DE ONTDEKKING VAN SHETLAND

Jan Bommerson (1950) was docent Nederlands, trad op als cabaretier met ‘Jank’ en ‘Martin, Ton en Bommerson’ en als presentator van theater- en smartlappenavonden. Hij publiceerde gedichten en won er in Nederland en België prijzen mee. Hij reist graag naar noordelijke streken, fotografeert er en schrijft erover. In de zomer van 1979 reist hij naar de Noordkaap in Noorwegen en weer terug. Hij legde zijn ervaringen vast in enkele ‘zonderbare verhalen’ die werden gebundeld in ‘NOORS’, over een tot mislukken gedoemde reis door Noorwegen. Zijn tweede boek heet ‘De ontdekking van Shetland’. In dit boek vertelt hij het verhaal over zijn reizen naar de Shetlandeilanden in de jaren zeventig van de vorige eeuw. De Shetlandeilanden liggen een paar honderd kilometer ten noorden van Schotland. Ze zijn kaal, rotsachtig en onherbergzaam, regenachtig en winderig, maar bieden een schat aan vogelleven, archeologische vindplaatsen en vrolijke pubs met veel muziek. Bommerson bivakkeerde tijdens zijn reizen op een onbewoond eiland met duizelingwekkende kliffen, gidste deftige Engelse toeristen door het noordelijkste natuurreservaat van het Verenigd Koninkrijk en leefde er intensief samen met een groepje jonge Shetlandse en Schotse vrienden. Met hen stak hij turf, dreef hij schapen bijeen en vierde hij feest. De voortekenen tijdens de eerste reis waren slecht. Onderweg, in een Schotse pub, kon een dorpeling zich niet voorstellen dat iemand vrijwillig naar Shetland probeerde te reizen. Voor Bommerson was dat juist aanleiding om alles op alles te zetten om de eilanden te bereiken. Na die eerste reis is hij nog twee maal op Shetland geweest, telkens ongeveer een maand. In zijn heldere beeldende stijl vertelt hij erover. Dankzij het vaak humoristische verhaal van ‘De ontdekking van Shetland’ maakt de lezer kennis met deze afgelegen eilanden en hun bevolking. In het boek staat een kleine selectie van de honderden foto’s die Bommerson op de eilanden maakte.

 

Hoe een schoen verdween
In het noordwesten van Unst, het noordelijkste bewoonde eiland van Shetland, ligt het natuurreservaat Hermaness. Het is een gebied van vijf bij ruim twee kilometer. Aan de oostkant ligt het langs een diepe inham, de Burra Firth. Aan de zuidkant loopt het ongemerkt over in de rest van Unst. De ruige Noord-Atlantische westkust is het meest interessante deel van het gebied. Er zijn hoge rotsen, kliffen, kolonies van zeevogels. De noordelijkste punt geeft uitzicht op Muckle Flugga, het noordelijkste eilandje van het Verenigd Koninkrijk. Er staat een vuurtoren op, die al enige jaren automatisch functioneert en niet meer permanent bemand is. Vanaf de kust van Unst is het eilandje duidelijk te zien.
Voor het gemak heb ik in Lerwick bij Bolt’s Car Hire een auto gehuurd, een Triumph Toledo. Triumph staat bekend om zijn sportieve auto’s en motoren. De Toledo is een tamelijk gewone gezinsauto, maar hij rijdt verrassend pittig over de Shetlandse kronkelende wegen.
Er zijn geen campings op Unst, laat staan in Hermaness. Ik heb mijn tent opgezet langs een stroompje helder water, een eindje van de weg, omdat ik niet in het volle zicht wil staan kamperen. De weg, niet breder dan een meter of drie, houdt hier op. Doorgaand verkeer is er niet. Ook de auto probeer ik buiten beeld te plaatsen, maar ik moet oppassen dat ik hem niet zo parkeer dat hij langzaam in het moerassige gebied wegzakt en dat ik er niet zonder hulp mee weg kom.
Ik maak, als het regent, een paar ritjes over het eiland met mijn Toledo, maar de meeste tijd ben ik aan het rondstruinen door de heide en de moerassen van Hermaness. Ik heb een topografische kaart van het gebied (1:50.000), waarmee ik me aardig kan oriënteren. Vroeger had je de one-inch-to-the-mile-maps, maar het Verenigd Koninkrijk is decimaal geworden. Op mijn kaart staat slechts één pad aangegeven door het onbewoonde gebied. Daar trek ik me niks van aan. Als je een beetje uit je doppen kijkt, kun je hier overal lopen.
Vlakbij mijn tent stroomt een beekje, de Milldale burn. Je bent er met een stap overheen en als je niet goed oplet, zie je het niet eens. Toch stroomt het dag en nacht rustig kabbelend door. Stroomopwaarts zijn geen vervuilende fabrieken of landbouwgif strooiende boeren. Het water is gefilterd door dikke lagen eeuwenoude turf, dus glashelder en bovendien steenkoud. ‘s Morgens poets ik met het water mijn tanden en fris ik mijn gezicht er mee op. En ik schep er water uit voor mijn kop Bovril. Voor ik het drink, kook ik het wel. Je weet nooit wat voor onzichtbaar onheil zich in zo’n heldere beker water verscholen houdt.
Het pad leidt naar de top van Hermaness Hill, een bult van tweehonderd meter hoog, en dan verder naar de noordpunt van het eiland. De wandeling vereist wel de oversteek van de Burn of Winnaswarta Dale. Een stroompje van niks. Maar wat een prachtige naam! Vanaf de top van de heuvel heb ik een fantastisch uitzicht over het hele reservaat. Bijna rondom is zee. Een eindje naar het noorden, in de diepte, ligt Muckle Flugga. Het water stuift hoog op rond de rotsen van het eilandje. Hoe daar ooit mensen aan land zijn gegaan, en op die klomp rotsen een vuurtoren hebben kunnen bouwen, is me een raadsel.
Naar het oosten is, aan de overkant van de Burra Firth, een radarpost van de RAF zichtbaar. Er is een militaire basis, met een grote bolvormige radarinstallatie in de laaghangende bewolking bovenop de heuvel die Saxa Vord heet. Het is een no-go-area voor de normale toerist.
Ook hier zijn, net als op Mousa, grote jagers. Als ik op een middag door de heide loop, zet een stelletje de aanval in. Ze moeten hier een nest hebben en ze vinden duidelijk dat ik veel te dichtbij ben. Uit de bewegingen van de vogels kan ik niet afleiden waar het nest zit. Ik besluit een richting te kiezen en in een rechte lijn die kant uit te lopen. Het gaat niet goed. De vogels vallen me heviger dan ooit aan. Dan zie ik waarom. Vlak voor mijn voeten ligt een jong exemplaar op een minimaal nest in de heide. Er steken al wat echte veren voorzichtig door het dons naar buiten. Het jong kan nog niet vliegen en het heeft alle hulp van zijn ouders nodig als het belaagd wordt.
Ik buk me snel, stel de camera in en maak een foto. De grote jagers vinden het niet leuk. Ik voel de luchtstroom door mijn haren als ze, telkens opnieuw, met z’n tweeën, om de beurt duikvluchten naar mijn hoofd maken. Ik moet hier weg. Nu. Ik loop met een stevig tempo in dezelfde richting, in dezelfde rechte lijn als daarnet, weg van het jong. Ik hoop dat ik de grote vogels zodoende duidelijk maak dat ik wegga en nooit weer terugkom, en dat ik geen bedreiging meer ben voor hun nageslacht. Het werkt. De jagers doen nog een paar aanvallen, maar minder hevig en met weinig overtuiging.
Toch word ik gestraft voor mijn overtreding. Door de haast waarmee ik me verwijder van de jonge grote jager kijk ik niet goed uit waar ik loop. Ik kom in een moeras terecht. De grond wordt nat en natter. De plassen worden dieper. Mijn linkervoet verdwijnt onverwachts in zijn geheel in een diep gat vol zwart moeraswater. Ik verlies bijna mijn evenwicht. Als ik mijn been optrek voor de volgende stap, voel ik dat mijn voet omhoogkomt uit het moeras. Dat wel. Maar mijn schoen heeft zich vastgezogen in de donkere derrie. Mijn voet komt uit het water, met een kletsnatte half uitgetrokken sok. De schoen blijft achter onder de oppervlakte.
Honderd gedachten kolken rond in mijn arme hoofd. Ik ben een schoen kwijt. Ik heb hier één paar schoenen. Hoe kom ik op Shetland aan nieuwe schoenen, in mijn maat achtenveertig? Waar is mijn schoen, in welk gat ligt hij? Kan ik hem terugkrijgen? Dan moet ik op mijn knieën en wordt mijn broek ook kletsnat. Ik probeer de paniek te onderdrukken en rustig na te denken. Dat mijn broek nat wordt, is natuurlijk niet erg. Vervelend, maar een missende schoen is erger. Ik trek mijn windjack uit, leg het op een plek die er een beetje droog uitziet en stroop mijn linkermouw op. Ik laat me op mijn knieën zakken en steek mijn arm in het gat waar ik mijn voet zojuist uit omhoog getrokken heb. Het gat is diep en mijn arm steekt tot voorbij de elleboog in het donkere water. Ik voel van alles, planten, wortels van planten, en dan de rand van een schoen. Mijn schoen!
Ik heb hem. Ik trek hem omhoog en houd hem op de kop, zodat het zwarte modderige water eruit stroomt. Ik sta op en begin te lopen, nauwkeurig kijkend waar ik mijn voeten neerzet. Als ik uit het moeras ben, ga ik op een grote steen zitten. Nadenken, de schade opnemen. Eigenlijk is het niet zo erg. Mijn broek is kletsnat, mijn schoen is kletsnat, maar onbeschadigd. Het zal wat tijd kosten voor hij weer droog is. Als dat het enige probleem is, overleef ik het wel. Omdat ik nog lang niet bij de tent ben, besluit ik de geplaagde schoen aan te trekken. Door dit gebied lopen met alleen een droge schoen rechts en een natte sok links is niet verstandig.
Het duurt nog dagen voor mijn schoen weer droog en soepel is. Elke ochtend is hij wat verder opgedroogd. Het klimaat is hier koud en vochtig, dus het gaat niet snel. ‘s Morgens is de schoen steeds heel stug en hard. In de loop van de dag wordt hij door mijn lichaamswarmte weer soepel. Dat herhaalt zich nog een paar dagen, tot hij echt droog is. Dankzij die vochtige schoen loop ik lang met een klamme linkersok en een heel koude linkervoet rond.
Advertenties

Geplaatst op 5 oktober 2017, in Reisverhalen en getagd als , . Markeer de permalink als favoriet. Reacties staat uit voor DE ONTDEKKING VAN SHETLAND.

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: