EINDPUNT: U-TAPAO

Ellen van Boggelen-Heutink werd op 3 april 1948 in Amsterdam geboren en emigreerde in 1956 met haar ouders, broers en zus naar Canada. Ze bracht al tekenend haar kinderjaren door en wist toen al dat ze later illustrator wilde worden. In 1967 keerde ze terug naar Nederland om een opleiding aan de AKI (Akademie voor Kunst en Industrie) te Enschede te gaan doen. Ontevreden met de manier van lesgeven, stopte ze ermee en ging als au pair in Duitsland werken. Toen dat was afgelopen, is ze een jaar lang liftend en met openbaar vervoer door Europa en het Midden en Verre Oosten gereisd. Onderweg hield ze een dagboek bij en maakte vele foto’s en tekeningen. Aansluitend woonde en werkte ze een jaar lang in Thailand waar ze indirect betrokken raakte bij de Vietnam Oorlog. Na opnieuw een jaar in Canada keerde ze in 1971 terug naar Nederland, hervatte haar opleiding aan de Aki, ontmoette daar haar man en bleef plakken. Na de geboorte van hun eerste zoon hebben ze zich aangemeld bij Jeugd Onder Dak en een half jaar later hadden ze hun eerste pleegkind. Ze werden al vrij snel een groot pleeggezin met gemiddeld 6 tot 8 pleegkinderen en 4 bio-zoons. In 1991 ging ze als zzp’er aan de slag als illustrator met een tekenstudio aan huis. Ze werkt voor binnen- en buitenlandse opdrachtgevers en treed daarnaast regelmatig op als sneltekenaar.
.
.
Hoofdstuk 10: Don
Afghanistan, 3-10 februari 1969, Herat, Kandahar en Kaboel
.
De volgende ochtend vertrokken wij met de eerste bus naar Herat en kwamen ‘s middags om halfdrie aan bij de grens. De douane bestond uit ’Taxi?’ en we stapten achter in de semi-open taxi-jeep. We reden door een kaal, onherbergzaam, oneindig stuk niemandsland. Net voor weer een andere grens stuitten we op een grote modderplas waarin drie vrachtwagens zich hadden vastgereden. De chauffeurs stonden eromheen luidruchtig te overleggen hoe het verder moest. Onze chauffeur gaf gas en de jeep gierde er met een vaart doorheen terwijl de modder alle kanten opspatte. De vrachtwagenchauffeurs gaven ons een daverend applaus.
Rond zes uur ’s avonds arriveerden we bij de grens met Afghanistan. De chauffeur eiste onze paspoorten op en vervolgens werden we uitgeladen en begeleid naar een soort schuur waar twee grote, donkere Afghani’s gehurkt om een vuurtje zaten. Boven het vuur hing een waterpijp te borrelen en wij werden uitgenodigd om daaraan deel te nemen. Weigeren was geen optie, het was een gebaar van gastvrijheid en dat moest je zonder morren accepteren. Met tegenzin nam ik een trekje, huiverig voor wat komen zou. Binnen enkele minuten had mijn geest zich losgemaakt van mijn lijf en ik dreef van moment naar moment.
Het ene moment werd ik wakker in een curieus klein theehuisje ergens in de diepe krochten van een groot, uit steen en klei opgetrokken gebouw. Op een met vodden bedekt bed lag een meisje in zichzelf te mompelen, totaal van de wereld. We zaten daar een tijd stom tegen elkaar te grinniken. De minuten werden uren. Langzamerhand voelde ik me steeds angstiger worden, want we hadden onze bagage in de taxi laten liggen en de chauffeur had onze paspoorten meegenomen. We hadden geen idee wat er ging gebeuren en ik vreesde het ergste. Ik stond op, trok de verdoofde Don met moeite omhoog en wij verlieten samen die bedompte ruimte. We bevonden ons vervolgens in een lange, schemerige gang waar geen einde aan leek te komen. Niemand hield ons tegen. Bedwelmd door de hasj, die vele malen sterker was dan het spul dat Don doorgaans gebruikte, hadden we totaal geen richtingsgevoel meer. Ik raakte in paniek en begon harder te lopen, van donkere ruimte naar een nog donkerdere ruimte. Er was niemand en toch hoorden we verborgen stemmen. Is daar iemand? Help ons hieruit!
Na de zoveelste flauwe bocht zagen we in de schemer plotseling een gordijn in de tocht wapperen. Was dat de uitgang? Geruisloos slopen we naar de opening, bang dat iemand aan de andere kant ons zou aanvallen of tegenhouden. Don trok het gordijn voorzichtig open en tuurde naar buiten. Niemand. Kom, we gaan de jeep zoeken. Als in een nachtmerrie liepen we de verlaten binnenplaats op.
Toen ik weer een helder moment had, besefte ik dat ik midden in een diepe plas liep, tot aan mijn enkels in de modder. Het was pikdonker. Die waterpijp had ons oriëntatievermogen volledig overhoop geschopt. Met meer geluk dan wijsheid en na wat een eeuwigheid scheen te duren, vonden we de jeep weer terug. Tot onze verrassing hadden drie grote Afghani’s reeds achterin plaatsgenomen. Na nog een angstige eeuwigheid kwam de chauffeur terug met onze paspoorten en opgelucht zetten we de reis weer voort.
Hobbelend over de keien en door de gaten in de weg voelde ik een doodsangst, veroorzaakt door de dreiging van die reusachtige, zwijgende figuren in het donker. Ik hield mijn aandacht strak gericht op mijn handen, ineengekrompen op het bankje. Hoewel het ijskoud was, liep het angstzweet mij over de rug. Zou ik hier wel levend uitkomen? Waar gingen we heen? Belandde ik in een harem? Zouden we vermoord en in een ravijn gegooid worden? Niemand zou erachter komen in dit verlaten, duistere landschap. Na duizend doden te zijn gestorven, hield ik mijn adem in toen plotseling de Afghaan schuin tegenover mij zich met uitgestoken, dichtgeknepen vuist naar voren boog. Geschrokken deinsde ik terug. Ik keek hem met afgrijzen aan. Wat wilde hij? Hij keek mij vriendelijk aan, draaide zijn vuist om, knikte en opende zijn hand. In zijn hand lagen nootjes. Hij knikte nogmaals en reikte zijn geopende hand met de nootjes verder naar mij toe. Het was een gebaar van vriendschap en mijn angst ebde onmiddellijk weg. Ik hield mijn hand op om de nootjes aan te nemen en stak er een in mijn mond. Ze smaakten lekker en ik knikte dankbaar naar de grote Afghaan. Met een brede glimlach op zijn gezicht knikte hij vriendelijk terug.
De rest van de reis verliep zonder probleem en vijf uur later kwamen we aan in Herat (42). De chauffeur liet ons voor een hotel uitstappen en wij boekten een kamer. Doodmoe liet ik mij op bed vallen en zonk weg in een diepe slaap. Het wakker worden was als opkrabbelen uit een mist die mij in zijn greep hield. Ik gaf de schuld daarvan aan de waterpijp. Dat gebruik van verdovende middelen was niets voor mij, ik verloor alle grip op mijn handelen en geheugen. Daar hield ik niet van. Ik was een control freak, moest het overzicht houden, anders was ik bang mezelf te verliezen. Zo’n ervaring als die nacht hoefde ik niet weer te beleven.
Later heb ik nog naar die verrukkelijke nootjes gezocht, maar kon ze in geen enkele bazaar of winkeltje vinden. Ze bleven een mysterie, net als het hele gebeuren van die nacht.
Het geld was op en we gingen naar een bank om een traveller’s cheque (43) te wisselen. We vielen van de ene verbazing in de andere. De bank bevond zich in een klein achterafkamertje verscholen in het diepste binnenste van een groot gebouw met een deken als deur om de tocht tegen te gaan. In ongeveer vijf minuten was mijn armzalige cheque bedolven onder een gigantische berg ‘officiële’ formulieren en paparassen. De stapel werd overgeheveld van hok naar hok totdat ik eindelijk, na ruim twee uur, naar een ander gebouw werd gestuurd om mijn geld op te halen. Er moet zeker een man of tien bij betrokken zijn geweest, voor elke handeling één persoon in dienst. Het was maar goed dat ik geen haast had om het einde van de wereld te bereiken want als reiziger verloor ik veel tijd bij het inwisselen van een cheque.
We verhuisden naar een ander, goedkoper hotel waar we Ted en Doug weer ontmoetten, die daar al een paar dagen zaten. Ze staken een joint op en ondanks mijn goede voornemens deed ik mee. Daarna werd mijn leven een vaag geheel. We besloten met z’n allen naar een eethuis te gaan om wat te eten. Ik zag mezelf lopen van een afstand, als in een droom. Geen idee hoe we bij dat eethuis zijn gekomen, want de wandeling leek een eeuwigheid te duren. Ik volgde blindelings de anderen, bang om hen en mijzelf kwijt te raken. De rest van de dag ging volledig aan mij voorbij en uren-dagen-maanden later werd ik wakker in een bed. Ik was voldoende bij bewustzijn om Don naast mij te herkennen en zonk toen weer weg in een bodemloze, droomloze diepte.
 
   

Geplaatst op 5 november 2019, in Reisverhalen en getagd als . Markeer de permalink als favoriet. Reacties uitgeschakeld voor EINDPUNT: U-TAPAO.

Reacties zijn gesloten.