Auteursarchief: fvdmlobith

MOEWE JAREN

Arnold Aletrino (Amsterdam, 1 april 1858 – Montreux, 17 januari 1916) kwam als student in aanraking met de Tachtigers Kloos, van Deyssel en van Eeden, werd lid van hun literair genootschap Flanor en publiceerde al snel zijn eerste verhalen in De Nieuwe Gids. Van 1910-1912 was hij redacteur van het tijdschrift. Aletrino studeerde af in 1886 en promoveerde in 1889. Hij werd gemeentearts en arts van de Amsterdamse brandweer; via dat werk kwam hij in aanraking met de armste lagen van de bevolking. Na zijn promotie in 1899 kreeg hij ook een universitaire aanstelling als lector in de criminele antropologie aan de Universiteit van Amsterdam. Door zijn praktische ervaring, studies en voordrachten verrichtte hij baanbrekend werk op medisch-sociaal gebied. Zo was hij een van de vroegste pleitbezorgers van de homoseksualiteit (in die tijd ‘uranisme’ genoemd) en stak zijn nek uit voor andere zwakke groeperingen in de samenleving. Aletrino was een schrijver van bij uitstek sombere literatuur. Hij werd geïnspireerd door het Franse naturalisme en vond stof in zijn deprimerende artsenpraktijk en zijn persoonlijke leven (Aletrino leed aan depressies, onder meer veroorzaakt door de zelfmoord in 1897 van zijn eerste vrouw Rachel Mendes da Costa, waarmee hij in 1981 was getrouwd.
Hoofdstuk 1 (begin)
Toen zij haar moeder had uitgelaten, ging zij voor de winkeldeur zitten, waarvan zij het gordijn hoog had opgehaald.
Onder het warmkleurend licht van den herfst-zondagmiddagr lag de straat leeg, rechtuit, met de kleinblokkende vierkanting der klinkers roerloos tusschen de strakheldere trekking der trottoirbanden. Aan de overzijde stonden de huizen levenloos aaneen, met de egaalrijende gladheid der vensters, zonder uitdrukking blindend voor de wit-plekkende bleekheid der neergehangen gordijnen. Boven de even donker-glanzende daken blauwde in eenzame leegheid een smalle strook stille lucht, recht ingekort door de hard-starre grauwheid der kroonlijsten, een goudzonnende lichtheid wevend langs de platte roze-tintende gevels, naar onder scherp-gelijnd op de grillig-hoekende schaduwschemering, die luidloos van de koele straatnauwing omhoog vouwde. Telkens, in lange tusschenpozen opklankend door de loomdroomende middagrust, klapte even het stemmen van een paar kinderen in de stilte, of klopte het stappen van een voorbijganger op de harde steenen en daarna stond de heldere leegheid weer beweegloos, onveranderd onder den voortgang der uren.
Achter haar grijsde de schemering van het kleine winkeltje met vast-donkere schaduwdiepten, waarin de lichtende vierkanting van de kamerdeur een week schijnsel plekte, dat langzaam ineenvloeide met de tintlooze duistering rondom. De doffe, zwaarhangende geur. der winkelwaren benauwde in lage drijving door de kleine ruimte, moeilijk telkens heengefrischt van een zuiver-riekend koelen, wanneer de wind zacht langs de wijdopen tuindeur tochtte, waardoor een droom-stemmend zonlicht naar binnen goudde, een teere vloeiing van kleuren warmend in het rustig-starend achtervertrek.
Zwaar achteroverleunend zat zij beweegloos, zienloos starend naar de leege straat, waar de middag langzaam, nauw-veranderend in gouden lichtheid voortsloop, neerkalmend in de doffe stilte die over haar denken droomde, nu niemand meer bewoog tegen haar moe-behoeftend verlangen naar rust. Den geheelen ochtend had zij vooruitgezien naar dit uur, pijnvoelend onder het stemklanken van haar moeder, die steeds weer was begonnen te spreken tegen de wanhopige klaging die diep in haar huilde om alleen te zijn, zonder geluiden om haar heen, alleen met het wijde verdriet dat in haar denken was gesomberd door haar zenuwslijtend bestaan der laatste maanden.
Het was de eerste Zondag na langen tijd, dat zij weer bij haar moeder was. Maanden waren er voorbijgesneld, dat zij niet een heelen dag bij haar had geleefd. Zij was maar weinig uitgegaan in haar dienst en wanneer zij haar uitgaansdag had, was zij maar altijd een korten tijd bij haar moeder gebleven, terugschuwend voor de omgeving, waaruit zij heelemaal gevreemd was door haar leven bij anderen. Den vorigen avond was zij uit haar dienst gekomen, moe, ziek-voelend in haar hoofd, te moedeloos en onverschillig geslapt om te denken wat zij doen moest, lusteloos om vooruit te zien naar de dagen die komen zouden. Den half-gewaakten nacht, den heengemoeiden ochtend, terwijl zij lang in bed had liggen soezen met haar oogen dicht, om het spreken van haar moeder te ontgaan, de latere uren die zij mee was geweest in het oudgekende klein-bewegen van het huishouden, had zij doorgeleefd in een vreemd-vagend bestaan, een onduidelijk ineen-vloeien van haar herinnering aan jaren geleden toen zij nog een kind was, met haar ongemerkt opgeslopen veranderd-zijn, en waartusschen telkens de beelding opscherpte van de omgeving, waaruit zij zoo plotseling heen was, met het preciese nagaan van wat zij op dit oogenblik in haar vroegenen dienst deden.
Nu, in de eenzame stilte waarin zij uitgemoeid zat, zonder hinderend meeleven van iemand naast haar, doezelde dat droom-vagend peinzen dichter in haar neer, heen-en-weer dragend haar denken naar alles wat zij als kind had doorgeleefd en wat later had bewogen in haar voelen. En in de moewe half-waking waarin zij peinsde, volgde zij haar heen- geleefd bestaan, voorzichtig tastend in de schemer-lichtende verheid van haar jeugd, langzaam nastappend tred voor tred den weg, dien zij in de lang-voorbije jaren had doorgemoeid.
De middaguren innigden onhoorbaar heen naar den herfst-koelen avond, de gouden zonneglans gloeide uit tot een rood-vlammende wijking van teer-vloeiende tin langs de dieper-blauwende lucht, de straat leegde wijder onder de langzaam-hooggeduisterde schaduw, die zacht de huizen aan de overzijde met een weeke grijsheid floersde, en zij bleef beweegloos staren in het heenzachtend licht, waarin de beelden van haar bestaan duidelijker kleurden, langsrijend voor haar zien in geheimzinnig, weerlevend bewegen.
Advertenties

GROENE ROMMEL IN DE BLOEMENVALLEI

Irma van Duuren (1967) schrijft al tientallen jaren met veel plezier verhalen en gedichten. Ze studeerde af in amerikanistiek aan de universiteit van Utrecht. Ze woont en leeft al vele jaren in Hongkong en daarvoor in Singapore, China, Taiwan, Duitsland en Nederland. In 1997 vertrok Irma met haar man Harold en hun oudste zoon Tom naar Hongkong. Enkele jaren later kwam Jaap er bij, de tweede zoon. Lange tijd leefden ze in een omgeving omringd door expats. Na een onderbreking in Taiwan en Sjanghai verhuisde het gezin in 2010 terug naar Hongkong, naar een klein Chinees dorpje aan de rand van de jungle. In dit boekje vertelt Irma over haar belevenissen in deze sprookjesachtige omgeving.
.
15. Slangen
Het onderwerp slangen vind ik geen prettig onderwerp om over te schrijven. Maar ze zijn er nu eenmaal, net als kikkers, vlinders en gekko’s. Ze zijn enerzijds belangrijk voor het ecosysteem, maar kunnen anderzijds ook gevaarlijk zijn. Niet alle natuurlijk, maar vele.
De meest voorkomende slangen zijn de bamboeslang, de rattenslang en de red-necked keelback. Soms kom je hier ook nog weleens een Chinese cobra tegen. Afgezien van de rattenslang zijn bovengenoemde slangen giftig. Juist omdat ze niet zo lang en dik zijn en mooie schutkleuren hebben, zie je die giftigen niet zo snel. Gelukkig zijn vrijwel alle slangen net zo bang voor de mens als de meeste mensen voor hen. Zolang ze je maar op tijd in de gaten hebben, zullen ze zich bij voorbaat terugtrekken of schuilhouden. Maar voelen ze zich bedreigd, dan vallen ze aan.
Toen we hier net kwamen wonen, zag onze tuin er bijna hetzelfde uit als de jungle achter het hek: één grote wildernis. Met messen en scharen ging ik aan de slag om het hoge gras en de laag overhangende struiken weg te knippen. Het duurde weken eer ik de tuin onder controle had en het niet langer meer boven mijn krachten uitgroeide. Regelmatig kwam ik slangen tegen. Het is zelfs voorgekomen dat ik er vijf op een dag tegen het lijf liep. Drie daarvan waren rattenslangen, een grote en twee kleintjes. Ik denk dat het een moeder was met haar kroost, maar zeker weten doe ik het niet. Ik was gras aan het knippen dat ongeveer een halve meter hoog stond. Opeens stond ik oog in oog met een van de kleintjes. Deze was minder dan een meter lang. Hij keek me aan met een paar heel vriendelijke donkere oogjes. Echt! We stonden beiden stokstijf stil. Hij viel niet aan, maar gleed plots weg. Even later glipte er een tweede achteraan en daarna de grote. Vliegensvlug. De donkerbruine moeder was minstens anderhalve meter lang en zo dik als mijn arm. Ik zag haar nog over het witte muurtje aan de andere kant van de tuin wegschieten (slangen kunnen prima klimmen). De andere twee die ik die dag tegenkwam, waren trouwens wel giftig.
In de beginperiode van ons verblijf riep ik vaak opa Yip als ik een slang zag. Hij schoot me dan te hulp met zijn lange, buigzame bamboestok en terwijl hij de slang doodsloeg, leerde hij me tegelijkertijd hoe ik het zelf moest doen. Hij vertelde me dat ik in ieder geval rustig moest blijven om de slang de kans te geven te vluchten. Maar wilde de slang dit niet doen, dan moest ik de slang op een bepaalde plek vlak achter zijn kop bewusteloos slaan. Zodra dat was gebeurd, was het de bedoeling zo hard mogelijk te meppen totdat de slang dood was. De slang moest vervolgens weggegooid worden (ergens achter in de jungle) en de bamboestok goed schoongemaakt met zand en water uit het beekje om ervoor te zorgen dat er geen gif aan zou blijven kleven. De volgende keer als ik een slang zou zien, kon ik dan met een gerust hart de stok weer ter hand nemen.
Sindsdien liggen er als ik buiten ben altijd twee bamboestokken van ongeveer anderhalve meter lang en twee centimeter dik binnen handbereik. Ik heb ze regelmatig moeten gebruiken. Maar als een slang langer is dan een meter, begin ik niet eens aan. Dan loop ik heel rustig naar achteren en bel de slangenvanger. Soms is de slang al weg, voordat de slangenvanger komt. Soms ook niet. Dan pakt hij zijn jute zak en zijn lange haakstok en gaat aan de slag. Hij is ontzettend handig en heeft de slang meestal binnen vijf minuten te pakken. Levend stopt hij de slang in zijn zak en gaat er dan op zijn brommertje mee vandoor. Hoe giftiger de slang, des te groter de grijns op zijn gezicht. Want hoe giftiger de slang des te meer hij er voor betaald krijgt bij het restaurant. Slangensoep is heel goed voor de potentie, zeggen de Chinezen.
Tja, slangenverhalen te over. Nog één laatste anekdote, die me leerde hoe belangrijk het is alert te blijven. Zo was ik op een avond even naar buiten gelopen. Mijn bril had ik binnen laten liggen. De lucht voelde zwoel aan. Het begon al te schemeren. Ik liep wat door te tuin te mijmeren, terwijl ik hier en daar onkruid wegplukte. Via het trapje naar het hoger gelegen deel kwam ik aan bij de donkerhouten poort. Het had die dag gewaaid en overal lagen takjes. Zo ook op de klink van de poort. Ik raapte de takjes op en gooide ze op een hoopje. Het takje op de klink leek een beetje vastgedraaid te zitten. Het duurde even eer ik het had los gesjord had. Pas toen ik het dertig centimeter lange dunne takje in mijn handen hield, drong het tot me door hoe vreemd zacht het was. In een flits gooide ik het op de grond en tot mijn grote schrik glipte het takje vliegensvlug weg. Net zo geschrokken als ik…
.
Bamboeslang

ALS JE DE TOUR NIET HEBT GEREDEN, DEEL 3

Fred van Slogteren begon in 1996 na een carrière als copywriter en bedrijfsjournalist een tweede leven in de wielerjournalistiek. Hij werkte voor diverse kranten en tijdschriften, zoals Wieler Revue en Wielerland Magazine. Verder is hij dagelijks actief op internet met de populaire site wielersport.slogblog.nl. Van zijn hand verschenen eerder gedetailleerde biografieën van wielergrootheden als Peter Post (1998), Jan Janssen (2001), Joop Zoetemelk (2005) en Jan Raas (2009). In 2003 verscheen Wielerhelden van Oranje, het door hem geschreven jubileumboek van de toen 75-jarige KNWU.
.
.
.
196 – Bart Voskamp

* Wageningen, 06.06.1968
* Tourresultaten:
..1994: opgave in de veertiende etappe.
   1995: 113e op 3u17’41” na winnaar Miguel Indurain (Sp).
   1996: 99e op 2u31’31” na winnaar Bjarne Riis (Den) – 1 etappezege.
   1997: 98e op 3u26’27” na winnaar Jan Ullrich (Dui).
   1998: opgave in de negentiende etappe.
   2000: 115e op 3u05’17” na winnaar Lance Armstrong (VS).
Op vrijdag 25 juli 1997 kregen de rijendik opgestelde toeschouwers bij de finish in de Franse mosterdstad Dijon een van de merkwaardigste ontknopingen van een Touretappe voorgeschoteld. Op enkele honderden meters voor de streep kwamen twee renners de bocht uit. Ze hadden zich losgemaakt uit een groep van elf die een voorsprong van ruim vier minuten op het peloton had genomen. De voorste renner droeg het shirt van de Duitse ploeg T-Mobile en de ander was in het truitje van de Nederlandse TVM-formatie gestoken. Met nog ongeveer tweehonderd meter te gaan, ging de TVM-renner vanuit tweede positie de sprint aan en pakte aan de rechterkant van de weg anderhalve lengte. De man van T-Mobile leek verrast, maar zwoegde zich met een uiterste krachtsinspanning terug in het wiel. Nog voor hij langszij kon komen, stuurde de renner van TVM naar de as van de weg. Zijn medevluchter volgde als een schaduw. Tergend langzaam kwam hij langszij en vlak naast elkaar worstelden ze zich naar de streep. In de Nederlandse huiskamers gingen kreten van verbazing op toen Jens Heppner met nog enkele tientallen meters te gaan met zijn volle gewicht tegen Bart Voskamp ging aanhangen. Om niet te vallen en zonder noemenswaardig van zijn lijn af te wijken deed de Nederlander hetzelfde en als een gelijkbenige driehoek gingen ze schouder aan schouder over de streep. Het wiel van Bart iets eerder dan dat van de Duitser. Korte tijd later kwam de zakelijke mededeling dat beide werden gediskwalificeerd wegens onregelmatig sprinten. Ze werden teruggezet naar de tiende en de elfde plaats in de daguitslag met de tijd van het peloton. De Italiaan Mario Traversoni, die het sprintje van de achtervolgende groep had gewonnen, werd tot winnaar verklaard. Het was de Nederlander Martin Bruin die als voorzitter van de internationale jury het vonnis bekendmaakte. Heel Nederland viel over hem heen. Voskamp was verbijsterd, had geen idee wat hij fout had gedaan en vroeg zijn landgenoot onmiddellijk om uitleg. Hij kreeg te verstaan dat het hem na afloop van de juryvergadering aan de hand van de beelden zou worden uitgelegd.
Bart heeft een uur bij de jurykamer zitten wachten, om tot zijn verbazing te bemerken dat Bruin direct naar zijn hotel was vertrokken. Het is niet meer goed gekomen tussen de twee Nederlanders. “Ik had natuurlijk al eens een rit in de Tour gewonnen, maar met twee ritten achter mijn naam zou mijn erelijst nog net iets meer glans hebben gehad. Ik heb het hem wel vergeven, maar zal het nooit vergeten. Vooral die arrogantie om me als Jan met de korte achternaam naar de permanence te laten komen en dan zelf af te taaien vind ik respectloos, daar heb ik geen woorden voor.”
Bart Voskamp werd geboren als het tweede en jongste kind in een boerengezin. “Mijn vader was een man met een blauwe overall en laarzen, zoals boeren er uitzien. Hij was echter in dienst van het ministerie van landbouw en het melkveebedrijf met zo’n honderd koeien was een proefboerderij. Het was een boerderij als alle andere, maar er werd van alles onderzocht, zoals veevoeders, grassoorten en alles wat van belang kon zijn voor de koeien en de melkopbrengsten. Ik voelde me echter geen kind van een ambtenaar, maar een echte boerenzoon met al die koeien en geiten dagelijks om me heen. Ik hield van dieren en wilde ook boer worden, tot mijn ouders me er van overtuigden dat daar niet veel toekomst in zat.”
In plaats daarvan ging Bart naar de lts en vervolgens naar de mts in de studierichting levensmiddelentechnologie. Hij heeft het afgemaakt, maar toen hij op zeventienjarige leeftijd het diploma kreeg uitgereikt was hij al een veelbelovende wielrenner. Op twaalfjarige leeftijd werd hij door de sport gegrepen, toen hij op tv de beelden zag van de Tour de France. “Het was de Tour van 1980 en ik raakte helemaal in de ban van Johan van der Velde. Dat wilde ik ook, dat werken voor een kopman. Ik kon aardig voetballen, maar was niet de beste. In de wedstrijdjes die we als schooljongens op de fiets naar school of terug naar huis reden, wel. Dat vond ik geweldig, want ik ben best een strebertje die slecht tegen zijn verlies kan.”
Hij wilde wielrenner worden en begon bij zijn ouders om een racefiets te zeuren. Hij kreeg steun uit onverwachte hoek, want zijn twee jaar oudere zus Josine was ook door de beelden van de Tour gegrepen en wilde ook op wielrennen. Toen vader Voskamp begreep dat het geen bevlieging was, werd voor allebei een racefietsje aangeschaft. In de laagste prijsklasse, want het geld groeide hem niet op de rug. Josine en Bart gingen er enthousiast toertochten mee rijden, maar al spoedig was dat niet bevredigend. Ze wilden koersen en werden lid van Wielervereniging Ede om er twee keer per week een clubwedstrijdje te rijden.
Op de club bleek al gauw dat Bartje een talent was, want hij liet jongens die al langer lid waren en over beter materiaal beschikten direct zijn achterwiel zien. Het was een goed gestructureerde vereniging waar Bart de eerste beginselen van het wielrennen leerde. Op de weg en op de baan, want met de club ging hij ook regelmatig naar de baan in Apeldoorn. Hij doorliep spelenderwijs de jeugdrangen, vervolgens de nieuwelingen en junioren en in iedere categorie was hij goed voor tien tot twaalf overwinningen per jaar. “Ik was heel allround en hoewel tegenslag een onbekend begrip was, kon ik goed afzien. Ik was een aanvallend rennertje, kon goed tijdrijden en had wel een sprintje in huis. Ik had gevoel voor de koers, had koersinzicht en kon goed positie kiezen. Ik was geen klimmer van nature, maar door er veel op te trainen kon ik later wel redelijk omhoog. Ik heb in de Vuelta zelfs eens een bergetappe gewonnen.”
Ondanks zijn vele overwinningen heeft het lang geduurd voor hij door de ploegleiders en bondscoaches werd opgemerkt. Toen hij zijn dienstplicht vervulde en met de militaire selectie aan Olympia’s Tour deelnam, kwam Egbert Koersen, de ploegleider van Koga Miyata, op hem af. In deze sterke ploeg won hij in 1991 een etappe in de belangrijkste etappewedstrijd in eigen land en Bart beschouwt die zege als zijn mooiste bij de amateurs, vooral omdat hij twee topamateurs als Erik Dekker en Jans Koerts klopte. In diezelfde ronde won Bart tevens de tijdrit vóór toppers als Servais Knaven en Léon van Bon om in de eindstand vijfde te worden. In 1992 maakte Bart deel uit van het kwartet dat bij de Olympische Spelen in Barcelona de ploegentijdrit over honderd kilometer moest rijden. Er was op een podiumplaats gerekend, maar in de uitvoering ging er van alles mis, met een teleurstellende negende tijd als resultaat. Het werd de heren behoorlijk kwalijk genomen en bondscoach Piet Kuijs besloot Bart niet mee te nemen naar de Tour de l’Avenir. Toen er echter op het laatste moment iemand thuis moest blijven, werd Bart toch opgeroepen. Achter de Fransen Garel en Dojwa werd hij derde in de eindstand.
Omdat er geen aanbiedingen kwamen, besloot Bart dat als er geen carrière als beroepswielrenner in zat hij zich maar beter op een maatschappelijke carrière kon richten. Hij vond een baan bij de drogisterijketen Kruidvat, maar voor hij aan zijn eerste werkdag kon beginnen, kwam er het telefoontje van Cees Priem, de ploegleider van TVM. Die had met zijn ploeg ook meegedaan aan de Tour de l’Avenir en het goede rijden van Bart was hem opgevallen. Kruidvat werd afgebeld en Bart begon enthousiast aan een profcarrière die dertien jaar zou duren. Hij had het bij TVM al gauw naar zijn zin. “TVM was een hecht team met renners die wat voor elkaar over hadden en zich geen concurrenten van elkaar voelden. Er was in tegenstelling tot de ploegen van Post en Raas een losse sfeer, een vriendenploeg die na afloop van een koers een biertje met elkaar ging drinken in plaats van snel naar huis te gaan. Dat was niet geregisseerd, want het was gewoon toeval dat de karakters zo goed bij elkaar pasten. De kern van de ploeg bestond uit Blijlevens, Knaven, Den Bakker, Hoffman, Van Petegem en mijn persoontje. De Denen Skibby en Hamburger hoorden er ook bij omdat ze goed Nederlands spraken. We hebben veel gekoerst, veel gewonnen en ook veel gelachen. Een stelletje vrijbuiters waren we. Priem voelde dat aan en organiseerde in de winter altijd een mooi feestje met de vrouwen erbij.”
Bart is zeven jaar bij TVM gebleven en zijn erelijst in die periode mag gezien worden. Behalve twee keer Nederlands kampioen tijdrijden en winst in de Grote Prijs Pino Cerami staan er twee etappezege in de Vuelta en één in de Tour op. Dat hadden er dus twee moeten zijn, maar die overwinning in de laatste week van de Tour van 1997 is hem door de jury afgepakt. Een jaar eerder won hij wel een rit, ook in de laatste week. “Dan liggen er vaak kansen, omdat de meeste renners er doorheen zitten, de meeste ploegen aan hun trekken zijn gekomen en de klassementen goeddeels zijn gemaakt. Ook onze ploeg was tevreden. We hadden geen klassementsrenner, maar in Jeroen Blijlevens een topsprinter en die had zijn ritje binnen. Ik had tevoren aangestreept in welke etappes er voor mij kansen zouden zijn.”
De achttiende rit van het Spaanse Pampelune naar Hendaye was er zo eentje. Een etappe met twee colletjes van de tweede categorie. De dag ervoor was met vijf Pyreneeëncols loodzwaar geweest, maar Bart had niet hoeven te forceren. Op weg naar Hendaye zat hij in een kopgroep van twintig man. Die twee cols vielen wel tegen, maar Bart kon met enige moeite in de kopgroep blijven. De groep van nog zestien renners ging de finale in en er volgde een spervuur aan demarrages. Het ging richting de Atlantische kust en met wind van zee kwam er een groepje van vijf tot stand. Bart keek eens rond en beoordeelde Christian Henn als de gevaarlijkste klant. Hij kroop in zijn wiel en kon als enige volgen toen de Duitser de zaak op de kant gooide en vol doorging. Het was nog maar een paar kilometer toen Henn achterom keek en het seintje gaf van ‘doorrijden en de winnaar betaalt.’ Bart stemde toe, maar geloofde nauwelijks in zijn kans, zo hard trok Henn door. Hij kon niet overnemen, alleen maar volgen en als de Duitser nog één snok had kunnen geven, was hij gelost geweest. Tot hij merkte dat Henn verzwakte en hij misschien toch nog een kans had. De Duitser maakte er een lange sprint van en Bart reageerde tactisch perfect. Op het juiste moment kwam hij uit het wiel en hoefde niet eens meer voluit te gaan om Hen met lengtes te kloppen.
Wie de erelijst van Bart bekijkt, zal die zege in een Touretappe wellicht als het hoogtepunt van zijn carrière beschouwen, maar zelf voelt hij dat niet zo. “Het was in die tijd niet vreemd dat een renner van TVM een mooie overwinning behaalde. Het budget van de ploeg was bescheiden, maar door de kameraadschap in de ploeg en onze mentaliteit (‘er wordt toch niets van ons verwacht’) hebben we heel veel succes gehad. We telden mee, we waren geen onbeduidend ploegje.”
Dat was in 2002 wel anders, toen Bart met de zeer bescheiden Bankgiroloterijploeg mee mocht doen aan de Ronde van België. “Ik heb die ronde gewonnen en dat voelde voor mij toch meer als een topprestatie. Met grote ploegen als Lotto en QuickStep aan het vertrek en dan winnen als lid van een continentalploeg, vond ik wel iets bijzonders. Ik won de tijdrit en de ploeg heeft toen zo geweldig voor me gereden dat die overwinning qua beleving veel mooier was dan die Touretappe. Want neem van mij aan: iedere Belg wil de Ronde van België winnen. Daarom was dat het hoogtepunt, omdat we die zege voor de poort van de hel hebben weggesleept.”
Tegenover een hoogtepunt staat een dieptepunt en daar bestaat voor Bart geen misverstand over: “1998 was een rampjaar, met al die dopingellende waar de Tour bijna aan ten onder is gegaan. Het moest een keer tot uitbarsting komen. Iedereen, heeft in die tijd met epo te maken gehad. Ik ook. Ik heb er aan meegedaan omdat ik voor mezelf had vastgesteld dat ik niet anders kon, maar leuk was anders. Ik deed iets dat niet mocht en zo ben ik niet opgevoed. Ik had een gezin met kinderen en een hypotheek en wielrenner was mijn beroep om dat allemaal te betalen. Ik had geen alternatief en ga dan maar eens thuis en bij de bank uitleggen dat je geen geld hebt, omdat je zo nodig roomser dan de paus wil zijn.”
Het was een duivels dilemma: stoppen of meedoen met alle consequenties vandien. “Ik had natuurlijk kunnen stoppen, maar had geen idee wat ik dan moest gaan doen. Ik was er niet op voorbereid en niet meedoen was geen optie. Dat wil niet zeggen dat het een makkelijke beslissing was, want het was tegen mijn principes om vals te spelen. Maar wielrennen was mijn leven en dat liet ik me niet zo maar afpakken. De buitenwereld had geen idee wat er speelde, maar oordeelde wel. Dat maakte me kwaad. Op het moment dat je mee gaat doen, kom je in de fase dat je het voor jezelf goed gaat praten. Met ‘ze doen het allemaal’, sus je je in slaap.”
Zo openhartig als hij hier over zichzelf is, zo voorzichtig is hij om er anderen bij te betrekken. “Ik heb mijn verleden opgebiecht en wat de andere renners daar over willen zeggen, is hun zaak. Begin 1998 hebben we in Spanje epo gekocht en dat is in de koelkast van een van onze vrachtwagens richting België gegaan. Dat pakje is aan de grens tussen Frankrijk en Duitsland door de douane gevonden en in beslag genomen. Niet omdat het epo was, maar omdat er geen factuur en grensdocument bij zat. Dat is alles. Het is maanden later pas een rol gaan spelen toen Willy Voet met een wagen vol werd gearresteerd en er in de Tour van alles aan het licht kwam. Toen heeft iemand dat grensakkefietje naar buiten gebracht. Ons aandeel daarin hebben Jeroen en ik in 2013 op de televisie opgebiecht. Toen het uitgezonden werd, ben ik geschrokken van het commentaar op onze bekentenis. Toen dacht ik ‘tjongejonge, wat een hypocrisie.’ Iedereen wist ervan, de renners, de ploegleiding, de verzorgers, maar ook de KNWU, de UCI, echt iedereen. En wie beweert niets te hebben geweten, is een grote leugenaar. Ik ben ook jaren een grote leugenaar geweest en dat heeft al die tijd als een steen op mijn hart gelegen. Ik was een beetje klaar met dat liegen en bedriegen. We hebben heel veel over ons heen gekregen en Jeroen is er zelfs zijn baan door kwijtgeraakt. Ik kan me daarom wel voorstellen dat er jongens zijn die nu nog hun mond houden.”
Na zijn afscheid in 2005 was Bart enkele jaren namens de stichting Ronde van Nederland koersdirecteur van de Eneco Tour, tot dit evenement een gecombineerde organisatie werd van Nederland en België. Hij werkte toen al parttime als vertegenwoordiger voor Bioracer, een baan die hij na zijn werkzaamheden voor de stichting fulltime en in vaste dienst is gaan uitoefenen bij de bekende Belgische fabrikant van wielerkleding. Hij doet dat nog steeds en met plezier. Het is zeer afwisselend werk. Hij bezoekt in de provincies Gelderland, Overijssel en Utrecht grote bedrijven en wielerverenigingen; de administratie doet hij thuis. Daar deelt hij de woning met Anne, zijn tweede vrouw. Er zijn ook drie kinderen, de twee die Bart al had uit zijn eerste huwelijk en hun gezamenlijke spruit.
Nadat hij in 2005 was gescheiden van zijn eerste vrouw en zoon en dochter bij hem kwamen wonen, ontmoette hij Anne. Dat was na afloop van de Lus van Roden, een profcriterium. Bart was daar met een paar collega’s en kwam haar tegen. Toen hij haar zag en kennis had gemaakt, hoorde hij, met zijn hoofd in de wolken, Herman van Veen zingen dat zelfs haar naam mooi was. In 2006 zijn ze getrouwd en wonen in de buurt van Wageningen, zijn geboorteplaats.
Zijn verleden als een goede subtopper in het internationale profpeloton ligt inmiddels ver achter hem, maar zo nu en dan denkt hij nog wel eens aan die bewolkte julimiddag in Dijon toen hij even in de overtuiging mocht leven zijn tweede Touretappe te hebben gewonnen. Hij kan het gebeuren inmiddels wel relativeren. “Het was het eerste optreden van Martin Bruin als juryvoorzitter op dat niveau en ik denk dat hij bang was van partijdigheid te worden beschuldigd als hij mij tot winnaar had verklaard. Ik ben daar het slachtoffer van geworden, maar er zijn ergere dingen op de wereld.”

DE ONTDEKKING VAN SHETLAND

Jan Bommerson (1950) was docent Nederlands, trad op als cabaretier met ‘Jank’ en ‘Martin, Ton en Bommerson’ en als presentator van theater- en smartlappenavonden. Hij publiceerde gedichten en won er in Nederland en België prijzen mee. Hij reist graag naar noordelijke streken, fotografeert er en schrijft erover. In de zomer van 1979 reist hij naar de Noordkaap in Noorwegen en weer terug. Hij legde zijn ervaringen vast in enkele ‘zonderbare verhalen’ die werden gebundeld in ‘NOORS’, over een tot mislukken gedoemde reis door Noorwegen. Zijn tweede boek heet ‘De ontdekking van Shetland’. In dit boek vertelt hij het verhaal over zijn reizen naar de Shetlandeilanden in de jaren zeventig van de vorige eeuw. De Shetlandeilanden liggen een paar honderd kilometer ten noorden van Schotland. Ze zijn kaal, rotsachtig en onherbergzaam, regenachtig en winderig, maar bieden een schat aan vogelleven, archeologische vindplaatsen en vrolijke pubs met veel muziek. Bommerson bivakkeerde tijdens zijn reizen op een onbewoond eiland met duizelingwekkende kliffen, gidste deftige Engelse toeristen door het noordelijkste natuurreservaat van het Verenigd Koninkrijk en leefde er intensief samen met een groepje jonge Shetlandse en Schotse vrienden. Met hen stak hij turf, dreef hij schapen bijeen en vierde hij feest. De voortekenen tijdens de eerste reis waren slecht. Onderweg, in een Schotse pub, kon een dorpeling zich niet voorstellen dat iemand vrijwillig naar Shetland probeerde te reizen. Voor Bommerson was dat juist aanleiding om alles op alles te zetten om de eilanden te bereiken. Na die eerste reis is hij nog twee maal op Shetland geweest, telkens ongeveer een maand. In zijn heldere beeldende stijl vertelt hij erover. Dankzij het vaak humoristische verhaal van ‘De ontdekking van Shetland’ maakt de lezer kennis met deze afgelegen eilanden en hun bevolking. In het boek staat een kleine selectie van de honderden foto’s die Bommerson op de eilanden maakte.

 

Hoe een schoen verdween
In het noordwesten van Unst, het noordelijkste bewoonde eiland van Shetland, ligt het natuurreservaat Hermaness. Het is een gebied van vijf bij ruim twee kilometer. Aan de oostkant ligt het langs een diepe inham, de Burra Firth. Aan de zuidkant loopt het ongemerkt over in de rest van Unst. De ruige Noord-Atlantische westkust is het meest interessante deel van het gebied. Er zijn hoge rotsen, kliffen, kolonies van zeevogels. De noordelijkste punt geeft uitzicht op Muckle Flugga, het noordelijkste eilandje van het Verenigd Koninkrijk. Er staat een vuurtoren op, die al enige jaren automatisch functioneert en niet meer permanent bemand is. Vanaf de kust van Unst is het eilandje duidelijk te zien.
Voor het gemak heb ik in Lerwick bij Bolt’s Car Hire een auto gehuurd, een Triumph Toledo. Triumph staat bekend om zijn sportieve auto’s en motoren. De Toledo is een tamelijk gewone gezinsauto, maar hij rijdt verrassend pittig over de Shetlandse kronkelende wegen.
Er zijn geen campings op Unst, laat staan in Hermaness. Ik heb mijn tent opgezet langs een stroompje helder water, een eindje van de weg, omdat ik niet in het volle zicht wil staan kamperen. De weg, niet breder dan een meter of drie, houdt hier op. Doorgaand verkeer is er niet. Ook de auto probeer ik buiten beeld te plaatsen, maar ik moet oppassen dat ik hem niet zo parkeer dat hij langzaam in het moerassige gebied wegzakt en dat ik er niet zonder hulp mee weg kom.
Ik maak, als het regent, een paar ritjes over het eiland met mijn Toledo, maar de meeste tijd ben ik aan het rondstruinen door de heide en de moerassen van Hermaness. Ik heb een topografische kaart van het gebied (1:50.000), waarmee ik me aardig kan oriënteren. Vroeger had je de one-inch-to-the-mile-maps, maar het Verenigd Koninkrijk is decimaal geworden. Op mijn kaart staat slechts één pad aangegeven door het onbewoonde gebied. Daar trek ik me niks van aan. Als je een beetje uit je doppen kijkt, kun je hier overal lopen.
Vlakbij mijn tent stroomt een beekje, de Milldale burn. Je bent er met een stap overheen en als je niet goed oplet, zie je het niet eens. Toch stroomt het dag en nacht rustig kabbelend door. Stroomopwaarts zijn geen vervuilende fabrieken of landbouwgif strooiende boeren. Het water is gefilterd door dikke lagen eeuwenoude turf, dus glashelder en bovendien steenkoud. ‘s Morgens poets ik met het water mijn tanden en fris ik mijn gezicht er mee op. En ik schep er water uit voor mijn kop Bovril. Voor ik het drink, kook ik het wel. Je weet nooit wat voor onzichtbaar onheil zich in zo’n heldere beker water verscholen houdt.
Het pad leidt naar de top van Hermaness Hill, een bult van tweehonderd meter hoog, en dan verder naar de noordpunt van het eiland. De wandeling vereist wel de oversteek van de Burn of Winnaswarta Dale. Een stroompje van niks. Maar wat een prachtige naam! Vanaf de top van de heuvel heb ik een fantastisch uitzicht over het hele reservaat. Bijna rondom is zee. Een eindje naar het noorden, in de diepte, ligt Muckle Flugga. Het water stuift hoog op rond de rotsen van het eilandje. Hoe daar ooit mensen aan land zijn gegaan, en op die klomp rotsen een vuurtoren hebben kunnen bouwen, is me een raadsel.
Naar het oosten is, aan de overkant van de Burra Firth, een radarpost van de RAF zichtbaar. Er is een militaire basis, met een grote bolvormige radarinstallatie in de laaghangende bewolking bovenop de heuvel die Saxa Vord heet. Het is een no-go-area voor de normale toerist.
Ook hier zijn, net als op Mousa, grote jagers. Als ik op een middag door de heide loop, zet een stelletje de aanval in. Ze moeten hier een nest hebben en ze vinden duidelijk dat ik veel te dichtbij ben. Uit de bewegingen van de vogels kan ik niet afleiden waar het nest zit. Ik besluit een richting te kiezen en in een rechte lijn die kant uit te lopen. Het gaat niet goed. De vogels vallen me heviger dan ooit aan. Dan zie ik waarom. Vlak voor mijn voeten ligt een jong exemplaar op een minimaal nest in de heide. Er steken al wat echte veren voorzichtig door het dons naar buiten. Het jong kan nog niet vliegen en het heeft alle hulp van zijn ouders nodig als het belaagd wordt.
Ik buk me snel, stel de camera in en maak een foto. De grote jagers vinden het niet leuk. Ik voel de luchtstroom door mijn haren als ze, telkens opnieuw, met z’n tweeën, om de beurt duikvluchten naar mijn hoofd maken. Ik moet hier weg. Nu. Ik loop met een stevig tempo in dezelfde richting, in dezelfde rechte lijn als daarnet, weg van het jong. Ik hoop dat ik de grote vogels zodoende duidelijk maak dat ik wegga en nooit weer terugkom, en dat ik geen bedreiging meer ben voor hun nageslacht. Het werkt. De jagers doen nog een paar aanvallen, maar minder hevig en met weinig overtuiging.
Toch word ik gestraft voor mijn overtreding. Door de haast waarmee ik me verwijder van de jonge grote jager kijk ik niet goed uit waar ik loop. Ik kom in een moeras terecht. De grond wordt nat en natter. De plassen worden dieper. Mijn linkervoet verdwijnt onverwachts in zijn geheel in een diep gat vol zwart moeraswater. Ik verlies bijna mijn evenwicht. Als ik mijn been optrek voor de volgende stap, voel ik dat mijn voet omhoogkomt uit het moeras. Dat wel. Maar mijn schoen heeft zich vastgezogen in de donkere derrie. Mijn voet komt uit het water, met een kletsnatte half uitgetrokken sok. De schoen blijft achter onder de oppervlakte.
Honderd gedachten kolken rond in mijn arme hoofd. Ik ben een schoen kwijt. Ik heb hier één paar schoenen. Hoe kom ik op Shetland aan nieuwe schoenen, in mijn maat achtenveertig? Waar is mijn schoen, in welk gat ligt hij? Kan ik hem terugkrijgen? Dan moet ik op mijn knieën en wordt mijn broek ook kletsnat. Ik probeer de paniek te onderdrukken en rustig na te denken. Dat mijn broek nat wordt, is natuurlijk niet erg. Vervelend, maar een missende schoen is erger. Ik trek mijn windjack uit, leg het op een plek die er een beetje droog uitziet en stroop mijn linkermouw op. Ik laat me op mijn knieën zakken en steek mijn arm in het gat waar ik mijn voet zojuist uit omhoog getrokken heb. Het gat is diep en mijn arm steekt tot voorbij de elleboog in het donkere water. Ik voel van alles, planten, wortels van planten, en dan de rand van een schoen. Mijn schoen!
Ik heb hem. Ik trek hem omhoog en houd hem op de kop, zodat het zwarte modderige water eruit stroomt. Ik sta op en begin te lopen, nauwkeurig kijkend waar ik mijn voeten neerzet. Als ik uit het moeras ben, ga ik op een grote steen zitten. Nadenken, de schade opnemen. Eigenlijk is het niet zo erg. Mijn broek is kletsnat, mijn schoen is kletsnat, maar onbeschadigd. Het zal wat tijd kosten voor hij weer droog is. Als dat het enige probleem is, overleef ik het wel. Omdat ik nog lang niet bij de tent ben, besluit ik de geplaagde schoen aan te trekken. Door dit gebied lopen met alleen een droge schoen rechts en een natte sok links is niet verstandig.
Het duurt nog dagen voor mijn schoen weer droog en soepel is. Elke ochtend is hij wat verder opgedroogd. Het klimaat is hier koud en vochtig, dus het gaat niet snel. ‘s Morgens is de schoen steeds heel stug en hard. In de loop van de dag wordt hij door mijn lichaamswarmte weer soepel. Dat herhaalt zich nog een paar dagen, tot hij echt droog is. Dankzij die vochtige schoen loop ik lang met een klamme linkersok en een heel koude linkervoet rond.

VERSTOPPERTJE IN DE TEMPEL

Nynke Bos (1982) volgde de pabo aan de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (HAN). Tijdens een stage in Thailand werd ze bevangen door een liefde voor Azië. Tien jaar werkervaring in het speciaal onderwijs en vele reizen door Azië verder, vertrok ze met haar gezin voor een jaar naar Laos. Daar werkte ze als leerkracht en docentencoach op een lokale school. Nynke Bos schrijft columns voor het Nederlands Instituut voor Onderwijs- en Opvoedingszaken (NIVOZ) op Hetkind.org en voor KiindMagazine. In ‘Verstoppertje in de tempel’ beschrijft Nynke Bos haar sabbatical in Laos. Een jaar lang woonde en werkte zij in het Zuidoost-Aziatische ontwikkelingsland, met haar drie jonge kinderen. Een jaar waarin haar liefde voor het land groeide, maar waarin zij ook de – vaak harde – omstandigheden ervoer van het dagelijks leven in Laos.
.
Pii Mai
Al weken maakt het land zich op voor het feest der feesten: Pii Mai, oftewel het Laotiaans nieuwjaar. Volgens de boeddhistische jaartelling staat het jaar 2559 voor de deur. Op de markt liggen de kraampjes opeens vol met waterpistolen, opblaasbadjes (reeds opgeblazen), waterdichte tasjes en haarverf in alle kleuren van de regenboog. Langs de weg staan stalletjes met de officiële Pii Mai-kleding: hawaï-achtige bloemenbroeken en felgekleurde shirts, gesponsord door Beerlao. Daags voor het feest zal losbarsten zijn de scooters en songteaws nog voller dan normaal. Behalve extra voedselvoorraad zie ik opgeblazen badjes voorbijrijden en opvallend veel koelkasten die op het dak zijn geknoopt. De grote winkels hebben zomeruitverkoop en het bier moet met Pii Mai natuurlijk goed koud staan. Vier dagen lang zal het land op zijn kop staan. Alle winkels en restaurants zijn wel een week dicht. Geen idee wat we kunnen verwachten, maar ik denk dat ik er klaar voor ben. Kom maar op.
De eerste ochtend laat de buurman ons voor zeven uur weten dat het feest begonnen is. Hij heeft enorme boxen in zijn pick-up gehesen en laat er de grootste Pii Mai-hits uit schallen. Ondertussen spant hij een zeil boven de tafels en stoelen, vult tonnen met water en versiert het geheel met bloemen en palmbladeren. De buurvrouw heeft de was gedaan en zit nu tussen de schone was en het vuile water op de grond. Ze ontdoet een kip van zijn ingewanden en maakt hem klaar om te bakken. De muziek staat inmiddels zo hard dat we elkaar binnen niet meer kunnen verstaan. We proberen dat de buurman subtiel duidelijk te maken. Hij lacht. Het is ook helemaal niet de bedoeling dat we binnen met elkaar gaan praten, we moeten buiten komen en bier drinken. Dus dat is wat we doen. En zo staan we – het ontbijt net achter de kiezen – met een biertje in de hand in de tuin van de buren. De kinderen vermaken zich minstens zo goed. Samen met wat andere kindjes uit de buurt zitten ze in badjes en teilen water elkaar nat te gooien. Happy Pii Mai.
‘We gaan straks naar de tempel’, laat de buurman weten, ‘daarna is er feest.’ Ik denk aan de feesten in de tempel die we in Vientiane hebben meegemaakt. Die begonnen meestal stervensvroeg, de hele buurt kwam in de netste kleren bij elkaar om te eten en om voedsel en geld aan de monniken te doneren. Het is al weer een tijd geleden dat ik een grote groep monniken heb horen shanten, dus ik leg mijn sinh vast klaar: de traditionele rok die door vrijwel alle vrouwen en schoolkinderen wordt gedragen. Maar zoals gewoonlijk loopt hier niets zoals ik verwacht. Ik zie in de uren die volgen niemand aanstalten maken om naar de tempel te gaan, dus ik drink nog maar een biertje.
Mijn glas bier wordt overigens goed in de gaten gehouden. Is het half leeg, dan wordt het bijgeschonken. Drink ik te lang niet, dan komt er ijs bij. Raakt het onverhoopt helemaal uit verhouding, dan wordt het weggegooid en begint het weer van vooraf aan. Ondertussen wordt de kip gebakken op de stenen ronde barbecue, die straks uiteraard met plakrijst zal worden geserveerd.
In ons straatje begint het druk te worden. Er zijn meer mensen die een feestje hebben met muziek en bier. Voorbijgangers worden met gejuich aangehouden en natgegooid. Ik begin er zelf ook lol in te krijgen. Samen met de kinderen gooien we alles en iedereen nat. De muziek schalt over straat en overal wordt gedanst, gelachen en met water gegooid. Er rijden pick-ups vol feestvierders langs om water te gooien of te ontvangen, vaak heerlijk liggend in een opblaasbadje.
Dan opeens komen een paar buurvrouwen in beweging; tijd om naar de tempel te gaan. We wandelen in onze Pii Mai-outfit over straat, de tempel in. Waar je normaal geen blote knie of schouder zult treffen, mag vandaag alles. Het terrein is veranderd in een grote modderpoel, want ook hier wordt water gegooid. In die modderpoel staan tientallen pick-ups vol feestende mensen geparkeerd. Ook in de tempel is het een modderige en glibberige bedoeling. Zo glibberig dat iedereen zijn schoenen aan mag houden. Binnen zit een groepje monniken op een verhoging. Ze knopen armbandjes om terwijl ze de ontvanger alle goeds toewensen. Alle boeddhabeelden die de tempel rijk is staan op een rij en worden door de tempelgangers natgegooid. Happy Pii Mai, Boeddha.
De volgende dag begint rustig. Maar tegen het middaguur hebben verschillende straatgenoten zich weer opgeladen om verder te feesten. De muziek gaat weer aan er wordt gedanst en met water gegooid.
Op dag drie wil ik eigenlijk wel wat te eten halen op de fiets, maar nog steeds wordt er met water gegooid en met tuinslangen gespoten. Toch maar even een blokje om op zoek naar een droge route.
Dag vier is ronduit te veel. De buurman geeft opnieuw een feest en zet alles weer in alle vroegte klaar. Echt? Nog een keer? Jawel. Voorbijgangers draaien op de hoek van de straat om, op zoek naar een andere manier om niet kletsnat hun bestemming te bereiken.

NOORS

Jan Bommerson (1950) was docent Nederlands, trad op als cabaretier met ‘Jank’ en ‘Martin, Ton en Bommerson’ en als presentator van theater- en smartlappenavonden. Hij publiceerde gedichten en won er in Nederland en België prijzen mee. Hij reist graag naar noordelijke streken, fotografeert er en schrijft erover. In de zomer van 1979 reist hij naar de Noordkaap in Noorwegen en weer terug. Hij legt in totaal ruim negenduizend kilometer af. In 2016 schrijft hij het verhaal over wat zo’n lange reis, die iemand in zijn eentje onderneemt, in een mens teweeg kan brengen. Het gaat over verwachtingen, teleurstellingen en euforie, over domme pech en gelukkig toeval.
Middernachtzon
Mijn eerste ochtend op de Noordkaap. Het wordt tijd voor een plan. Wat moet hier gebeuren? Nu ik eenmaal mijn doel heb bereikt, op de plek ben die zo lang aan mijn horizon heeft gelegen, wil ik er alles uithalen wat er in zit. Maar wat zit erin? Ja, het landschap is hier imposant. De rotspartijen aan de kust zijn hoog en ruig. Ondanks mijn verantwoorde bergschoenen, speciaal voor deze reis aangeschaft, durf ik het niet aan om al te veel op die steile brokkelige hellingen rond te klauteren. Bang voor een doodsmak in de diepte. De toendra’s met de sneeuwvelden zijn ook mooi, vooral omdat ze voor mij helemaal nieuw en ongewoon zijn. Ze lijken niet op plekken waar ik eerder ben geweest.
In de diepte van een fjord staat, tweehonderd meter onder mij, een klein roodgeverfd huisje aan het water. Het is onmogelijk het huisje te bereiken op een andere manier dan over zee. Een uitgelezen plek voor als ik me ooit nog eens onvindbaar zou willen maken voor de rest van de grote boze wereld. En als dat niet haalbaar is, kan ik altijd nog uitwijken naar Gjesvaer, dat kleine minivissersdorpje aan het eind van dat slingerende grindpad waar nooit iemand komt.
Het is goed je een beetje te verwijderen van de toeristische hoogtepunten hier. De Noordkaap zelf is natuurlijk een idiote plek. Er zijn hier meer mooie plekken en die zijn een stuk minder idioot. Ik wil maar eens wat rondwandelen en goed om me heen kijken op dit eiland om een plaats vinden waar de middernachtzon goed te zien is. En ik wil een andere plek voor de tent zoeken. Ik ga mijn dagen hier niet steeds op dezelfde plek staan. Het is me te dicht bij het toeristische spektakel.
Onderdeel van het Plan is om in ieder geval, als ik dit eiland verlaat, dat op tijd in de ochtend te doen. Dan ontloop ik de file voor de boot. En als ik die ochtend ook nog minder lang hoef te rijden naar Honningsvåg, door de nacht wat zuidelijker door te brengen, heb ik helemaal grote kans op een vroege boot. Buitengewoon slim vind ik mijzelf. Dit Plan is briljant. Bijna tevreden laat ik mij bij een weids uitzicht over rotsen en zee achterover zakken tegen een keiharde verticale granieten muur van kort na de oerknal.
Die avond rijd ik naar een kleine baai, met vrij zicht naar het noorden, die ik overdag heb ontdekt. Het is de ideale plek om het wonder van de middernachtzon te ondergaan. Ik verheug me op de heerlijke stilte, zonder geleuter van andere toeristen, de zon laag boven de horizon en alleen het geluid van het kabbelende water van de rustige baai. Daar kan ik onder typisch Noorse omstandigheden nadenken over de rest van mijn leven, in ieder geval over de eerstvolgende paar weken ervan.
Het is een fantastische plek. Ik ben er op tijd en ik heb een stukje met mos begroeide rotsen gevonden waar ik prettig kan zitten. De omstandigheden zijn ideaal. De zon schijnt op mijn gezicht. Er komt geen warmte vanaf. De rotsen zijn eigenlijk wel vrij koud. Ik ga op mijn fotokoffer zitten, leun achterover, rug tegen de rotsen. Echt lekker zit het niet. Toch betrap ik mezelf erop dat ik hier, de eerste keer deze reis, oprecht zit te genieten. Dat ik al weer een paar dagen geen gezelschap heb gehad, geen woord gezegd heb, is jammer, maar dit weegt er vooralsnog ruimschoots tegenop. Deze stilte is nieuw, en anders dan de stilte eerder, onderweg, weldadig.
Deze gedachte heeft zich nog maar even geleden in mijn hoofd gevormd, en daar een comfortabel plekje gevonden, als ik een auto hoor. Dat is gek, want deze baai ligt aan het einde van een smal onverhard karrenspoor. En ja hoor, ik hoor dat de auto tot stilstand komt en de motor wordt uitgeschakeld. Ik hoor het openen en het dichtslaan van twee deuren en stemmen, gepraat, geklets, gezwets. Het geluid komt dichterbij. Een ouder echtpaar stelt zich vastberaden op aan de kustlijn om maar niets van het bijzondere schouwspel te hoeven missen.
De zon is inmiddels een eindje verder naar het noorden gedraaid en is een beetje gezakt, maar hij staat nog ruim boven de horizon. Hij is verkleurd naar oranjerood en ik kan er recht tegenin kijken. Het is nog geen twaalf uur. Nog steeds geen wolkje aan de lucht. En hier is verder niemand, alleen verdomme dat oude echtpaar, dat heel toevallig ook deze plek heeft uitgekozen om getuige te zijn van het noordelijke natuurverschijnsel. Ik verman me. Ik moet niet zeuren, niet kinderachtig doen, wat heb ik nou eigenlijk te klagen. Zo’n oud stel, wat heb ik daar nou voor last van. Ze maken niet veel lawaai en ik heb genoeg veerkracht en verbeeldingskracht om ze weg te denken. Als ik een beetje mijn best doe, zijn ze er helemaal niet. Ik zak weer weg in onduidelijke fantasieën.
Ik schrik wakker van het geluid van stemmen. Veel stemmen. Meer dan de twee van die auto kunnen voortbrengen. Er staan inmiddels een stuk of tien mensen in mijn baai naar mijn zon te staren en elkaar daar weer verslag van te doen. Dat is knap, want eigenlijk is er niks bijzonders te zien. Wat moeten die lui hier allemaal? Hoe weten ze van dit plekje?
Er komen nog meer auto’s aan. En er klinkt geronk achter de heuvels. Als ik in de verte een moeizaam manoeuvrerende autobus zie aankomen, stijgt er een kille woede in mij op. Dit kan niet waar zijn! Maar ik weet het zeker. In alle boekjes, folders en gidsen over Noorwegen moet dit baaitje met grote rode hoofdletters aangegeven zijn. Op elke reisleiderscursus besteden ze aan deze plek een complete lesavond. Dit moeten ze uit hun hoofd leren.
De bus stroomt leeg. Er staan nu wel vijftig of zestig overdreven enthousiaste vakantiegangers op het rotsachtige strandje. Ze praten, ze roepen, ze draven luidruchtig heen en weer en de meest toegewijde types stellen zware statieven op met grote dure camera’s. Ook ik vind het tijd worden wat foto’s te maken, hoewel de lol mij inmiddels definitief vergaan is. Ik moet voordringen om een foto te kunnen maken waar geen andere mensen op staan. Ik moet bijna mijn excuses maken aan anderen omdat ik in hun beeld sta.
Eigenlijk heb ik het wel gehad met die middernachtzon en wil ik naar de tent terug, zo snel mogelijk, maar ik gun die anderen niet de pret mij als een van de eersten weg te zien rijden. Ik wacht tot er beweging komt in de bejaarde mensenmassa. Het is inmiddels ver na middernacht en de zon komt al weer een beetje omhoog. Ik kan alleen maar feitelijk constateren dat het inderdaad een bijzonder verschijnsel is; ervan genieten kan ik nu niet. Mensen lopen terug naar hun auto’s en starten de motoren. Het wordt wat leger op de rotsen.
Plotseling besluit ik dat ik niet wil wachten. Ik moet hier weg. Nu. Ik pak mijn fotokoffer, been naar mijn auto, stap in, trek de deur met een woedende klap dicht, start de motor en rijd weg. Ik heb haast. Ik nader een andere auto, kan hem op dit smalle weggetje niet inhalen en moet achter hem blijven. Ik houd onbeleefd, maar weloverwogen, weinig afstand. Eigen schuld.
Het enige bescheiden pleziertje van die nacht beleef ik als ik al die andere auto’s op de driesprong rechtsaf zie slaan, naar het zuiden, en zie hoe ze op die weg in een lange file achter elkaar aan moeten blijven keutelen. Ik draai linksaf, richting Noordkaap. De hobbelige grindweg ligt leeg en verlaten voor mij. Ik geef gas. Veel gas. Met veel te hoge snelheid raas ik naar het noorden, terug naar de Noordkaap, naar mijn tent. Vol gas. Stofwolken in mijn achteruitkijkspiegel.
Straks wel op tijd remmen, anders rijd ik van Europa af.

noors_klein_46

UIT HET NIETS

Hanny van Hoeijen (1948) is schrijfster, kokkin en met haar man Jos eigenaar van Camping Lallé. In haar jonge jaren schreef ze voornamelijk gedichten en later kinderverhaaltjes. In 1990 emigreerde ze naar Frankrijk om een camping en restaurant te beginnen. Daardoor stond het schrijven op een laag pitje. Deze passie heeft ze de afgelopen jaren weer opgepakt en met ‘Uit het niets’ maakt ze haar debuut. Hanny schrijft ook kinderverhalen. Onlangs heeft ze het prentenboek “De legende van Lallé” geschreven, vooral bedoeld voor de jeugdige campinggasten in Lallé.
De laatste der Mohi…kippen
In het decor van een plattelandscamping past wel een kleine veestapel. We zullen beginnen met een paar kakelende kippen om de landelijke sfeer te creëren. Waar kunnen we die beter uitzoeken dan op de grote boerenmarkt in Brive, een middelgrote stad met een gezellige winkelboulevard, een oude kathedraal middenin het historische centrum en twee dagen per week een markt. Het grote plein staat tjokvol kleurige kraampjes. Het ruikt naar verse broden, kip aan het spit en bij de kaasboer prikkelen de doordringende geuren van geitenkaas en blauwschimmel uit de Auvergne onze neusgaten. In de markthal is elke centimeter gevuld met kooien, dozen en kratten met kleine dieren, die luidkeels protesteren tegen hun meestal veel te kleine behuizing. Het oorverdovende geluid van kakelen, blaten, kwaken, knorren en hinniken doet denken aan een orkest waarvan de leden ieder een ander deuntje spelen. Het zware ronde dak trilt tussen de houten spanten.
We banen ons een weg door de chaos van druk gebarende boeren en marktkooplui, die op hun eigen manier zaken doen met elkaar. Om de beurt schreeuwen ze bedragen, waarbij ze elkaar tegelijkertijd fors op de binnenkant van de handen meppen. Bij alle kraampjes liggen stukken stokbrood met hompen kaas en worst tussen flessen wijn en thermoskannen koffie. Als een aankoop goed afgesloten is, gaan direct twee glazen wijn de lucht in en wordt er geklonken op de goede afloop. Het valt ons op dat geen enkele koop afgesloten wordt met de prijs die op het kaartje staat. Daarna worden de kippen, eenden, duiven, geiten en zelfs kleine pony’s afgevoerd naar de vaak gammele vervoermiddelen, die roestig blinkend in de zon de wacht houden.
We hebben al snel een paar vrolijk gekleurde kipjes op het oog. Uit beleefdheid en omdat we de taal nog niet voldoende beheersen, durven we niet af te dingen en geven de prijs die gevraagd wordt. Ons vee krijgt een veel te kleine doos als reiskoffer. De kakelende kopjes worden hardhandig naar beneden geduwd en terwijl de veren in de rondte vliegen en aan onze truien blijven hangen, vouwt de kordate boerin de deksel stevig dicht en drukt de levende have in onze handen. We hebben het sterke vermoeden dat we veel te veel betaald hebben. Zo snel we kunnen, rijden we naar huis om de arme dieren uit hun ongemakkelijk positie te bevrijden.
Van het grote weiland naast het kampeerveld hebben we een flink stuk met paaltjes en gaas afgezet. Het kleine grut voelt zich binnen de kortste keren helemaal thuis. Vertederd kijken we toe hoe ze elk stukje van het terrein verkennen en ruzie maken om de vette regenwormen. Kleine kipjes worden snel groot en we hebben er niet aan gedacht dat kippen ook, zij het minder goed dan vogels, kunnen en willen vliegen. Het gebeurt regelmatig dat de buurman ons boos belt als de kippen hun vertrouwde leefruimte verruilen voor zijn groentetuin met heerlijke malse slakropjes. De vliegpennen moeten worden geknipt volgens onze buurvrouw, de koeienhoedster. We hebben geen enkel idee waar die zitten en ook al hadden we dat wel gehad, dan nog zou niemand van ons het aandurven om ze te knippen.
We kijken het nog een poosje aan, verhogen het gaas, maar er komt geen verbetering. De kippen hebben het duidelijk op de sla van de buurman gemunt en ze hebben nog een andere interesse. Bij de buurvrouw van de koeien scharrelen ook kippen… en een haan. Om praktische redenen hebben wij geen haan aangeschaft. Wat zouden we moeten beginnen met alle kuikentjes die dan automatisch komen? Onze kippen denken daar anders over, de natuur moet haar beloop hebben. Ze nemen ’s nachts de benen om de verleidelijke Don Juan een bezoek te brengen en marcheren op de terugweg hongerig van het liefdesspel door de groentetuin van de buurman. Langzaam maar zeker verliezen we onze goede naam bij de andere bewoners van Lallé. In het begin vinden de campinggasten de loslopende kippen geweldig, vooral de kinderen hebben er geen bezwaar tegen als een van hen een eitje laat vallen op hun luchtbed. Sommige kampeerders worden verrast met een slapende kip achter het stuur als hij de deur van de auto per ongeluk niet dicht gedaan heeft. Ze nemen het voor lief dat er zo nu en dan wat eten ‘gepikt’ wordt en dat aan de zolen van hun slippers weleens iets blijft kleven.
Even lijkt alles goed te gaan in onze hof van Eden, maar als we op een zonnige middag een kip voorbij zien fladderen met een grote cornetto in haar snavel, gevolgd door een hevig snikkend kind, is de maat vol. De opdringerige dames moeten nu echt in hun eigen leefruimte blijven. Nog eens verhogen de mannen het gaas, deze keer een flink stuk. Hier kan geen kip meer tegenop, de rust keert weer. Onze triomfantelijke gevoelens van overwinning duren maar kort. Op een mistige ochtend na een nacht van heftige onweersbuien vinden we een leeggeplunderd weiland. Hier en daar ligt alleen nog een bosje met bloed besmeurde veren. Ook onze buurvrouw mist enkele dieren. Volgens haar hebben de marter en de vos gezamenlijk van het slechte weer geprofiteerd om hun slag te slaan. In de afrastering zitten grote gaten en om het weiland heen vinden we verstopt onder de struiken de resten van wat eens onze vrolijk kakelende veestapel was. De enige die na enkele uren, sprankelend van gezondheid en luid tokkend, uit de bosjes tevoorschijn trippelt is de dikste van het stel, onze Minette.
Van blijdschap geven we haar de volledige vrijheid. Met veel flair schrijdt ze elke dag als een vorstin naar de haan, die nu veel minder te doen heeft en alle aandacht aan haar besteedt. IJverig bezoekt ze de gasten op het veld, laat zich verwennen met etensresten en nestelt zich als een ware diva in een stoel onder de parasol of ligt voldaan tokkend op de bank in ons huis. Als ze zo doorgaat wordt ze zeker de oudste kip van de Corrèze, tenminste als ze goed uitkijkt bij het oversteken van de landweg op weg naar haar ‘Don Juhaan’. Vaak horen we piepende remmen, maar meestal gaat het goed. Tot die ene dag. De buurvrouw van de koeien klopt met een vrolijk gezicht op de deur.
‘De auto kon niet meer remmen’, lacht ze. Ze steekt haar arm in de lucht en daar bungelt onze Minette. ‘Dat wordt een lekker soepje vanavond’.
Met een smak smijt ze onze geliefde huiskip op de tafel. Minette wordt niet opgegeten. Jankend begraven we haar onder de grote beukenboom.

 

MohikipjeWEB

 

 

MUZIEK VAN WIND EN WATER

Angeline Schoor, geboren en opgegroeid in Haarlem, woont met haar zoon en twee ratten op een van de Zuid-Hollandse eilanden. In het dagelijks leven is zij leidinggevende binnen de gemeente Rotterdam. Daarnaast is zij singer/ songwriter en treedt zij zo nu en dan op, met haar harp of met gitaarbegeleiding van haar zoon. In de tijd die overblijft, reist zij zo veel mogelijk.
Fragment uit Muziek van wind en water: Dag 15 in Dunvegan, Oldest Bakery of Skye
Omdat mijn kamer op het oosten ligt, kan ik tegen vijf uur vaststellen dat de zon schijnt. Hé, dat is leuk. Ik vond de regendag helemaal niet vervelend, maar met droog weer en een beetje zon kan ik Leana weer eens mee op pad nemen. Ik ben een wandeling van plan op een uitsteeksel van Waternish. Als ik Stuart daarover informeer bij het dagelijkse doornemen van de plannen, zegt hij dat in een dorpje daar vlakbij een pub is waar regelmatig jamsessies zijn met aanvliegende muzikanten. Hij zal eens even kijken of dat vandaag ook zo is. Even later komt hij me stralend vertellen dat er vanavond een sessie is. Dat moet dan zo zijn. Ik weet nog niet of ik er ga landen, maar Leana gaat in ieder geval mee.
De echte fairy pools liggen min of meer op de route. Het zou toch jammer zijn er vlak langs te rijden zonder een poging te ondernemen om ze te zien. Ik kan het altijd proberen en als het te druk is, ben ik zo weer weg. Bovendien gaat de weg een eindje de Cuillin Mountains in en die wil ik graag zien, al kom ik er vandaag niet toe ze te bewandelen. Als ik bij de fairy pools kom, staan er wel wat auto’s op de parkeerplaats, maar het is niet vol. Het pad is tot aan de pools helemaal te overzien. Verlaten is het niet, maar ook niet afgeladen met de drommen mensen waar ik zo slecht tegen kan. Laat ik maar eens gaan kijken dan. Het duurt een dik half uur om er te komen, met een steile afdaling en daarna weer omhoog. Ook dit natuurverschijnsel bestaat uit een rivier die met watervallen trapsgewijs van de Cuillin Mountains af komt. De poelen die daarbij zijn ontstaan, zijn talrijker en dieper dan die ik gisteren heb gezien en inderdaad van een indrukwekkende schoonheid. Feeën zie ik niet, daarvoor zijn er net even te veel mensen. Maar dat geeft niet, die heb ik gisteren al ervaren. Vanavond, als iedereen weg is, komen ze vast terug. Dat kan haast niet anders op een plek als deze. Ik volg het pad omhoog langs de poelen. Hoe hoger ik kom, hoe minder mensen er zijn. Ik ben toch blij dat ik gekomen ben. Deze plek mist weliswaar door de bezoekers de magie die ik graag opzoek, maar is toch te mooi om overgeslagen te worden.
Als ik omkeer om aan de terugtocht te gaan beginnen, zie ik dat de parkeerplaats mudvol gelopen is. De auto’s stromen er zelfs overheen, tot op de smalle weg. Dat heb ik dan weer mooi uitgekiend, wegwezen nu. Als ik er bijna ben, komt me een ontzettend dikke mevrouw tegemoet. Ze is gehuld in een weinig flatteuze broek en felgekleurde trui. Ze heeft een hoedje met een slappe rand en een grote zonnebril op. Haar armen rinkelen van de armbanden. Aan een lijn voert ze twee Yorkshire terriërs met zich mee. Het is zo’n lijn die zich een meter voor het einde splitst en dan verder loopt naar een tuigje in stemmig Schots ruitpatroon voor ieder slachtoffer, zodat ze wel min of meer vrij kunnen bewegen maar steeds tot elkaar veroordeeld blijven. De hondjes zijn netjes geborsteld en het haar op hun kop zit met een strik vastgebonden. Ach Jezus! Ik ben juist bij een overstapplaats met grote stapstenen over een stroom en ik wacht om haar voor te laten gaan. Achter haar staat ook een rijtje mensen te wachten, want dit gaat een hele onderneming worden. De mevrouw komt zelf met enige moeite aan de overkant. Nu haar kameraadjes nog. Beverig staan ze op de stapsteen. De afstand die ze al springend moeten overbruggen, is tweemaal hun lichaamslengte. Ik vermoed dat dit niet gaat lukken, zeker niet aan die lijn. De mevrouw ziet dit ook in. Moeizaam positioneert ze zichzelf zodanig dat ze met één been op de stapsteen en met één been op de kant staat. Met een ferme ruk aan de lijn zwaait ze de beide hondjes over de stroom heen, alsof ze in de zweefmolen zitten. Gelaten ondergaan ze het. Het gaat allemaal erg snel en bijna goed, alleen de landing is niet helemaal soepel. Met een plons belanden ze in de stroom. Met behulp van de lijn worden ze door de mevrouw op de kant gehesen, waarna ze zich heftig uitschudden. Hun kapsels zijn helemaal bedorven. De schater die al een tijdje in mij aan het opborrelen is, kan ik met geen mogelijkheid meer tegenhouden en hij knalt eruit. De wachtenden aan de overkant hebben zichzelf beter in de hand. Een van hen, een flegmatieke jongeman, voegt de mevrouw in het voorbijgaan op vlakke toon toe: ‘Well, they certainly look like they are enjoying themselves.’

33 - Fairy Pools, Skye

ED PIELKENROOD – IN DIENST VAN HARE MAJESTEIT EN DE PAARDEN

Publicist Ed Pielkenrood schrijft voor magazines en bedrijfsbladen. Als ghostwriter schrijft de eigenaar van een communicatiebureau ook columns, inleidingen en speeches uit naam van anderen. In zijn vrije tijd organiseert Pielkenrood evenementen en zet hij zich in voor verschillende organisaties, onder andere op het gebied van erfgoed en historie. Vanaf zijn jeugd rijdt hij paard. Bij een bezoek aan het Cavaleriemuseum in Amersfoort raakte hij onder de indruk van de officieren die voor de Tweede Wereldoorlog op hippisch gebied mondiaal een hoofdrol speelden. Met name de grote hoeveelheid materiaal van en over Charles Henri Labouchere trok zijn belangstelling. Bij het doornemen daarvan ontstond als vanzelf het beeld van ruiter, militair en mens Labouchere, dat er om vroeg om opgeschreven te worden.
Eerder schreef Pielkenrood onder andere de boeken Maison d’Essence, een huis met een luchtje over de geschiedenis van het geur- en smaakstoffenbedrijf Polak & Schwarz (IFF), Specerijenmolen de Huisman, samengesteld volgens kruidig recept over de geschiedenis van deze molen in Zaandam en Zaken in Zaandijk over de geschiedenis van een Zaanse ondernemersfamilie.

 

DE REIS (1912)
Over de gezondheid van zijn paarden aan boord van het schip maakt Charles Labouchere zich wel een beetje zorgen. Een jaar eerder was het weer tijdens de reis zo slecht geweest dat de paarden weinig op het dek konden worden uitgestapt en de meeste dagen in hun box moesten blijven. Het mag een wonder heten dat hun conditie bij aankomst in New York nauwelijks bleek te hebben geleden onder de zeereis. Ondanks zijn zorgen stemt Labouchere direct in met het voorstel van de Koninklijke Militaire Sportvereniging om nogmaals deel te nemen aan het concours dat jaarlijks wordt georganiseerd door de National Horse Show Association of America. De Koninklijke Militaire Sportvereniging, die in 1886 is opgericht om officieren aan te moedigen hun bedrevenheid in onder andere paardrijden en schermen te bevorderen, regelt deelname aan nationale en internationale concoursen en heeft uit New York een uitnodiging gekregen om, net als in 1910 en 1911, ook in 1912 een team af te vaardigen. Samen met ritmeester Van Gellicum en de luitenants Mathon en Coblijn zal Labouchere de Nederlandse driekleur hoog houden in New York.
Hij bewaart uitstekende herinneringen aan zijn avontuur van vorig jaar. Want een avontuur is het geweest. Alles was anders in Amerika. In Nederland worden alle concoursen in de openlucht en bij daglicht gehouden en kunnen ruiters hun paarden in de losrijbaan in alle rust voorbereiden op het parcours. Maar in New York moesten de ruiters ’s avonds rijden bij kunstlicht. In de enorme ovale hal van Madison Square Garden was bovendien geen losrijbaan. De paarden moesten vanuit de stallen onder de hal direct de ring in zonder zich warm te hebben gelopen. Deze omstandigheden waren de ruiters vooraf bekend en daarom hadden ze voor vertrek enige keren geoefend door hun paarden ’s avonds ‘koud’ van stal en bij kunstlicht in de manege van de Militaire Rijschool in Amersfoort te laten springen. Maar of dat genoeg zou zijn, wist geen van de afgevaardigde ruiters toen. Gelukkig bleek het voldoende, want de Nederlanders wonnen niet alleen verschillende individuele prijzen. Ook de landenwedstrijd werd een overwinning voor Labouchere en zijn teamgenoten. Hij hoorde nog het oorverdovend gefluit van het publiek na elke foutloze rit. Dat was geen teken van afkeuring, zoals dat in Nederland gebruikelijk is, maar een beloning en aanmoediging. Sommige paarden werden gek van het geklap, gestamp en gefluit van het enthousiaste publiek. Maar Labouchere had geen moeite gehad om zijn paarden onder controle te houden en dat leken de Amerikanen extra te waarderen. Elke keer als hij de ring binnen reed, werd hij al begroet met dat kabaal. Hij was een van de favorieten van het publiek.
De prijs van de landenwedstrijd, de felbegeerde America Cup, moesten de ruiters helaas achterlaten, want het betrof een door het New Yorkse Hotel Martinique beschikbaar gestelde wisselprijs. De grote zilveren bokaal kan pas mee naar huis als een land twee achtereenvolgende jaren de overwinning behaalt.
1911 Haaren met HonvedLabouchere geniet van het rijden van internationale concoursen en hij bereidt zich daar steeds nauwgezet op voor. Naast zijn werk als cavalerieofficier en het rijden van dienstpaarden, rijdt hij dagelijks zijn wedstrijdpaarden. Dressuur vormt daarbij de basis en die basis moet steeds worden bijgehouden, elke dag weer. Zo worden zijn paarden niet alleen gehoorzaam, maar vooral ook lenig en sterk. Dat is nodig om in een parcours hoogte en breedtesprongen te kunnen afwisselen en om scherpe wendingen en tempowisselingen te kunnen rijden. Daarnaast moet de conditie van zijn wedstrijdpaarden worden opgebouwd, want je kunt een paard niet een zwaar parcours voorzetten waarvoor hij misschien wel de capaciteit heeft maar niet de conditie. Labouchere wil zijn paarden helemaal klaar hebben voordat hij er wedstrijden mee gaat rijden. Natuurlijk begint hij met eenvoudige parcoursen als de paarden nog jong zijn, want ook een springpaard moet langzaam groeien in de sport. In dit leerproces kiest hij zorgvuldig de concoursen, waarbij hij steeds iets meer kan vragen van zijn paarden totdat ze de zwaarste parcoursen aan kunnen. Alles draait bij Labouchere om wederzijds vertrouwen tussen hem en zijn paarden. Hij weet precies wat hij wel en niet van zijn viervoeters kan en mag vragen en zal het langzaam gewonnen vertrouwen van een paard nooit beschamen.
Als autodidact in de paardensport met een aangeboren gevoel voor paardrijden leidt Labouchere zijn wedstrijdpaarden zonder veel hulp op. Bij de cavalerie zijn weliswaar veel instructeurs, maar zij kunnen Labouchere weinig leren. De militaire instructeurs laten hun leerlingen voor en op de sprong als vanouds rechtop in het zadel zitten, waarbij zij de teugels door hun handen moeten laten glijden als het paard zijn hals strekt boven de sprong. Labouchere weet echter dat een paard op de sprong niet alleen over zijn hals moet kunnen beschikken, maar ook over zijn rug. Daarom brengt hij bij het springen intuïtief zijn bovenlijf naar voren, waarbij zijn zit uit het zadel komt, zijn gewicht in de beugels steunt en zijn knieën het scharnierpunt vormen. Deze stijl wordt wel de Italiaanse stijl genoemd, omdat kapitein Frederico Caprilli deze in de militaire rijschool van Pinerolo in Noord-Italië heeft geïntroduceerd en ontwikkeld. Veel buitenlandse officieren gaan naar Pinerolo om zich het ‘springen in verlichte zit’ eigen te maken. In Nederland is Labouchere vanuit zijn gevoel al begonnen met de verlichte zit voordat hij ook maar van Caprilli en zijn methode heeft gehoord. Hij rijdt zijn paarden bovendien altijd volledig verzameld en gecontroleerd naar de sprong, waarmee de kans een foutloos parcours te rijden veel groter is. Door zijn wedstrijdrijdende collega-officieren wordt hij daarom enorm bewonderd. Zij proberen zijn stijl te imiteren, maar dat valt niet mee als je niet hetzelfde ruitergevoel hebt. Toch hebben inmiddels ook enkele andere talentvolle ruiters de weg naar de verlichte zit en controle over hun paard gevonden. Samen met Labouchere vormen zij de top van de cavalerieruiters en vertegenwoordigen zij Nederland op internationale concoursen. Niettemin blijft Labouchere een klasse apart. Zijn ritten zijn niet alleen effectief, maar ook heel mooi om te zien. Beheerst, gecontroleerd en alsof het paard en ruiter geen enkele moeite kost. Zijn talent wordt op alle Nederlandse concoursen door het publiek gewaardeerd en ook in het buitenland krijgt hij veel erkenning. Labouchere is altijd en overal de lieveling van het publiek.
1912 Op de bootDe paarden staan wijdbeens om niet te vallen als de trein langzaam op gang komt. Links en rechts van de grote schuifdeur in het midden van de wagon staan de zes paarden naast elkaar opgesteld in de lengterichting van de wagon. De speciale wagons, die de Nederlandse Spoorwegen inzet voor het transport van paarden, zijn berekend op wel twaalf paarden. De rijdieren van de Nederlandse equipe hebben dus alle ruimte op het eerste traject van de reis naar Amerika. Bij het verlaten van station Amersfoort passeert de trein een aantal wissels waardoor de wagon schokt. Telkens verstappen de paarden om hun evenwicht te bewaren. Als er een zou vallen in het dikke bed van stro zijn er twee oppassers om het paard weer overeind te helpen. Het is geen lange rit naar Rotterdam, waar de SS Noordam ligt te wachten om de leden en paarden van de equipe naar New York te brengen. Toch duurt het enkele uren voordat de trein via het Centraal Station naar de Wilhelminakade in Rotterdam wordt doorgerangeerd. Bij aankomst moeten de paarden nog enige tijd wachten totdat ze kunnen overstappen van de wagon in houten boxen, die op de kade gereed staan voor hun zeereis. Vervolgens worden de houten boxen op het achterdek van de Noordam gehesen en daar vastgesjord. Nadat de boxen gereed zijn en voorzien van een dikke laag stro, mogen de paarden aan boord. Gadegeslagen door de volledige ruiterequipe en vele andere passagiers worden de paarden in hun boxen aan boord gehesen. De wedstrijdpaarden zijn gelukkig heel wat gewend en maken zich niet druk als zij door de lucht zweven. Op het achterdek van het schip worden de boxen stevig vastgesjord om te voorkomen dat ze bij zwaar weer gaan schuiven. Ze zijn bovendien helemaal af te sluiten zodat de paarden niet nat en koud worden als er bij storm zeewater over het dek slaat.
De equipe bestaat uit zes paarden, vier ruiters, twee oppassers en enkele begeleidende militairen. Labouchere is de enige ruiter, die ook in 1911 deel uitmaakte van de springploeg. Hij neemt net als vorig jaar zijn trouwe Ierse ruin Dreadnought mee, waarmee hij ook toen al zeer succesvol was. Bovendien rijdt hij nu Spes, het dienstpaard van collega luitenant Colenbrander die thuis blijft. Spes is eveneens een Iers springpaard, maar wel met een flinke scheut hackneybloed ofwel tuigpaardenbloed. Dat is vooral te zien aan zijn hoge hoofd- en halshouding. Het is een talentvol paard met goede springmanieren, dat internationale ervaring moet opdoen. De zeer betrouwbare Dreadnought is Laboucheres troef. Dit lang gelijnde paard, met een krachtige galop en enorme springcapaciteit, lijkt in de ring wel eens te kalm en laconiek. Toch weet Labouchere hem meestal foutloos naar de finish te sturen. Een snelle tijd maakt de combinatie nooit, maar een nulscore in het basisparcours én in de barage is meestal goed voor een hoge placering.
Amerikaanse officieren maken alleen gebruik van volbloedpaarden en daarom waren de pers en het publiek in de Verenigde Staten het eerste jaar van hun deelname wel lovend over de ruiters uit Holland, maar niet over hun paarden. Men vindt ze lomp en stijf. Dat beeld wordt bijgesteld als de Nederlandse ruiters in 1911 de landenwedstrijd winnen. Vooral Labouchere en Dreadnought maken indruk. Trapman en Van Voorst tot Voorst waren toen zijn teamgenoten, waarbij de laatste met de Ier Black Paddy sprong, die in 1910 nog werd gereden door Coblijn. Nu, in 1912, zijn Coblijn en Black Paddy weer een combinatie. Je zou dus kunnen zeggen dat deze Ierse ruin het meest ervaren paard en de betrouwbaarste factor is in het team. Ook Mathon en Van Gellicum, die al in 1910 deelnamen, zijn weer van de partij. Inmiddels is Van Gellicum bevorderd tot ritmeester en is zijn paard Powerful een stuk sterker geworden. Mathon en zijn dienstpaard Held vormen de reservecombinatie. De ruiters zijn optimistisch over hun kansen bij de landenwedstrijd in New York, maar ten opzichte van de Amerikaanse ruiters beginnen zij met een achterstand. De Nederlandse paarden hebben een lange reis achter de rug voordat ze aan start komen.
Labouchere geniet van de zeereis en het leven aan boord van het varende hotel. Hij heeft op het schip van de Holland Amerika Lijn, net als zijn collega’s, de beschikking over een comfortabele eersteklas hut, waarin voldoende ruimte is voor zijn grote koffers. Daarin zitten onder andere zijn altijd onberispelijke uniformen met bijbehorende petten en laarzen. Bovendien heeft hij kleding mee voor de verschillende officiële lunch- en avondontvangsten die de ruiters in New York staan te wachten. Trouwens, ook aan boord verkleden de leden van de equipe zich enkele malen per dag. Ze worden ’s avonds in ieder geval in vol ornaat aan het diner verwacht. Natuurlijk bemoeit Labouchere zich aan boord het meest met zijn collega’s. Maar hij begeeft zich ook graag onder de andere eersteklas passagiers. Hij geniet van de aandacht die hij krijgt als wedstrijdruiter die zijn land vertegenwoordigt. Het ontspant hem bovendien om ook eens met andere mensen te praten, hoewel die gesprekken ook heel vaak over het leger en de paarden gaan.
Over de verzorging en het uitstappen van de paarden hoeven de ruiters zich niet druk te maken. Dat is een taak van de oppassers Jan Wiersema en Thijs Vrind. Zij delen aan boord een derde klas hut, maar zijn zoveel mogelijk bij de paarden. Het achterdek van de Noordam, waarop de boxen staan en de paarden worden uitgestapt, is taboe voor de passagiers. Alleen de leden van de equipe hebben er toegang. Zij bezoeken de paarden dagelijks en bespreken dan het wel en wee van hun viervoeters met de oppassers. Na acht dagen meert de Noordam af in New York en gaan de paarden in goede conditie van boord.

HENK VOS – ENFANT TERRIBLE

Eddy Janssen publiceerde eerder het boek ‘Alles is Remy’ over het onverwachtse overlijden op negentienjarige leeftijd van zijn zoon Remy en ‘Het floepte er zomaar uit’, een boek vol mooie anekdotes uit de tijd dat hij nog voor de klas stond. Het is een bundeling van columns die eerder van hem verschenen en bevat behalve die leuke anekdotes ook tal van ervaringen en bedekte tips over kinderen en de rol van ouders en het onderwijs. Hij is al zijn levenlang sportliefhebber en heeft Henk Vos uitgekozen als hoofdpersoon voor zijn derde boek. Die keuze was niet zo moeilijk. Niet eens zo zeer omdat Henk een streekgenoot van hem is, maar vooral omdat het een voetballer is die tot de verbeelding spreekt en die een uitzonderlijk lange en veelzijdige carrière kende, met even veel glorierijke momenten als dieptepunten. .
De Franse eerste divisieclub Metz hengelt al een tijdje naar de diensten van Henk Vos en gaat in de winterstop met hem in gesprek. FC Metz geeft aan snel zaken te willen doen en zoals gewoonlijk is Vos meteen enthousiast. Bij Standard komt hij momenteel toch minder aan spelen toe en zo’n Frans avontuur ziet hij wel zitten. Hij belt zelf meteen de voorzitter van Standard en meldt hem dat Metz hem graag wil overnemen en dat ze contact gaan opnemen.
Een journalist krijgt hier lucht van en wil er het fijne van weten. Hij belt trainer Kessler en vraagt of Henk Vos Standard gaat verlaten en gaat tekenen bij FC Metz. Kessler schrikt van dit bericht en antwoordt dat hij daar niets van af weet. Hij ontkent alles. Diezelfde avond om tien uur wordt Kessler echter gebeld door de heer Henrotay met de vraag of hij even langs mag komen. Kessler begrijpt op dat moment meteen waar het over gaat. Op de vraag van Henrotay of hij er moeite mee heeft dat Henk Vos Standard gaat verlaten antwoordt Kessler heel resoluut: ‘Daar heb ik grote moeite mee, ja!’ Vos komt namelijk nog steeds voor in de plannen van Kessler. Hij wil er eerst goed over nadenken voordat hij ergens mee instemt waar hij later spijt van krijgt. Hij wil hierover ook met Henk zelf praten. Henk gaat al in gesprek met Metz en Kessler probeert nog laat telefonisch contact met Henk te zoeken. Die durft echter de telefoon niet op te nemen, omdat hij van Kessler altijd vroeg op bed moet liggen. Daags daarna spreekt Kessler hem wel en zondert zich daarna af. Hij gaat urenlang wandelen om een en ander op een rijtje te zetten. Na veel wikken en wegen belt hij Henrotay om te zeggen dat hij toch akkoord gaat. Kessler: ‘Maar ik ontken niet dat ik er erg mee in mijn maag zat. Ik heb alles tegen elkaar afgewogen en kwam tot de conclusie dat één van onze andere spitsen, Tikva, in de tweede competitiehelft waarschijnlijk meer zou kunnen betekenen dan Vos. Maar als ik bij mijn standpunt gebleven was, zou Vos nooit vertrokken zijn.’
Vos: “Bij Metz zijn mijn vooruitzichten veel beter. Ik weiger te zeggen dat ik bij Standard gefaald heb, ik heb er simpelweg nooit voldoende kansen gekregen als gevolg van die verdomde buitenlandersregel.”
H11 - Standaard4Het vierjarig contract van Henk Vos wordt binnen enkele dagen aangepast en Vos tekent in het bijzijn van zijn echtgenote en zijn manager een verhuurcontract bij FC Metz tot het einde van het seizoen. Metz maakt bekend dat het de bedoeling is dat hij op 16 december 1990 al zijn debuut maakt tegen de Franse kampioen Olympique Marseille.
Er gaat voor Vos weer een totaal andere wereld open. Hij betrekt in zijn nieuwe pleisterplaats een gemeubileerd appartement, pal tegenover het stadion van Metz. Hij gaat het komende half jaar spelen tegen alle grote Franse clubs zoals Marseille, Paris St. Germain, St. Etienne, Nice en Bordeaux. De reisafstanden zijn, in tegenstelling tot in België en Nederland, erg groot en FC Metz verplaatst zich dan ook standaard op de dag van de wedstrijd per vliegtuig vanaf R.V. Aeroport Metz-Frescaty. Relatief snel is men dan op de plaats van bestemming. Omdat men ’s nachts niet te laat mag landen, vliegt men steeds onmiddellijk na de wedstrijd terug. Slechts een enkele keer reist men per bus. Henk Vos speelt tegen Marseille de gehele wedstrijd (met nummer 11). Meestal links aan de buitenkant om zijn directe tegenstander, de vaak mee opkomende Boli, af te stoppen. Tegen Marseille, met Waddle en Papin, is FC Metz kansloos en verliest met 3-0.
“Mijn gevoel na de eerste partij was erg dubbel. Ik wist Boli volledig uit de wedstrijd te spelen, maar ik voelde me in deze rol niet echt lekker. Ik ben nu eenmaal een spits en geen linkshalf. De nederlaag deed me ook pijn. Na de wedstrijd zat ik minutenlang met een handdoek over mijn hoofd. De trainer kwam vragen wat er scheelde. Hij zei dat ik het me niet aan moest trekken, want dat er weer een nieuwe wedstrijd op het programma stond. Voor die lui was er niets aan de hand. Daar keek ik wel van op. In Frankrijk heerst een heel andere mentaliteit. Alles gaat daar ‘doucement’, rustig aan.”
De kranten hebben Vos na enkele wedstrijden ook ontdekt en in de maandagkranten prijkt bijna standaard steeds een ‘Henk Vos actiefoto’. Het commentaar, na de met 2-1 gewonnen thuiswedstrijd tegen Toulouse FC, mag er ook best zijn: ‘Henk Vos maakt duidelijk vorderingen en gaat steeds beter spelen. Alleen jammer dat deze atleet en begaafd technicus het doel nog niet vindt.’
FC Metz trekt met onmiddellijke ingang nog een nieuwe aanvaller aan, Francois Calderaro. Het is de bedoeling dat hij samen met Henk Vos het spitsenduo vormt. Op 24 januari 1991 verslaat FC Metz thuis FC Nantes met 2-0 en Henk Vos scoort voor 6.000 toeschouwers de 1-0, zijn eerste goal voor Metz. Mede hierdoor bezet FC Metz een fraaie vijfde plaats op de ranglijst. In de kranten staan naast de wedstrijdverslagen ook enkele kleine, aparte katernen met wat wetenswaardigheden over het begin van zijn carrière. Vos blijft goed presteren en wordt in de pers geprezen om zijn exceptionele snelheid, zijn tempoversnellingen, zijn beweeglijkheid en het feit dat hij steeds op de goede plaats opduikt. Men noemt hem in een ‘koptekst’ na een overwinning zelfs ‘de held van het feest’!
Hij wint ieders sympathie en men ziet hem als de ‘aansteker van het vuurtje’. Hij gaat voorop in de strijd en men noemt hem een eerlijke speler, omdat hij voetbalt vanuit zijn hart. Vos lijkt zijn draai in Metz gevonden te hebben: “Ik heb het hier uitstekend naar mijn zin. Ik heb nu al zo’n tien wedstrijden gespeeld en scoorde al vier keer. Niet slecht. Ik vind de competitie hier minder zwaar dan in België. Hier speelt men meer op techniek in plaats van op fysiek. Het maakt me niet zoveel uit waar ik speel, als ik me maar kan laten gelden. Hoe het straks aan het einde van het seizoen moet, weet ik niet. Terugkeren naar Sclessin is zeker een optie, maar ik moet dan wel meer kansen krijgen om te bewijzen dat ik in het eerste elftal thuis hoor.”

Privé krijgt Henk een klap te verwerken als hij het bericht krijgt dat zijn opa is overleden. Opa is toch de man die in het begin van zijn carrière zijn steun en toeverlaat was. Henk is hierdoor aardig van slag en heeft tijd nodig om dit te verwerken. Meteen na het trieste nieuws rijdt hij naar Roosendaal en blijft daar een volle week.
H12 - MetzOp uitnodiging speelt FC Metz een vriendschappelijke wedstrijd om de Memorial Albert Stoltz (de oud- voorzitter van Union Luxembourg) bij Union Luxembourg. FC Metz wint gemakkelijk met 0-4 en Henk Vos blinkt uit door het missen van diverse doelrijpe kansen. Dit zwakke optreden zorgt er mede voor dat hij op de bank terecht komt. Hij krijgt nog slechts invalbeurten. FC Metz bezet na 31 wedstrijden een zesde plaats, samen met nog vier andere ploegen. In de middenmoot van de ranglijst is het dus dringen geblazen. Een wedstrijd verliezen kan zo maar een vrije val betekenen. Trainer Joël Muller wil dit voorkomen en kiest voor een meer offensieve speelstijl. Tegen SC Toulon (18e op de ranglijst) speelt hij dan ook met de spitsen Calderaro en Vos. Ze spelen in Toulon voor slechts 3.000 toeschouwers een ongelukkige wedstrijd en verliezen met 2-1. Als Metz, met Vos in de gelederen, de weken erna ook verliest van Lyon en Auxerre, maakt men zich in Metz geen enkele illusie meer over een hoge klassering. Het seizoen wordt als verloren beschouwd en FC Metz besluit de optie tot verlenging in het contract met Henk Vos niet te lichten. Na zestien wedstrijden en slechts twee goals is Vos aan het einde van het seizoen 1990-1991 weer selectiespeler van Standard.
“Jammer dat ik na een aantal redelijke wedstrijden niet meer in de basis verscheen. De trainer koos definitief voor Calderaro alleen in de spits. Ik moest het uiteindelijk gaan doen met invalbeurten en kwam steeds minder aan de bak. Toen wist ik al dat mijn carrière hier geen lang leven beschoren was. Wel weer een grote levenservaring rijker. Diverse clubs informeerden bij mijn zaakwaarnemer, maar het deed me deugd dat ik hoorde dat Standard me niet wilde doorverhuren en dat ze me eigenlijk graag terug wilde hebben. Dat was ook wel te zien aan het feit dat men een erg hoog transferbedrag op mij plakte. De liefde kwam duidelijk van twee kanten. Eén en één was dus twee en sneller dan ik verwacht had keerde ik met veel ambitie terug naar Standard. Ik wilde me daar gaan bewijzen en trainde tijdens de vakantie in mijn eentje de gehele zomer door.”