DE JUNGLE-JINGLE VAN ECUADOR

Angeline Schoor, geboren en opgegroeid in Haarlem, woont met haar zoon en twee ratten op een van de Zuid-Hollandse eilanden. In het dagelijks leven is zij leidinggevende binnen de gemeente Rotterdam. Daarnaast is zij singer/songwriter en treedt zij zo nu en dan op, met haar harp of met gitaarbegeleiding van haar zoon. In de tijd die overblijft, reist zij zo veel mogelijk.
Fragment uit De Jungle-Jingle van Ecuador: Dag 9 in Yarina
Voor Amazonasbegrippen is het een koele en frisse ochtend. Het heeft dan ook de hele nacht ferm geregend. Het is hooguit een graad of dertig en mijn kleren zijn minder klam en stinkerig dan gisteren. Of ik begin aan de stank te wennen, dat kan natuurlijk ook. Voor het ontbijt lig ik nog wat in de hangmat, zachtjes wiegelend in het gazige ochtendlicht. Damp stijgt op uit de boomkruinen. In een grote boom recht tegenover mijn veranda is het een gekwetter van jewelste. Er huist een grote groep toekans en ik zie ze steeds, die enorme slabak voor zich uit dragend, sierlijk door de bomen zweven.
Na het ochtendvoederen gaan we opnieuw met zijn vijven ter kano. We volgen de Rio Manduro nu stroomopwaarts, op zoek naar slangen en kameleons. Die zien we vooralsnog niet. Wel veel vogels en een paar apen. Hemelsblauwe vlinders, zo groot als mijn beide handen, fladderen in groten getale vlak langs de kano. We komen bij een splitsing van de Rio Manduro en de Rio Pandaro. Het water van deze rivier is donkerder dan dat van de Rio Manduro en de duidelijk zichtbare scheiding van beide kleuren water ziet er fascinerend uit, alsof je op een glas café macchiato vaart. Na een uurtje van geruisloos glijden over de rivier meren we aan voor een wandeling. Het pad is goed begaanbaar, al moeten we zo nu en dan uitwijken voor spinnenwebben als wagenwielen, waarin spinnen van handformaat hangen. Eén keer let ik niet goed op en kom ik toch in de draden terecht. Tot mijn verbazing breken ze niet, maar veer ik terug. Met deze spin ga ik geen ruzie zoeken. Jammer genoeg duurt de wandeling niet lang, want Mike, de jonge Amerikaan uit ons groepje, voelt zich niet lekker en moet vreselijk overgeven. Het is maar goed dat ik, als doorgewinterd moeder zijnde, altijd natte doekjes bij me heb. Die zijn nu zeer welkom. We achten het niet verstandig om met een groepslid in die gesteldheid verder te wandelen, dus keren we op onze schreden terug om de ongelukkige terug te brengen naar de lodge. Misschien helpt een uurtje rust en iets kalmerends voor de maag. Het goede nieuws is dat Deniz en Pauline mij nu alleen meenemen de rivier op, om vogels te kijken. We zien er erg veel. En niet alleen dat. Vlakbij de oever, op een grote struik met donkergrijze takken en groen blad, zit een kameleon van ruim een meter lang. Ondanks zijn enorme afmeting en een kop die zo groot is als de grootste van mijn twee ratten, duurt het even voordat ik hem zie, want hij heeft exact de kleur van de takken aangenomen. Een indrukwekkende broeder. Eenzelfde truc wordt uitgevoerd door een grote uilachtige vogel die in een boom met een lichte stam zit. Zijn verenkleed heeft dezelfde kleur en tekening als de bast. Hij beweegt niet of uiterst langzaam en is bijna niet te zien. Dat maakt deel uit van zijn plan, want hij loert op insecten die argeloos te dichtbij komen. Hap! Ik zie het hem doen. Boven de rivier scheren grote ani’s, blauwe vogels die qua vlucht een beetje op papegaaien lijken en de bomen zitten vol met oropendolo’s. Dit zijn favorieten van mij. Ze zijn ongeveer zo groot als een flinke ekster en hebben zwart met gele veren. Als ze vliegen, spreiden ze hun gele staart wijd uit. Maar het leukste van deze vogels vind ik het klokkende, viertonige wijsje dat ze voortbrengen. Je hoort het overal en de hele dag door, als een soort jungle-jingle.
013 - 12 juni Coca; eerste blik op de Rio NapoCopyright foto: Angeline Schoor
Het is nog geen lunchtijd als we weer afmeren aan de steiger. Ik wil best het bos nog even in en vraag Deniz of ik het pad van gisteravond veilig alleen kan bewandelen. Volgens hem is het meestal veilig, kan ik er op komen door achter de apenboom het bos in te gaan en steeds links te houden. Best spannend, zo in je eentje. Ik ga niet al te ver, want er zijn toch andere zijpaden en ik wil niet verloren lopen. Verder goed uitkijken natuurlijk waar ik mijn voeten zet en als ik steun zoek, controleer ik eerst of ik niet per ongeluk iemand vastgrijp die mij de hand af zou kunnen bijten. Het gaat allemaal goed en met een aardige buit aan foto’s, vooral van exotische bloemen en paddenstoelen, kom ik weer veilig bij de apenboom het bos uit.
Rond het middaguur barst de regen weer los en als het 15.00 uur is, het tijdstip waarop we naar een observatietoren hoger op de berg gaan wandelen, regent het nog steeds. Ik vertrouw echter op de goede relatie die ik doorgaans met lokale weergoden heb en dat is terecht, want na een klein half uurtje is het droog genoeg om te vertrekken. Voor deze ene keer laat ik Kenny, mijn trouwe spiegelreflexcamera die meegaat op al mijn reizen, achter. De stakker heeft het al zo zwaar in al het vocht en dan neem ik hem niet mee in een regenbui die nog niet helemaal over is en misschien nog terugkomt. Alleen met Deniz en Pauline – Mike en Niza zijn na de lunch vertrokken – glibberen we weer het modderige oerwoud in. Ook vandaag heeft Deniz van alles te vertellen over wat het bos levert. Er is een boom waarvan de schors te gebruiken is tegen malaria en eentje waarvan je het binnenste van de bast kunt kloppen tot vezels waar je kleding van kunt maken. Een andere boom levert noten die zo hard zijn dat je er knopen van kunt snijden. Je kunt hier je hele garderobe bij elkaar verzamelen. Deniz wijst op een niet al te grote boom, meer een struik eigenlijk, en vertelt dat dit een limoenmierenboom is. Met zijn machete hakt hij een tak af waar een verdikking in zit. Hij snijdt het dikke stuk open en kijk, er blijken inderdaad mieren in te huizen. Hij haalt zijn vinger er door, steekt er een paar in zijn mond en biedt Pauline en mij de tak aan. Pauline heeft het al eens geprobeerd en zegt dat het meevalt. Ach, veel niet-Nederlanders gruwen van drop en haring, dus waarom zou ik mijn neus ophalen voor dit lokale gerecht? Het is maar net wat je gewend bent. Ik veeg wat mieren op mijn vinger en eet ze op. De smaak verrast me volkomen. Die is sterk en zoetzuur. Heel lekker, als een zuurtje van goede kwaliteit. Ik lust best nog wat. Samen snoepen we de tak leeg.
Het is ongeveer anderhalf uur soppen naar de observatietoren. Inmiddels is het helemaal droog en zelfs zonnig geworden, dus ik heb erge spijt dat ik Kenny niet bij me heb. Dat wordt nog erger als ik bovenop de toren sta. Het uitzicht is op zijn minst indrukwekkend te noemen. Rondom en onder de toren, die Deniz overigens in zijn eentje gebouwd heeft, strekken de kruinen van de oerwoudreuzen zich uit, sommige vol met bloemen. Het bos dampt hevig na de recente regenval. In de verte is de Rio Napo te zien. Dit schreeuwt gewoon om een fotoserie. Pauline en Deniz leven mee met mijn cameraleed en beloven me morgen weer hier te brengen voor een herkansing. Vogels zien we wel, maar niet veel. Kennelijk zitten ze nog in hun regenschuilplaatsen te wachten tot ze zeker weten dat het nu echt even droog blijft. Deniz heeft inmiddels beneden een palmblad en wat losse vezelbladen gehaald. Binnen tien minuten knutselt hij hiervan een rugzakje. De Kichwa gebruiken dit soort draagzakken om geschoten wild in te vervoeren zodat ze de handen vrij hebben voor de voortzetting van de jacht. Het is zo verschrikkelijk knap gemaakt dat al onze westerse fabrieksspullen hier kaal tegen afsteken. Ik krijg de rugzak ten geschenke en neem me voor er heel zuinig op te zijn en mee naar huis te nemen.
Bergafwaarts, op de terugweg, tref ik op de grond een soort bloemachtige vruchten aan, met een stervorming hart en ronde punten vanuit het midden. Ik vraag naar eetbaarheid en gebruik ervan. Eetbaar zijn ze niet, maar wel bruikbaar voor versiering van kleding. Deniz snijdt met zijn machete het bovenste deel van de vrucht af en wacht even. Een vuilwit vocht verschijnt op de snijvlakken. Hij vraagt mij op welke plaats hij een stempel op mijn kleren kan zetten en vertelt erbij dat het er waarschijnlijk nooit meer uit zal gaan. Ik wijs op mijn oude tuinbroek. Die is inmiddels zo smerig en verspreidt zo’n ranzige lucht dat je er een dikke, voedzame soep van kunt koken en kan dus wel wat versiering gebruiken. Op beide benen komt een stempel die er uit ziet als een bloem. Heel mooi en bijzonder origineel. Als straks thuis modder, vuil en stank er uitgewassen zijn, is deze broek een prachtstuk!
Omdat we hebben gewacht tot het droger werd, zijn we later vertrokken dan we van plan waren en begint het nu al wat te schemeren. Ik vind dat niet erg, want ik hou wel van wandelen in een schemerig oerwoud en ik vertrouw blindelings op Deniz. Dat blijk terecht als we de weg naar huis versperd vinden door de Rio Manduro, die door de regenval van de afgelopen nacht en middag razendsnel is gestegen. Deniz kent een alternatieve route. We moeten wel een flink stuk door vrij diep water waden, maar dan stijgt de grond weer en wordt het pad beter begaanbaar. Niet ver van de lodge treffen we in de modder het spoor van een anaconda aan. De veroorzaker ervan zien we helaas niet, al geloof ik dat Deniz dat niet zo erg vindt. Hij heeft het niet zo op anaconda’s, omdat ze gevaarlijk en onberekenbaar zijn. Ik geloof hem natuurlijk op zijn woord, maar stiekem vind ik het toch een beetje jammer. Ik had er graag een ontmoet.
017 - 14 juni Amazonas; een van de huisgenotenCopyright foto: Angeline Schoor
Advertenties

Geplaatst op 30 mei 2014, in Reisverhalen en getagd als , . Markeer de permalink als favoriet. Reacties staat uit voor DE JUNGLE-JINGLE VAN ECUADOR.

Reacties zijn gesloten.