden in de omgeving van Sapa staat hoog op mijn lijstje, evenals een jungletrek. Ze heeft wat voor me zitten zoeken en kan voor een zeer schappelijke prijs vast het een en ander voor me regelen. Haar collega in Hanoi kan me daar weer verder helpen. Ik vind het een goed idee. Het scheelt me veel zoek- en uitzoektijd en ik heb vertrouwen in haar en haar connecties. Dus gaat ze voor me aan de slag. Onderweg hebben we informatie uitgewisseld over onze leef- en familieomstandigheden. Ze heeft twee jonge dochters. De oudste zit op kostschool en haar moeder zorgt voor de jongste. Zelf werkt ze zeven dagen per week. Het is niet gemakkelijk om in Hué werk te vinden en als je een baan hebt, wordt er van je verwacht dat je non-stop keihard werkt, anders kun je gaan. Voor jou tien anderen. Haar man, een oud-klasgenoot van haar, heeft geen werk in Hué kunnen vinden en werkt in Hanoi, ruim zeshonderd kilometer ver. Ze zien elkaar eens in de twee of drie maanden. Een hard leven. En dan toch zo zonnig zijn. Ik hoop dat ze commissie krijgt voor het boeken van mijn trip.
Ik verwacht dat ze me met de auto naar de bus zal brengen, gezien mijn bepakking. Maar er staat mij een zeer Aziatische ervaring te wachten. Ze reikt me de helm weer aan, we gaan op haar scootertje. Zij zit aan het stuur, mijn rugzak staat tussen haar knieën. Ik draag mijn dagrugzakje, mijn camera en een tas met bus-eten. Haar dochtertje, dat ze inmiddels hij haar moeder heeft opgehaald, zit tussen ons in. Een hele vracht voor dat kleine scootertje. Maar het gaat best goed. Handig laveert ze door de drukte en levert me ter plaatse af. Daar nemen we afscheid met de belofte dat ik een mooie recensie op de website van haar hotel zal plaatsen. De bus is maar een uur te laat. Maar de passagiers staan warm en droog op de stoep. Niemand maakt zich druk. Dit is Azië.

ALS JE DE TOUR NIET HEBT GEREDEN, DEEL 2

Fred van Slogteren begon in 1996 na een carrière als copywriter en bedrijfsjournalist een tweede leven in de wielerjournalistiek. Hij werkte voor diverse kranten en tijdschriften, zoals Wieler Revue en Wielerland Magazine. Verder is hij dagelijks actief op internet met de populaire site wielersport.slogblog.nl. Van zijn hand verschenen eerder gedetailleerde biografieën van wielergrootheden als Peter Post (1998), Jan Janssen (2001), Joop Zoetemelk (2005) en Jan Raas (2009). In 2003 verscheen Wielerhelden van Oranje, het door hem geschreven jubileumboek van de toen 75-jarige KNWU.
135 – Jos Schipper
* Baarn, 10-06-1951
* Tourresultaat: 1980 –  83e op 1u59’29” van winnaar Joop Zoetemelk
1982 – opgave in de zeventiende etappe
ps135 - Jos SchipperTussen 1935 en 2013 slaagden negen Nederlanders er in bij de eerste vijf in de einduitslag van de Ronde van Spanje te horen. Op één na leverden die mannen ook grote prestaties in de Tour de France. Die uitzondering is Jos Schipper, die in Spanje een keer als vijfde eindigde, maar in twee Tourstarts niet verder kwam dan een 83ste plaats. In de Vuelta van 1978 werd hij vijfde op bijna vierenhalve minuut van Bernard Hinault, destijds de beste renner ter wereld. Het verschil met de als derde geëindigde Jean-René Bernaudeau, een andere Franse topper uit die tijd, was slechts 41 seconden. Dat had Jos misschien goed kunnen maken in de laatste tijdrit, maar die werd helaas afgelast omdat de Baskische terreurorganisatie ETA had aangekondigd die dag een aanslag te zullen plegen. De renner uit Baarn liet in die editie van de Spaanse ronde ook erkende klimgeiten als José Nazabal, Gonzalo Aja, Vicente Lopez-Carrill en Andrès Gandarias achter zich. Daar stonden de kenners in Nederland toch even van te kijken.
Ze kenden Jos Schipper van de criteriums en de Vlaamse voorjaarskoersen als een rappe en echte prijsrijder. Hij had eerder dat jaar de semi-klassieker Dwars door Vlaanderen gewonnen en ze herinnerden zich ook nog dat hij een jaar eerder in de Amstel Gold Race er in de finale vandoor was gegaan en toen Knetemann in zijn wiel kreeg. Even later sloten ook Kuiper en Raas aan. Dat drietal voerde een onvergetelijk schouwspel op, terwijl Schipper door kramp moest lossen. Hij liet zich terugzakken in de achtervolgende groep, voelde tussen de wielen de kramp wegtrekken en versloeg in de sprint om de vierde plaats het hele pak met Merckx, Maertens en alle andere groten van die tijd. Dat was knap, maar dat hij ook in de Vuelta tussen de grote klimmers uit de voeten kon, was volslagen onbekend. Ook bij de grote ploegbazen van toen. Peter Post, Fred De Bruijne en Piet Libregts maakten echter geen aanstalten hem in te lijven. De witblonde coureur heeft nooit kunnen aantonen dat die vijfde plaats in de Vuelta geen toevalstreffer was. Marc Zeepcentrale en Wickes, de ploegen waarvoor Schipper indertijd reed, waren wel redelijke ploegen maar geen topformaties. Bovendien moest hij daar volledig in dienst rijden van de Planckaerts en Criquielion. Later, als lid van de kleine Nederlandse HB Alarm-ploeg, won hij in 1981 een etappe en het eindklassement in de Ruta del Sol, een pittige Spaanse rittenkoers.
We kunnen niet anders concluderen dan dat Jos Schipper een zwaar onderschatte renner is geweest en dat zijn reputatie hem in de weg zat. Hij was een aardige gozer, maar ook een renner die in elke ploeg waarvoor hij heeft gereden een vrije rol afdwong, die bij voorkeur zijn eigen weg ging en dus geen teamspeler was. Nooit zat hij met iemand in de slag en overal reed hij voor wat hij waard was. Jos was een tikkie eigenwijs en tactisch geen uitblinker. Hij was rap, maar geen supersprinter. Om dan toch een veelwinnaar te worden, moet je uitgekookt zijn en in staat zijn in het gedrang van de laatste kilometers het goede wiel kiezen. Theo Smit en Gerben Karstens waren er meesters in, maar Jos miste het gogme om in het juiste gat te duiken om de sprint in zijn voordeel te kunnen beslissen. Hij had meer kunnen winnen als hij wat uitgekookter was geweest. Dat is althans zijn eigen conclusie over de twaalf jaar dat hij beroepsrenner was.
Wie het verloop van zijn wielercarrière nagaat, begrijpt ook wel waarom. De provincie Utrecht was in zijn tijd geen wielergebied, zoals Brabant en Limburg dat waren. Er zijn in de geschiedenis van de Tour de France inclusief Jos Schipper maar vier echte Utrechtse Tourrenners geweest. Jos was lid van de wielervereniging Tempo uit Soest. Dat was een gerenommeerde wielerclub, die landelijk goed stond aangeschreven, maar toch heeft hij net als zoveel renners van zijn generatie veel zelf uit moeten zoeken. In zijn woonplaats Baarn woonden geen andere renners met wie hij in zijn eerste jaren kon trainen om iets van elkaar op te steken. Baarn was een chique dorp met lommerrijke lanen, met binnen de gemeentegrenzen de koninklijke familie, veel omroepmedewerkers en inwoners die meer deden aan hockey, tennis en paardensport, sporten die er veel populairder waren dan een volkssport als wielrennen.
Jos Schipper was het jongste kind in een arbeidersgezin met vijf kinderen, twee jongens en drie meisjes. Vader Schipper werkte bij de Koninklijke De Ruijter, fabrikant van allerlei zoetigheid voor op de boterham en om er wat bij te verdienen was hij in zijn vrije tijd behanger. In het gezin had men veel belangstelling voor sport. Dat kwam door Jan van Gooswilligen, een oudere neef van Jos die in de jaren zestig 58 keer voor het Nederlands hockeyteam uitkwam, waarvan vele malen als aanvoerder. Van Gooswilligen maakte twee maal de Olympische Spelen mee en werd een keer wereldkampioen, prestaties die in de hele familie met groot enthousiasme werden gevolgd. Jos meldde zich aan bij een voetbal- en atletiekvereniging; zijn broer zat op voetballen bij andere club. Vader en moeder vonden het prachtig dat hun twee jongens aan sport gingen doen zo lang het maar niet ten koste ging van de school. Jos zat op de lts om voor timmerman te leren, vond het prachtig werkstukken te maken en kwam daarom met hoge cijfers thuis. Hij was een pietje precies en leverde zijn werkstuk pas in als het naar zijn inzicht helemaal tot in de puntjes was. Later was hij als wielrenner net zo perfectionistisch op zijn materiaal. In zijn eerste jaren stond zijn fiets in de wintermaanden blinkend schoon onder een dekentje in de kast op zijn kamertje.
Diascans wielrennen
Jos Schipper (rechts) tijdens het Nederlands kampioenschap met achter hem vlnr Ad Wijnands, Johnny Broers, Hennie Stamsnijder en Johan van der Velde. (Foto: Cor Vos)
Hij was met het hardfietsen in aanraking gekomen omdat er in Baarn ieder jaar door de winkeliers een wielerronde werd georganiseerd voor schooljongens. Jos wilde graag meedoen, maar had geen fiets. Gelukkig kon hij er een lenen van de zoon van de paardenslager. Met honderden mensen langs het parcours weerde hij zich als een leeuw. Hij won niet, maar de wielerbacil had zich in hem genesteld en samen met zijn broer, die ook enthousiast was geworden, kocht hij van het geld uit hun spaarpotten een nieuwe Gazelle racefiets bij een fietsenmaker in Hilversum. Vader en moeder vonden het maar niks, bang als ze waren dat het ten koste van de schoolprestaties zou gaan. Broerlief hield het na korte tijd voor gezien, maar Jos had de smaak te pakken. Hij meldde zich bij Tempo en op zijn achttiende vroeg hij zijn eerste licentie aan. Hij had toen bij Toon de Jonge in Hilversum, in wielerkringen bekend als Rooie Toon, al een betere fiets gekocht. Dat was een tweedehands Joco, type Ronde van Nederland. In die tijd een fiets waar je onder wielrenners mee voor de dag kon komen.
“De fiets was beter dan de berijder”, herinnert Jos zich ruim veertig jaar later. “Ik zat er als een zoutzak op, het zag er niet uit. Dat zei iedereen, maar ik reed ze wel allemaal het snot voor de ogen. Ik was een knokker, een doordouwer en ging altijd in de aanval. Tactisch stelde het niks voor, want als de finale begon was ik meestal uitgepierd. Toch won ik in mijn eerste jaar bij de nieuwelingen vijftien koersen en behaalde ik veel ereplaatsen, nadat ik door Rooie Toon goed op de fiets was gezet. Toen ik amateur werd, ben ik voor halve dagen als timmerman bij een carrosseriebedrijf in Hilversum gaan werken. ’s Ochtends werken, ’s middags trainen en verder zo veel mogelijk koersen. Ik kon er goed van rondkomen, want met mijn sprint pakte ik elke week wel een paar honderd gulden. Na dat carrosseriebedrijf heb ik nog andere baantjes gehad, steeds voor halve dagen. Ik heb ook nog bij een verhuizer gewerkt, want van dat sjouwen met zware meubels werd ik sterker. Een soort krachttraining, toen niemand dat nog deed.”
Jos behaalde in de vier jaar dat hij bij de amateurs reed zo’n veertig overwinningen. Het waren allemaal criteriums waarin hij zegevierde, want hij bleef ver weg van de amateurklassiekers. Daar had hij niks te zoeken, want hij kon niet waaierrijden. Wel nam hij een keer deel aan een etappekoers in de Ardennen en ontdekte daar dat hij bergop goed mee kon. De beste Nederlandse amateurs van toen werden er af gereden, maar Jos werd keurig zevende in de eindstand. In Limburg won hij nog een klimkoers in Voerendaal, maar de bondscoach zag hem over het hoofd. Jos maalde er niet om, want hij had een mooi leven. Hij verdiende goed geld en wat kon het hem nou schelen dat hij bijna niet voor buitenlandse wedstrijden werd gevraagd. Alles wat hij kon had hij zich zelf geleerd. Meestal met schade en schande, maar hij werd er wel een betere wielrenner van. Wist hij veel over training en voeding, zonder die kennis reed hij ook prijs en verdiende hij met zijn baan erbij genoeg om zich goed te kunnen redden.
De enige goede raad die hij zich kan herinneren kwam van Gerrit Schulte. Hij had eens gelezen dat de Bossche Reus voorstander was van het rijden met een klein verzet en dat het goed voor een renner was om bij het trainen op een doortrappertje te rijden om gewend te raken aan een hoog beentempo en het ontwikkelen van stuurmanskunst. Op een doortrapper kun je niet remmen en dus moet je sturend uit de problemen zien te blijven. Op de vlakke weg was dat best te doen, maar in het trainingsgebied van Jos soms uiterst gevaarlijk. De Utrechtse heuvelrug zit vol met klimmetjes. Erop was geen probleem, maar omlaag ging Jos steeds harder. Er zijn geen ernstige ongelukken gebeurd, maar het heeft soms maar weinig gescheeld. Elk nadeel heb z’n voordeel en na verloop van tijd kon de autodidact uit Baarn sturen als de beste, had hij de souplesse van een baanrenner en was hij een van de betere spurters in het amateurpeloton. Hij werd opgemerkt door Herman Krott en met diens Amstel Bierploeg reed hij diverse klassiekers in het buitenland. In Nederland leerde hij eindelijk ook waaierrijden en toen achtte hij zichzelf rijp om beroepsrenner te worden.
Hij werkte in zijn laatste jaar bij de amateurs bij een bedrijf in Maartensdijk, waarvan de eigenaar een goede bekende van de familie De Moor was. Ger de Moor was eigenaar van Ormas BV in Bilthoven, een handelsonderneming in kantoormachines, die een bescheiden profploeg wilde opzetten. In een truitje van Ormas Sharp debuteerde Jos in 1974 bij de beroepsrenners met ploeggenoten als Harrie van Leeuwen en Piet de Wit. Hans de Moor, de zoon van de baas, was zijn ploegleider. Die wist niet wat hij zag toen Jos in zijn eerste koers bij de profs uit het peloton demarreerde en in luttele minuten naar de kopgroep reed. “Ik kon geweldig gaten dichtrijden, maar was ook wel eens te veel onder de indruk van grote namen. Ik zat in dat jaar in een criterium eens voorop met Harm Ottenbros. Die was wereldkampioen geweest, wist ik, en dus dacht ik die nooit kwijt te raken. Hij bleef maar in mijn wiel hangen en ik maar kop doen. Hij klopte me in de sprint en zegt: ‘Ik begrijp je niet Jos, als je drie trappen had gedaan was ik er af geweest.’ Ik kende mijn eigen kracht niet.”
Na vier jaar bij kleine ploegen criteriums en kermiskoersen te hebben gereden kreeg hij in 1978 een contract bij Marc Zeepcentrale, een formatie die een groot programma reed. Een jaar eerder had hij al voor de Belgische ploeg Ebo gereden en zijn debuut in de Ronde van Spanje gemaakt. Het werd niks, want toen hij er aan begon had hij al zoveel wedstrijdkilometers op zijn teller staan dat het lijf niet wilde wat Jos in zijn hoofd had. De ploeg reed op Superia-fietsen, de fabrikant ervan werd een jaar later de materiaalsponsor van Marc Zeepcentrale. Het was geen topploeg, maar wel een formatie met sterke renners in de gelederen. Met namen als Herman Vanspringel, Patrick Sercu en Ferdi Vandenhaute kwamen de uitnodigingen voor de grote wedstrijden vanzelf en zo ging Jos andermaal naar de Vuelta. Ook dit keer zag hij er weinig in. Hij had alle voorjaarsklassiekers gereden, plus nog een reeks andere Vlaamse koersen. Na Luik-Bastenaken-Luik reisde de ploeg direct naar Zaventem om er naar Spanje te vertrekken.
Jos ging met enige tegenzin mee om twee dagen later tijdens de proloog te merken dat in topsport alles mogelijk is. Met de negende tijd voltooide hij de korte openingsrit om een dag later de etappe Gijon-Gijon te winnen en in het klassement op te rukken naar de tweede plaats. De rangschikking is tijdens het verloop van de ronde nog enkele malen flink opgeschud, maar ondanks het feit dat zijn kopman Vandenhaute enkele dagen in de leiderstrui reed, handhaafde Jos zich steeds in de top. De Nederlander stak in supervorm en wist die drie weken lang vast te houden. Samen met de grote Spaanse klimmers ging hij de bergen over, mede dankzij de superlichte fiets die hem speciaal voor die etappes was aangemeten. “Dat ding was zo licht, dat ik er in de afdalingen bijna afwaaide.”
Tour de France 1980
Jos Schipper krijgt tactische aanwijzingen van zijn ploegleider (Foto: Cor Vos)
Met zijn prestaties in Spanje begon Jos aan de Tour de France te denken. “Als ik in de Vuelta bij de eerste vijf kan rijden, dan moet een uitslag bij de eerste veertig in de Tour mogelijk zijn.” Pas twee jaar later mocht hij het proberen. In de ploeg Marc-VRD, waarvan Lucien Van Impe – de Tourwinnaar van 1976 – de kopman was. Ook nu weer was Jos slecht voorbereid. Hij had in het voorjaar al zoveel koersdagen op zijn conto staan dat het lijf aan alle kanten kraakte en de moraal ver te zoeken was. “Ik was helemaal op en het was ook nog eens kloteweer. De eerste twee weken heeft het bijna elke dag geregend. Toch had ik er een succes van kunnen maken als ik in de tweede etappe was meegesprongen, toen drie Fransen demarreerden en de Belg Pevenage er achteraan ging. Met twee trappen had ik er bij gezeten, maar ik bleef zitten met m’n stomme kop. Pevenage heeft daarna geloof ik tien dagen in de gele trui gereden. Dat is het moeilijkste van wielrennen. Wanneer ga je? Ik ben toen niet gegaan en kon me wel voor m’n kop slaan. Wat Pevenage kon, had ik misschien ook wel gekund en ik was bovendien rapper, hoewel je dat altijd weer op de meet moet bewijzen. Ik heb die Tour wel uitgereden, maar kwam volkomen leeg in Parijs aan.”
Twee jaar later was Jos weer van de partij, nu als lid van de Belgische Wickes-ploeg.
De kopman was ditmaal Johan De Muynck, die veel steun aan Jos had in de ritten in het hooggebergte. Daar lag voor Jos ook zijn Waterloo, want vier dagen voor het einde in de beklimming van de Colombière kreeg de Nederlander twee kilometer voor de top ineens een verschrikkelijke dreun van de man met de hamer. “Ik zat in een groep met Hinault, Zoetemelk, Alban, Bernaudeau, Winnen, Van der Velde en nog een paar van die klassementsmannen en stond ineens geparkeerd. Ik weet niet hoe ik gefinisht ben, maar wel dat het vijf minuten voor sluitingstijd was. Ik ben die avond strontziek geworden en de volgende dag niet meer vertrokken. Ik had alles gedronken wat vloeibaar was en het maakte niet uit waar het vandaan kwam. Daardoor kreeg ik buikloop en was het voor mij einde verhaal.”
Ook in de voorjaarsklassiekers was Jos vaak in de voorste linies te vinden. In 1979 reed hij met een andere renner lang voorop in de Ronde van Vlaanderen, maar ze werden net voor de Bosberg teruggepakt door een groep met Raas, Demeyer, Willems, Kuiper en Godefroot. Jos kon aanklampen en eindigde uiteindelijk als zesde. Zijn vierde plaats in 1980 in Gent-Wevelgem mocht er ook zijn, evenals de al gememoreerde vierde stek in de Amstel Gold Race.
Na 1982 was er geen ploeg meer in hem geïnteresseerd. Het was vanwege de economische crisis een moeilijke tijd voor alle beroepsrenners die tegen de top aanzaten en Jos kon niet anders dan voor kleine ploegen zoveel mogelijk criteriums rijden om van start- en prijzengelden te leven. Eind 1984 kreeg hij tot zijn verrassing ineens vier aanbiedingen. Eén uit Spanje, één uit België en één van de Nederlandse ploeg PDM. Plus een aanbieding van de vestiging voor Zuid-West Nederland in Yerseke van Intervries Den Haan, een groothandel die de horeca beleverde met verse groenten, vlees, vis en alles wat een goed restaurant zijn klanten voorzet. Hij kon er vertegenwoordiger worden in het rayon Zeeland.
De keus was niet moeilijk, want Jos was met zijn 34 jaar een sportman op leeftijd geworden en met de verantwoording voor vrouw en dochtertje zag hij die baan als een kans om op een goede manier het bedrijfsleven in te stromen. Hij hoefde er niet voor te verhuizen, want hij woonde al tien jaar in Kwadendamme. Toen hij als beginnend prof veel in België koerste, logeerde hij daar regelmatig bij iemand die hem adviseerde daar iets te huren. Jos stond op het punt van trouwen en er was daar genoeg te huur. Het werd een mooie hoekwoning en toen hij die met zijn vrouw aan het inrichten was stonden er ineens twee renners in trainingsoutfit voor de deur. Het waren niemand minder dan Kees Bal en Jan Raas met de vraag of Jos meeging. Zo werd hij direct opgenomen in het Zeeuwse wielerwereldje dat voor buitenstaanders nog wel eens gesloten lijkt. Maar niet voor Jos, want die liep er bij de training nooit de kantjes af en kon zijn metgezellen regelmatig verrekte pijn doen.
Op die manier leerde hij de provincie tot in alle uithoeken kennen en met die kennis wist hij als buitendienstverkoper ook de meest afgelegen horecagelegenheid te vinden. Het bedrijf veranderde enkele malen van naam en eigenaar, maar Jos bleef om zijn klanten te bezoeken en staat nog steeds dag en nacht voor ze klaar. Er is eigenlijk niet zoveel veranderd, het bedrijf heet nu VHC Kreko Groep maar het leveringsprogramma en het klantenbestand zijn ongeveer gelijk gebleven.
In zijn privéleven vond wel een grote verandering plaats, toen zijn huwelijk met een meisje uit Bilthoven na vele jaren strandde. Na een periode als onwennige vrijgezel liep hij Arèke tegen het lijf, die toen als manager in een hotel in Domburg werkte en later zelfstandig ondernemer werd met een Bed & Breakfast in die populaire badplaats. Drie jaar geleden gaven ze elkaar het jawoord. Jos kreeg toen weer last van die wielerbacil die zich ooit in zijn lijf had genesteld. Als nieuwe activiteit binnen het bedrijf van zijn vrouw richtte hij Jos Schipper Adventures op, waarmee hij in de weekenden fietstochten door de provincie organiseert. Het heeft nog geen grote bekendheid, maar zijn fietsavonturen krijgen steeds meer aanhangers. Sportieve fietsers die van het toeren op de Zeeuwse dijken genieten, met de kop in de wind en een voldaan gevoel als ze na gedane arbeid in de Dorsvloer, de Bed & Breakfast van Arèke, verwend worden als in het duurste hotel ter wereld.
Jos Schipper was een goede renner, die in zijn beste jaren tegen de top aanzat, maar niet het geluk had in een echt grote ploeg te mogen rijden. Maar dat heeft hem nooit verdriet gedaan. Hij vindt dat hij er uit heeft gehaald wat er in zat en kijkt terug op een mooie periode in zijn leven. Als hij niet was gaan wielrennen, was hij waarschijnlijk timmerman in de bouw geworden of had hij zijn arbeidzaam leven in de hagelslagfabriek van De Ruijter gesleten. Net als zijn vader. Daar is niks mis mee, maar het wielrennen heeft hem veel meer gebracht. Zoals een schat aan mooie herinneringen aan de tijd dat hij met respect werd bejegend door de groten van het internationale wielerpeloton. Bernard Hinault, Joop Zoetemelk, Jan Raas, Freddy Maertens en Roger De Vlaeminck hebben allemaal geweten waartoe Jos Schipper in staat was.

Artusch und Zaur

.
.
Begegnung
1. Teil (Fragment)

Tblissi hatte ihn mit roten Herbstfarben und mit einem leichten Wind begrüßt. Zaur verließ den vierten Wagon des Zuges Baku–Tblissi. Er stand auf dem betonierten Boden der Plattform und hatte seinen Kragen hochgestellt, denn er zitterte am ganzen Körper. Seine Tasche um seine Schulter gehängt, ging er langsam die breiten Treppenstufen herunter. Jedes Mal, wenn er nach Tblissi kam, stieg ihm der Geruch von Würstchen in die Nase. An diesem Tag vermischte sich jedoch der Würstchengeruch mit dem des Regens. Die Plattform war mit Pfützen übersät, die sich nicht entscheiden konnten, ob sie verdampfen oder es sein lassen sollten. In den Pfützen schwammen überall Zigarettenstummel. Auf dem Dach des Bahnhofs saßen schwarze Krähen, die so viel Lärm machten, als ob sie die Reisenden, die gerade aus dem Zug ausgestiegen waren, in einem georgischen Vogeldialekt begrüßen wollten. Ein Hund mit nur drei Pfoten humpelte sehr schnell an Zaur vorbei, sein rechtes Hinterbein war wohl von einem Zug abgetrennt worden.
Viele der Taxifahrer, die vor dem Bahnhof warteten, waren Aserbaidschaner und boten den Ankommenden auf Georgisch, Russisch, Aserbaidschanisch und merkwürdigerweise auch auf Armenisch eine billige, aber gemütliche Taxifahrt an. Die Veranstalter der Konferenz, zu der er eingeladen war, hatten ihm kein Auto geschickt. Und Zaur brauchte diesen Service auch eigentlich nicht. Seine Tasche war nicht so schwer und er hatte im Zug genug geschlafen. Nun wollte er Tblissi, das er seit einem halben Jahr nicht mehr besucht hatte, genießen und dort in Ruhe spazieren gehen, um sich die Stadt zu verinnerlichen.
Als er die Treppenstufen herunterging, standen plötzlich vor ihm Zigeuner, die ihm den Weg versperrten und ihn auf Aserbaidschanisch um Geld anbettelten. Zaur schob ein fünfzehnjähriges Mädchen beiseite und sagte:
„Leute wie euch wollte ich nicht mehr sehen. Deswegen habe ich Baku hinter mir gelassen und bin nach Tblissi gekommen. Und nun habt Ihr mich selbst hier gefunden. Wie kann ich euch nur loswerden?“
Nachdem er das gesagt hatte, ging er die Treppenstufen weiter hinab. Hinter ihm erklang die traurige und böse Stimme des Mädchens: „Scher dich nach Bayil! “
Zaur stoppte und drehte sich zu dem Mädchen um. Das Mädchen fing an zu grinsen, weil es bemerkte, dass seine Worte bei ihm eine empfindliche Stelle getroffen hatten. Die anderen sechs Zigeunermädchen lachten ihn aus und streckten ihm ihre Zungen heraus.
Zaur musterte sie mit Abscheu, schüttelte seinen Kopf und ging weiter. In den Worten des Mädchens war etwas Furchtbares gewesen, das ihm Angst machte. Was sollten diese Worte nur bedeuten? Zur Hölle gehen? Wollte sie ihm wie eine Hellseherin den Tod voraussagen? Oder wollte sie ihn verfluchen? … Daran wollte er nicht denken. So konnte er auch gar nicht denken. Die Worte des Zigeunermädchens unterschieden sich in nichts von den buddhistischen Weisheiten irgendwelcher Mönche, die das Nirwana gesehen hatten. Ihr Satz ging ihm immer wieder im Kopf herum, ohne dass er ihn verstehen konnte. Es war ein Rätsel, das ihn in seinen Bann gezogen hatte. Schließlich beschloss er, dass das Zigeunermädchen eine Hellseherin mit magischen Kräften gewesen war. Als er am Ende der Treppen angelangt war, blickte er noch einmal zurück, doch die Mädchen waren verschwunden. Sein Blut gefror.
Er schlenderte über die Straße und ließ seinen Blick umherschweifen. Der Herbst hatte mit seiner Pracht die ganze Altstadt in seine Farben getaucht. Nach einiger Zeit hatte er genug gesehen und er wollte nicht mehr weiter spazieren gehen. Er sah sich nach allen Seiten um. In zehn Metern Entfernung saß gerade ein armer Taxifahrer in einem alten gelben Schiguli 011 und las Zeitung. Zaur näherte sich dem heruntergekurbelten Fenster des Taxis und sagte: „Grüß dich Onkel! Wie viel nimmst du für eine Fahrt zur Stadthalle?“
Der Mann wurde lebendig und legte seine Zeitung neben die Gangschaltung. Da er sich sicher war, dass Zaur einsteigen würde, antwortete er selbstsicher: „Vier Lari!“
„Ich habe nicht genug Geld gewechselt!“
„Schau, mein Junge, siehst du das grüne Fenster da drüben?“
„Ja!“
„Da kannst du Geld wechseln gehen!“
Zaur dankte dem alten Mann mit einem Kopfnicken und näherte sich dem grünen Fenster. Der georgische Lari, der schon zwei Präsidenten überlebt hatte, behauptete sich seit Jahren gegen den Dollar und war immer noch eine starke Währung. Zaur ging in die hässliche Wechselstube und gab einer dicken georgischen Frau mit starkem Damenbart, die in einem schäbigen Sessel saß, 100 Dollar und sagte: „Könnten Sie das bitte für mich wechseln?“
Die Frau hielt den Schein mit ihren dicken Fingern gegen das Licht, spuckte sich auf die Fingerspitzen und fing an, die entsprechenden Scheine zusammenzuzählen. Da sie sehr langsam zählte, wurde Zaur ungeduldig. Ohne die Scheine nachzuzählen, steckte er sie schließlich in seine Tasche und ging zurück zum Taxi. Er öffnete die Hintertür des Wagens, warf seine Tasche hinein und setzte sich.
„Lass uns fahren!“
Der alte Fahrer murmelte etwas auf Georgisch und versuchte, den Motor zu starten, aber der Wagen schien den Wünschen seines Besitzers nicht folgen zu wollen. Nach zwei, drei vergeblichen Versuchen rief er „Allah, Mohammed und Ali“, drehte abermals den Schlüssel und tatsächlich fing der Motor zu stottern an. Der Wagen war bereit, loszufahren. Zaur schaute überrascht. Der Schiguli fuhr holpernd los und nahm Kurs auf das Stadtzentrum.
Zaur konnte nicht länger an sich halten: „Woher kennen sie dieses Gebet?“
„Welches Gebet, mein Junge?“
„Allah, Mohammed und Ali, das meine ich!“
Der Alte lachte und man sah seine vom vielen Rauchen gelb gewordenen Zähne: „Ach so, mein Junge, du bist wahrscheinlich aus Baku?“
„Ja, ich bin aus Baku!“
„Dieses Gebet hat mir vor langer Zeit mal ein Aserbaidschaner beigebracht. Er hatte mir damals gesagt, es würde mir Glück bringen, wenn ich das sagen würde. Obwohl das schon so viele Jahre her ist, habe ich diese Lektion nie vergessen. Jedes Mal, wenn ich in Schwierigkeiten komme, hilft es mir. Damals fuhr ich häufig nach Kvemo-Kartliye, ihr nennt diesen Stadtteil, so glaube ich, Bortschali. Ich fuhr damals ein paar Mal in der Woche die aserbaidschanischen Obstverkäufer mit meinem alten Auto zum sogenannten Teufelsmarkt in Tblissi.“ Der alte Fahrer verstummte und tätschelte das Lenkrad. „Aber weder der Wagen noch ich haben momentan die Kraft für längere Fahrten! Wir sind beide alt geworden.“
Gemütliche Georgier schlenderten über die Straße und Zaur schaute ihnen nach.
„Ich verstehe, was du sagst …“
„Mein Junge was machst du in Tblissi? Bist du hier für einen Ausflug oder für etwas anderes?“
„Ich bin hier, um an einer Konferenz teilzunehmen.“
Der Fahrer fragte: „Was für eine Konferenz? Wegen der Pipeline Baku–Tblissi–Ceyhan?“
Zaur musste grinsen. „Nein. Es geht um die Konflikte im Südkaukasus.“
Der alte Mann schüttelte seinen Kopf und schnalzte mit der Zunge. Er schaute Zaur vorsichtig aus den Augenwinkeln an und sagte: „Allah soll alle Politiker zur Hölle schicken. Das sind alles Hundesöhne, ein faules Gesindel. Was haben wir mit diesem Konflikt zu tun? Wir gehören doch alle zusammen. Wir erinnern uns nicht gerne an die Sowjetzeit, aber damals gab es wenigstens solche Konflikte nicht. Damals gab es Freundschaft und Brüderlichkeit unter den Völkern, heute ist das alles Vergangenheit …“

tbilisi

Artush en Zaur

.
.
Ontmoeting

Hoofdstuk 1 (fragment)
Tbilisi begroette hem met een fraaie nazomer en een vriendelijk briesje. Zaur stapte vanuit de vierde wagon van de trein van Bakoe naar Tbilisi het smerige, betonnen perron op. Hij zette de kraag van zijn jasje op en huiverde even. Met de plunjezak en de laptop over zijn schouder, baande hij zich een weg naar de brede trap die naar de uitgang leidde. Elke keer dat hij deze stad bezocht, kwam hem de geur van oosters gekruide worstjes tegemoet. Ook vandaag weer. Sigarettenpeuken dreven als schepen met geheven witte zeilen in de plassen op het perron, onder het bleke licht van de zon die eruit zag als een Acharuli khachapuri. Op het dak boven het perron zat een rij kraaien brutaal te krassen, alsof ze de reizigers begroetten in een vogelvariant van het Georgisch. Een hond met drie poten rende langs Zaur; waarschijnlijk was hij de vierde kwijtgeraakt onder een trein.
De norse taxichauffeurs bij het station waren hoofdzakelijk Azerbeidzjanen. In het Georgisch, Russisch, Azerbeidzjaans en zelfs in het Armeens, beloofden ze op luidruchtige wijze uitstekende en heel goedkope ritten. De organisatoren van het congres hadden geen auto gestuurd om hem af te halen, maar die had Zaur ook niet nodig. Hij had maar weinig bagage en in de trein had hij kunnen slapen. Hij vond het wel prettig om een eindje te lopen en de sfeer van Tbilisi op te snuiven, want zijn laatste bezoek aan de stad was alweer een half jaar geleden. Hij wilde zijn spirituele band met de stad vernieuwen.
Zodra hij een voet op de trap had gezet, werd hij omringd door zigeuners die allemaal tegelijk in het Azerbeidzjaans om geld begonnen te bedelen. Zaur duwde een meisje van een jaar of vijftien van zich af.
‘Ik ben uit Bakoe vertrokken om bij jullie uit de buurt te zijn en nu achtervolgen jullie me zelfs hier! Waar moet ik dan in ’s hemelsnaam naartoe om jullie te ontlopen?’
Terwijl hij dat zei en de trap afliep, hoorde hij de boze, spottende stem van het zigeunermeisje. ‘Ga jij maar naar Bayil!’
Zaur bleef staan en keek om. Ze zag de reactie van de gierige jongeman, barstte in lachen uit en trok grimassen naar hem. Haar zes vriendinnen lachten met haar mee en de meisjes, die als zeven druppels water op elkaar leken, draaiden zich gierend en met uitgestoken tong om.
Zaur keek ze even na, alsof hij het beeld wilde vastleggen in zijn geheugen, draaide zich toen abrupt om en liep de trap af. Er had iets dreigends geklonken in de woorden van het meisje. Wat betekende het? Wat was het? Een waarschuwing, een teken dat hij voorzichtig moest zijn? Of had de zigeunerin een vloek over hem uitgesproken? Iets waar geen kruid tegen gewassen was? Haar opmerking was net zo vreemd als de koans4 van boeddhistische monniken die het nirvana bereikten. Nu was hij gedwongen zich het hoofd te breken over die zin tot hij wist wat het betekende. Haar woorden waren een geheimzinnig raadsel, voor hem alleen bedoeld. Hij maakte zichzelf wijs dat het zigeunermeisje een helderziende was. Toen hij de laatste tree bereikte, keek hij weer om. De zigeunerinnen waren nergens meer te bekennen. Zijn goede humeur ook niet.
Zaur stapte naar buiten. De warme nazomer omarmde de oude stad. De hemel leek met de aarde te versmelten. Zijn zin in een wandeling was verdwenen. Zaur keek om zich heen. Tien meter verderop zat een oudere taxichauffeur in zijn aftandse gele Zhiguli de krant te lezen. Zaur boog zich naar het halfopen raampje en zei: ‘Goeiemiddag. Wat kost een ritje naar het stadhuis?’
De chauffeur schoot overeind en legde zijn krant op het dashboard. Zijn beroepsintuïtie zei hem dat Zaur vast en zeker voor zijn wagen zou kiezen. ‘Vier lari,’ zei hij zelfverzekerd.
‘Ik moet nog geld wisselen.’
‘Zie je dat groene loket daar?’
‘Ja.’
‘Daar kun je wisselen.’
Zaur knikte dankbaar en haastte zich naar het groene loket. De Georgische lari hield al jaren stand tegenover de dollar en de koers stond al twee regeringen lang op twee tegen een. Zaur schoof een biljet van honderd dollar naar een dikke vrouw met een snor, die in een haveloze stoel in de kleine cabine zat.
‘Ik wil dit graag wisselen.’
De vrouw hield het biljet tegen het licht, spuugde op haar vingers en begon lari uit te tellen. Ze telde langzaam. Zaur werd er zenuwachtig van. Toen ze klaar was, pakte hij het geld, stopte het zonder het na te tellen in zijn portemonnee en rende terug naar de taxi. Hij trok het achterportier open, legde zijn bagage op de achterbank en stapte zelf voorin.
‘Rijden maar.’
Terwijl hij probeerde de motor te starten, mompelde de chauffeur iets in het Georgisch. De motor was minstens even oud als de bestuurder; hij had nukken en leek er weinig voor te voelen de bevelen van de chauffeur op te volgen. Na een paar vergeefse pogingen zei de man ineens: ‘Alla, Muhammed, ya Ali’ en draaide de sleutel nogmaals om. De motor begon te grommen. Zaur kon zijn ogen niet geloven. De Zhiguli kwam in beweging en reed weg richting centrum.
Zaur kon zich niet bedwingen. ‘Hoe komt het dat u dat gebed kent?’
‘Welk gebed, jongen?’
‘Alla, Muhammed, ya Ali.’
De oude man lachte zijn door de tabak vergeelde tanden bloot.
‘Aha, je komt uit Bakoe, begrijp ik?’
‘Ja, dat klopt.’
‘Ik heb het gebed van een Azerbeidzjaan geleerd. Die zei dat alles in orde komt als je het gebed zegt voor je de weg opgaat. Het is al jaren geleden, maar ik heb de woorden altijd onthouden. Het gebed heeft me al heel wat keren geholpen. Vroeger ben ik vaak naar Kvemo Kartli, jij noemt dat Borchali, gereden in deze zelfde auto.’ Hij klopte goedkeurend op het stuur. ‘Dan bracht ik Azerbeidzjanen terug naar Borchali, vanaf de Sataanse Bazaar, waar ze fruit verkocht hadden… Nu zijn deze auto en ik niet sterk genoeg meer voor zo’n lange reis. We zijn allebei oud geworden.’
Zaur bekeek de luie Georgiërs die over de trottoirs slenterden.
‘Ik begrijp het…’
‘En jij, jongen? Ben je naar Tbilisi gekomen voor wat vertier?’
‘Er is hier een congres.’
‘Een congres? Over de pijpleiding?’
‘Nee, over de conflicten in het zuiden van de Kaukasus.’
De oude man schudde zijn hoofd en klakte met zijn tong. Hij wierp Zaur een zijdelingse blik toe.
‘Verdomde politici! Schoften zijn het, die mensenlevens op het spel zetten. Dacht je dat wij die oorlog gewild hebben? Alle republieken hebben eronder te lijden. Tegenwoordig vinden we die oude Sovjet-tijden maar niks. Afschuwelijk, onmenselijk. Maar destijds hadden we zulke problemen niet! Er was vriendschap, broederschap tussen de volken. En moet je nu eens zien…’

tbilisi

Alekper Aliyev

ali akber 7Alekper Aliyev is op 28 januari 1978 geboren in Bakoe. Op zijn 13e kwam hij in opstand tegen zijn ouders en liep hij van huis weg. Hij ging met de trein naar Tbilisi, waar hij twee maanden is gebleven en in zijn levensonderhoud voorzag door sigaretten te verkopen. Hij stond in de hele Sovjet-Unie op een lijst met gezochte personen. Ze konden hem echter niet vinden in het naburige Georgië, wat vermoedelijk te maken had met het ineenstorten van de USSR in die jaren. Er kan echter ook aangenomen worden dat justitie niet erg veel moeite deed om de wilde tiener te vinden. Twee maanden later ging hij uit zichzelf weer terug naar Bakoe.
In 1992, toen Alekper veertien was, ging hij naar Turkije om daar zijn middelbare schoolopleiding te volgen aan de theologische staatsschool van Istanbul. Nadat hij geslaagd was, besloot hij in Istanbul te blijven voor zijn vervolgopleiding. Hij ging naar de universiteit in Marmara om daar journalistiek te studeren. In 2000 studeerde hij af en ging in 2001 terug naar Bakoe.
In 1994 sneuvelde Alekpers oudere broer, een officier in het Azerbeidzjaanse leger, bij gevechten om Karabach.
In 1999 ging Alekper als vertaler werken bij de populaire Turkse uitgeverij Kaknüs. Hij vertaalde ongeveer dertig Azerbeidzjaanse en Russische boeken naar het Turks.
In 2004 werd hij politiek actief en begon stukken te schrijven in kranten van de oppositie. In 2006 en 2008 maakte hij twee reizen naar Armenië met als bedoeling bij te dragen aan het streven naar vrede. Hij kwam daar aan het woord in belangrijke media en gaf colleges aan Armeense studenten. Toen hij terug was in Bakoe werd hij lastig gevallen door het Bevrijdingsfront voor Karabach. Activisten van die organisatie vielen het kantoor van de krant Alma, waar Alekper columnist was, meerdere malen aan.
In 2004 publiceerde Alekper zijn eerste boek. In deze gedichtenbundel, getiteld Ik ben een bastaard, bekritiseerde hij de overheid en de mentaliteit van de bevolking op felle wijze. Het boek veroorzaakte een schandaal in Azerbeidzjan. Veel boekwinkels weigerden het te verkopen en de pers veroordeelde het boek. Ze beschuldigden hem van landsverraad, heulen met de Armeniërs en het door het slijk halen van de nationale tradities. Desondanks ging hij door met schrijven en hij bracht vervolgens nog drie romans uit: Goethe’s dromen (2005), Godenschemering 93 (2007) en Artush en Zaur (2009).Alekpers roman Artush en Zaur, een liefdesverhaal tussen twee mannen uit de rivaliserende landen Azerbeidzjaan en Armenië, is door politie uit de handel gehaald. Boekwinkels die het boek verkochten werden voor een dag gesloten en de winkeleigenaren werden op politiebureaus ondervraagd. Alekper Aliyev was in Bakoe hoofdredacteur van het prestigieuze culturele tijdschrift Kultura Az. Vanaf 2013 is hij echter gevlucht voor de dictatuur in zijn land. Hij woont sindsdien in Zwitserland.


ali akber 6Alekper Aliyev wurde am 28. Januar 1978 in Baku geboren. Früh begann er, gegen seine Eltern zu rebellieren, und riss mit 13 Jahren von zuhause aus. Mit dem Zug gelangte er in das Nachbarland Georgien und schlug sich in Tblissi zwei Monate mit dem Verkauf von Zigaretten durch. Obwohl in der gesamten Sowjetunion nach ihm polizeilich gesucht wurde, blieb Alekper im allgemeinen Wirrwarr der sich auflösenden UdSSR unauffindbar. Erst acht Wochen später kehrte er unaufgefordert nach Baku zurück.
In Anschluss an diese Episode wurde Alekper mit 14 Jahren in die Türkei geschickt, um seine Sekundärschulbildung an einem religiösen Internat in Istanbul fortzusetzen. 1999 begann Alekper, als Übersetzer für den bekannten türkischen Verlag „Kaknüs“ zu arbeiten. Bis heute hat er etwa 30 Bücher sowohl aserbaidschanischer als auch russischer Autoren ins Türkische übersetzt.
Auch für sein Studium blieb Alekper in der Türkei und studierte von 2000 bis 2004 Journalistik an der Marmara Universität. Während seiner Ausbildung in der Türkei tobte zwischenzeitlich der Krieg zwischen Armenien und Aserbaidschan, der auf beiden Seiten zahllose Opfer fordert: 1994 fiel Alekpers älterer Bruder im Kampf um Berg-Karabach.
Nach dem Ende seines Studiums kehrte Alekper schließlich nach Baku zurück und begann, sich politisch zu betätigen. So schrieb er für diverse Oppositionszeitschriften und reiste zwischen 2006 und 2008 zweimal nach Armenien. Hier engagierte er sich im Rahmen von Friedensinitiativen und suchte den Kontakt zu armenischen Medien und Studenten.
Nach Baku zurückgekehrt, wurde er für sein Engagement von der sogenannten „Befreiungsorganisation Karabach“ öffentlich kritisiert und verfolgt. Auch die Redaktion der Zeitschrift „Alma“, wo er als Kolumnist arbeitete, wurde von den Aktivisten dieser Organisation immer wieder angegriffen.
2004 veröffentlichte Alekper sein erstes eigenes Buch, eine Sammlung von Gedichten mit dem Titel „Ich bin ein Bastard“, in dem er die staatlichen Autoritäten und die Mentalität seines Volkes heftig kritisiert. Das Buch verursachte einen Skandal in Aserbaidschan und viele Buchläden lehnten es ab, das Buch zu verkaufen. Alekper wurde als Vaterlandsverräter und Armenierfreund verunglimpft. Trotz der harschen Schelte blieb Alekper seinen Themen treu und schrieb in der Folge drei Prosaromane: „Goethe’s Traum (2005)“, „93 Götterdämmerung (2007)“, „Artusch und Zaur (2009)“.
Auch Alekper’s jüngster Roman, „Artusch und Zaur“, eine Liebesgeschichte zwischen zwei Repräsentanten feindlicher Nationen – einem Armenier und einem Aserbaidschaner –, hat in Aserbaidschan für einen massiven Aufruhr gesorgt und ein Verkaufsverbot nach sich gezogen. Buchläden, in denen der Roman trotzdem auslag, wurden von den Behörden für einen Tag geschlossen und die Besitzer von der Polizei strafrechtlich verfolgt. Alekper Aliyev war inBaku der Editor und Chef des angesehenen kulturwissenschaftlichen Portals „KulturaAz“. In 2013 is er aber gefluchtet für das Regime in Azerbeidzjan er lebt seitdem in der Schweiz.

TOEN FOOTBALL VOETBAL WERD

Kees van der Waerden is filosoof en neerlandicus. In 1995 debuteerde hij met het boek Filosofen over het ik. Momenten uit de geschiedenis van de westerse filosofie. Op het gebied van de Nederlandse taal- en letterkunde publiceerde hij artikelen in o.a. Spektator, Forum der Letteren, Levende Talen en NRC-Handelsblad. Ook verscheen de toneeltekst Socrates van zijn hand. Als co-auteur werkte Van der Waerden mee aan enkele lesmethodes voor het mbo. In 2006 schreef hij het Groot Voetbalwoordenboek van de Nederlandse Taal.
Fragment uit Hoofdstuk 3 over de regels van het voetbalspel
Time (1889 – 1900)
Evenals ‘half-time’ was ‘time’ in de jaren negentig van de 19e eeuw een veelvoorkomende uitdrukking. In de voetbalverslagen van de sportbladen maakte ‘time’ deel uit van het vaste corps Engelse leenwoorden: “Als het bijna time is ontstaat er nog eenmaal een scrimmage voor de Wageningsche goal, Ferf schiet, teruggeslagen, wederom een scrimmage, Eijken schiet weer, teruggeslagen, getrap, geloop, aanmoediging der half-backs en juist voor time is de laatste goal gemaakt.” (De Athleet 03-02-1894) De scheidsrechter kon voor ‘time’ fluiten als de speeltijd voorbij was. Daarnaast werd er bij het naderend einde van de wedstrijd door spelers en publiek vaak “time, time!” geroepen, waarmee geprobeerd werd de scheidsrechter te verleiden af te fluiten: “ ‘Time’ wordt geroepen, maar daar het reglement luidt, dat wanneer een vrije schop op tijd wordt toegestaan, de duur der match verlengd wordt, wordt de penalty-kick nog door Stokvis genomen.” (De Athleet 2-12-1893) In de beginjaren van de competitie werd de fluit nog niet gebruikt om het duel te beëindigen, maar riep de scheidsrechter dat het ‘time’ was: “Toen dan ook ‘time’ werd geroepen, stond de score nog altijd 1-1. Een ‘three cheers’ voor beide partijen weerklonk en spelers en toeschouwers verdwenen langzamerhand van het terrein.” (Ned. Sport 12-10-1889) Ook behoorde de fluit niet altijd tot de standaarduitrusting van een scheidsrechter. Zo is er een voorbeeld bekend van een referee die in 1889 tijdens een voetbalwedstrijd met een jachthoorn over het veld liep: “…Jasper Warnar, die scheidsrechterde en met een misthoorn van zijn jacht rond liep…” (Groothoff 1947, 139) Begin jaren negentig werd als vertaling van ‘time’ ook sporadisch gesproken van ‘tijd’, dat vanwege zijn onwennigheid vaak tussen aanhalingstekens werd geplaatst: “Dan is het ‘tijd’.” (Mulier 1894, 188) / “…als vier minuten voor ‘tijd’ Sparta een hoekschop ten deel valt.” (De Athleet 7-03-1894) / “…toen ‘tijd’ werd gefloten.” (De Athleet 17-02-1897) / “…kort daarop is het ‘tijd’.“ (De Athleet 24-03-1897). Pas vanaf 1900 was de term ‘tijd’ in de voetballerij voldoende ingeburgerd om de aanhalingstekens weg te laten: “…wordt tijd gefloten.” (Het Sportblad 27-09-1901)

27 - pagina 75
‘A trip’ (tekening uit het boek ‘Football’ van 1897

Out (1889 – 1900)
Zoals al eerder gememoreerd waren de meeste voetbalverslagen tot 1900 doorspekt met Engelse voetbaltermen. Een van die terugkerende woorden was ‘out’, dat begin jaren negentig in vertaling terug is te vinden als ‘uit’: “Het wordt knoeien en de bal is herhaaldelijk uit.” (De Athleet 07-03-1894) Als de bal over de zijlijn ging werd dit vaak geassocieerd met slecht voetbal: “De eerste oogenblikken kreeg men geen mooi spel te zien, herhaaldelijk was de bal ‘out’, doch spoedig gaf men geregelder spel te aanschouwen en bleef de bal een tijdlang op Zutfen’s terrein.” (De Athleet 2-12-1893) ‘Out’ is in dit laatste citaat tussen aanhalingstekens geplaatst als referentie naar de uitroep ‘out!’, die klonk als de bal de zijlijn was gepasseerd.
Spelers waren gewoon ‘out’ te roepen als ze daarmee een ingooi konden forceren: “Zij schijnen goed geoefend te zijn in het uittrappen en cornertrappen, want onophoudelijk hoort men: ‘out’ of ‘corner’.” (De Athleet 6-01-1897) Ging de bal over de achterlijn dan werd er door de aanvallende partij ‘corner’ geroepen. Deze spreektaaluitingen beperkten zich niet alleen tot competitiewedstrijden, maar waren ook te horen op de veldjes en pleintjes van de Nederlandse dorpen en steden: “Zwolle’s straatjeugd leeft ook reeds mee in het edele voetbalspel; men ziet hen in kleine clubjes op pleinen en straten achter een gewonen knikker of bal loopen, terwijl een vreeselijk geschreeuw van out en hands weerklinkt.” (De Athleet 16-12-1893)
Als een bal zichtbaar over de zijlijn was gegaan, riep de grensrechter naar de scheidrechter dat de bal ‘out’ was, waarbij hij de partijdige spelers en toeschouwers soms moest overschreeuwen. Dat dit wel eens tot misverstanden kon leiden blijkt uit het volgende schouwspel: “De grensrechter roept duidelijk hardop out. De bal wordt daardoor onmiddellijk als dood beschouwd en de heer Van Woude neemt den bal op. De referee geeft voor dit feit ongerechtigd een free-kick voor hands, omdat volgens zijne meening de bal nog in het spel was. Hierover ontstaat discussie. De heer Van Woude houdt de bal dralend bij zich, niet wetende aan wien hij zich te houden heeft en voldoet niet onmiddellijk aan den eisch van den referee, die, sterk falend, zonder uitlegging den bal uitgetrapt wenscht te zien. Enkel en alleen om dit feit, zonder eenige beleediging uitgelaten te hebben, wordt Van Woude van het veld verwijderd, (ongeveer een kwartier voor half-time) iets wat bij het publiek en bij enkele loyale Hagenaars in slechte aarde viel en meerdere omstanders den referee voor kwajongen deed uitmaken.” (De Athleet 24-03-1897) Scheidsrechters waren in die dagen wat flexibeler dan nu en de regels boden daartoe ook ruimte, want na “…veel tumult in de pauze…” mocht de heer Van Woude na ‘half-time’ weer meedoen van de scheidsrechter.