Artush en Zaur

.
.
Ontmoeting

Hoofdstuk 1 (fragment)
Tbilisi begroette hem met een fraaie nazomer en een vriendelijk briesje. Zaur stapte vanuit de vierde wagon van de trein van Bakoe naar Tbilisi het smerige, betonnen perron op. Hij zette de kraag van zijn jasje op en huiverde even. Met de plunjezak en de laptop over zijn schouder, baande hij zich een weg naar de brede trap die naar de uitgang leidde. Elke keer dat hij deze stad bezocht, kwam hem de geur van oosters gekruide worstjes tegemoet. Ook vandaag weer. Sigarettenpeuken dreven als schepen met geheven witte zeilen in de plassen op het perron, onder het bleke licht van de zon die eruit zag als een Acharuli khachapuri. Op het dak boven het perron zat een rij kraaien brutaal te krassen, alsof ze de reizigers begroetten in een vogelvariant van het Georgisch. Een hond met drie poten rende langs Zaur; waarschijnlijk was hij de vierde kwijtgeraakt onder een trein.
De norse taxichauffeurs bij het station waren hoofdzakelijk Azerbeidzjanen. In het Georgisch, Russisch, Azerbeidzjaans en zelfs in het Armeens, beloofden ze op luidruchtige wijze uitstekende en heel goedkope ritten. De organisatoren van het congres hadden geen auto gestuurd om hem af te halen, maar die had Zaur ook niet nodig. Hij had maar weinig bagage en in de trein had hij kunnen slapen. Hij vond het wel prettig om een eindje te lopen en de sfeer van Tbilisi op te snuiven, want zijn laatste bezoek aan de stad was alweer een half jaar geleden. Hij wilde zijn spirituele band met de stad vernieuwen.
Zodra hij een voet op de trap had gezet, werd hij omringd door zigeuners die allemaal tegelijk in het Azerbeidzjaans om geld begonnen te bedelen. Zaur duwde een meisje van een jaar of vijftien van zich af.
‘Ik ben uit Bakoe vertrokken om bij jullie uit de buurt te zijn en nu achtervolgen jullie me zelfs hier! Waar moet ik dan in ’s hemelsnaam naartoe om jullie te ontlopen?’
Terwijl hij dat zei en de trap afliep, hoorde hij de boze, spottende stem van het zigeunermeisje. ‘Ga jij maar naar Bayil!’
Zaur bleef staan en keek om. Ze zag de reactie van de gierige jongeman, barstte in lachen uit en trok grimassen naar hem. Haar zes vriendinnen lachten met haar mee en de meisjes, die als zeven druppels water op elkaar leken, draaiden zich gierend en met uitgestoken tong om.
Zaur keek ze even na, alsof hij het beeld wilde vastleggen in zijn geheugen, draaide zich toen abrupt om en liep de trap af. Er had iets dreigends geklonken in de woorden van het meisje. Wat betekende het? Wat was het? Een waarschuwing, een teken dat hij voorzichtig moest zijn? Of had de zigeunerin een vloek over hem uitgesproken? Iets waar geen kruid tegen gewassen was? Haar opmerking was net zo vreemd als de koans4 van boeddhistische monniken die het nirvana bereikten. Nu was hij gedwongen zich het hoofd te breken over die zin tot hij wist wat het betekende. Haar woorden waren een geheimzinnig raadsel, voor hem alleen bedoeld. Hij maakte zichzelf wijs dat het zigeunermeisje een helderziende was. Toen hij de laatste tree bereikte, keek hij weer om. De zigeunerinnen waren nergens meer te bekennen. Zijn goede humeur ook niet.
Zaur stapte naar buiten. De warme nazomer omarmde de oude stad. De hemel leek met de aarde te versmelten. Zijn zin in een wandeling was verdwenen. Zaur keek om zich heen. Tien meter verderop zat een oudere taxichauffeur in zijn aftandse gele Zhiguli de krant te lezen. Zaur boog zich naar het halfopen raampje en zei: ‘Goeiemiddag. Wat kost een ritje naar het stadhuis?’
De chauffeur schoot overeind en legde zijn krant op het dashboard. Zijn beroepsintuïtie zei hem dat Zaur vast en zeker voor zijn wagen zou kiezen. ‘Vier lari,’ zei hij zelfverzekerd.
‘Ik moet nog geld wisselen.’
‘Zie je dat groene loket daar?’
‘Ja.’
‘Daar kun je wisselen.’
Zaur knikte dankbaar en haastte zich naar het groene loket. De Georgische lari hield al jaren stand tegenover de dollar en de koers stond al twee regeringen lang op twee tegen een. Zaur schoof een biljet van honderd dollar naar een dikke vrouw met een snor, die in een haveloze stoel in de kleine cabine zat.
‘Ik wil dit graag wisselen.’
De vrouw hield het biljet tegen het licht, spuugde op haar vingers en begon lari uit te tellen. Ze telde langzaam. Zaur werd er zenuwachtig van. Toen ze klaar was, pakte hij het geld, stopte het zonder het na te tellen in zijn portemonnee en rende terug naar de taxi. Hij trok het achterportier open, legde zijn bagage op de achterbank en stapte zelf voorin.
‘Rijden maar.’
Terwijl hij probeerde de motor te starten, mompelde de chauffeur iets in het Georgisch. De motor was minstens even oud als de bestuurder; hij had nukken en leek er weinig voor te voelen de bevelen van de chauffeur op te volgen. Na een paar vergeefse pogingen zei de man ineens: ‘Alla, Muhammed, ya Ali’ en draaide de sleutel nogmaals om. De motor begon te grommen. Zaur kon zijn ogen niet geloven. De Zhiguli kwam in beweging en reed weg richting centrum.
Zaur kon zich niet bedwingen. ‘Hoe komt het dat u dat gebed kent?’
‘Welk gebed, jongen?’
‘Alla, Muhammed, ya Ali.’
De oude man lachte zijn door de tabak vergeelde tanden bloot.
‘Aha, je komt uit Bakoe, begrijp ik?’
‘Ja, dat klopt.’
‘Ik heb het gebed van een Azerbeidzjaan geleerd. Die zei dat alles in orde komt als je het gebed zegt voor je de weg opgaat. Het is al jaren geleden, maar ik heb de woorden altijd onthouden. Het gebed heeft me al heel wat keren geholpen. Vroeger ben ik vaak naar Kvemo Kartli, jij noemt dat Borchali, gereden in deze zelfde auto.’ Hij klopte goedkeurend op het stuur. ‘Dan bracht ik Azerbeidzjanen terug naar Borchali, vanaf de Sataanse Bazaar, waar ze fruit verkocht hadden… Nu zijn deze auto en ik niet sterk genoeg meer voor zo’n lange reis. We zijn allebei oud geworden.’
Zaur bekeek de luie Georgiërs die over de trottoirs slenterden.
‘Ik begrijp het…’
‘En jij, jongen? Ben je naar Tbilisi gekomen voor wat vertier?’
‘Er is hier een congres.’
‘Een congres? Over de pijpleiding?’
‘Nee, over de conflicten in het zuiden van de Kaukasus.’
De oude man schudde zijn hoofd en klakte met zijn tong. Hij wierp Zaur een zijdelingse blik toe.
‘Verdomde politici! Schoften zijn het, die mensenlevens op het spel zetten. Dacht je dat wij die oorlog gewild hebben? Alle republieken hebben eronder te lijden. Tegenwoordig vinden we die oude Sovjet-tijden maar niks. Afschuwelijk, onmenselijk. Maar destijds hadden we zulke problemen niet! Er was vriendschap, broederschap tussen de volken. En moet je nu eens zien…’

tbilisi

Advertenties

Geplaatst op 31 mei 2014, in Geen categorie en getagd als , . Markeer de permalink als favoriet. Reacties staat uit voor Artush en Zaur.

Reacties zijn gesloten.